HET VERBRANDEN VAN 'T HOOGE GRAS

Als het seizoen, dat men Mbangala [255] heet, verschenen is, is het

hooge gras droog. De menschen beginnen dan het in brand te steken,

om er hun wild te schieten en hunne muizen te vangen, die daar zich

in verbergen. Eenigen branden hun gras heel rap, anderen wachten

tot op de laatste dagen van het droog seizoen. Als er eenige dagen

vervlogen zijn, dan stelt de eigenaar van zijn hooge gras een dag,

alzoo: Toekomenden Nkenge, steek ik mijn hooge gras in brand. Die

een geweer hebben, dat zij komen, om mijn wild te schieten.

Als de dag verschenen is, komen de jagers af.

De heer van zijn hooge gras beveelt aan zijne kinderen en kleine

slaven, alzoo: Gaat beneden, steekt wel het vuur aan; gij, jagers,

trekt naar boven op, wacht wel het wild af op de plaatsen, waar het

gewoonlijk wegloopt.

De kinderen en de kleinen roepen dan, alzoo: Wij, onze muizen gaan

wij schieten.

Hij, de eigenaar, alzoo: Welaan, gaat, als gij het vuur hebt

aangestoken, komt dan rap, schiet uwe muizen en misschien schiet gij

ook wild.

Zij gingen en zij staken 't vuur aan. Dan gingen zij heel rap loopen,

en zij kwamen hunne muizen afwachten. Het vuur begon te laaien en te

knetteren. Het wild ging loopen, daar waar de jagers ze afwachtten

en dan schoten zij ze. Andere gingen vluchten en zich verbergen. Men

vervolgde ze en men joeg ze op met de honden. Zij schoten ze. Maar

andere gingen heel ver vluchten. Als de menschen in 't dorp terugkomen,

dan verdeelen zij het wild: een deel voor den eigenaar van het hooge

gras en een deel voor den jager, die het geschoten heeft. Als men tien

reebokken schiet, dan geeft men wel tien reebokkenbillen ofwel twintig

voor tien geschoten reebokken, aan den eigenaar van het hooge gras.

Zoo handelt een eigenaar van zijn hooge gras. Dat zijn de belastingen,

die hij doet betalen.

Indien iemand een andermans hooge gras in brand steekt, dan moet hij

boete betalen.

Mbengo.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 89 / 153 题