In het droog seizoen, als het heel koud is, worden de menschen wakker,
langen tijd na de zon, die reeds opgestaan is, maar die verscholen
blijft achter den nevel [256]. De mannen keeren de pleinen, zij
vereenigen een weinig gras en hout, zij steken vuur aan, zij verwarmen
hunne handen, wrijven ze om er de koude af te krijgen, zij kouten
een weinig onder malkander, alzoo: He! Vandaag is het heel koud.
Anderen zeggen, alzoo: Vandaag is het goed, dat er geen warmte is,
aldus gaan wij rap naar 't bosch om het af te kappen. Welaan, laat
ons gaan, nu dat ons lichaam sterk is.
Anderen, alzoo: Laat ons wachten, dat de vrouwen maniok hebben gestampt
en voorbereid; wij versterken ons hart.
Anderen, alzoo: Vooruit, mannen, op dit oogenblik, dat de zon achter
den nevel is verborgen, dan kappen wij een schoonen hoek van 't
bosch af.
Anderen, alzoo: 't Is wel, wij wachten naar 't eten niet. Vooruit! Als
wij terugkomen, dan eten wij.
Zij nemen de kapmessen en trekken op. Als zij in 't bosch aankomen,
dat zij willen afkappen, dan verdeelen zij zich. Eenigen, alzoo:
Wij twee, wij kappen te zamen, alzoo haasten wij ons.
Anderen, alzoo: Ik, ik alleen.
Anderen vragen aan de oudsten, alzoo: Dit bosch, dat onze ouden over
vele regens [257] hebben afgekapt, om er maniok te planten, was er
schoon maniok?
De oudsten antwoorden, alzoo: Weest gerust, broeders, hier hebben
onze ouden veel geld gewonnen.
Zij, alzoo: 't Is goed, wij werken.
Dan beginnen zij te kappen.
Alle dagen aan 't kappen en kappen.
Zij kappen eerst de staken af en de kleine boomen. Terwijl zij kappen
en kappen, fluiten eenigen bij hun werk, om op geen andere zaak te
denken, die het werk zou doen verlaten.
Als zij de kleine staken hebben afgekapt, dan wachten zij eenige
dagen, daarna nemen zij hunne bijlen, zij trekken op en zij beginnen
de groote boomen af te hakken. De bijlen zijn opperbest. Hunne tanden
zijn heel scherp. Vele dikke boomen vallen omver.
Dan is het bosch afgekapt [258] en zij trekken op naar het dorp.
Het afgekapt bosch verdroogt onder de gloeiende warmte van de
Mbangala. Alles wordt droog en droog. Die zijn afgekapt bosch bezit,
gaat naar zijn bosch zien, 't is heel droog geworden. Hij heft de
oogen op, en hij ziet den rook opstijgen op een andere plaats, alzoo:
Daar, die heeft zijn afgekapt bosch in brand gestoken, wacht, ik zal
ook gaan.
Hij gaat, hij steekt het vuur aan, daar van waar de wind komt. Het
vuur stijgt op. En het afgekapt bosch staat in brand. Het vuur is aan
't laaien en laaien. Als het vuur gedaan is, dan gaat men zijn ratten
en muizen vangen, die in den brand omgekomen zijn.
Als het afgekapt bosch niet goed verbrand is, dan kappen zij weer de
staken in kleinere stukken, zij verzamelen de takken op eene plaats,
en zij steken alles in brand.
Dan trekken zij terug naar 't dorp. Iedere vrouw heeft een kieken
voorbereid, spijst haren echtgenoot, omdat hij zonder letsel, frisch
en gezond, er van afgekomen is.
Als de eerste regens vallen, dan trekken de mannen en de vrouwen
naar het verbrande bosch; zij hoopen er de aarde aan en planten maïs
en maniok.
De maïs is na drie maanden rijp. Maar de maniok moet wel meer dan
een regenseizoen blijven groeien en bloeien. Na zestien of achttien
maanden is hij rijp.
Kianika.