In een dorp was er een slechte vrouw. Op zekeren dag had die vrouw
honderd en tien mitakos. De Nkandu was aangekomen. 's Morgens, als
zij opstond, ging zij naar de rivier om haar te wasschen. Zij kwam
terug, braadde een palmnoot in 't vuur. De palmnoot was voorbereid;
zij deed er de schors af, en zij bestreek er het aangezicht mede,
om zich als een schoone maagd voor te stellen.
Maar in het dorp kende men haar, als een oud verfronseld wijf, die
vijf kinderen had gebaard, twee meisjes en drie jongens.
Toen zij op de markt kwam, zag zij drie maniokbollen, die men op
de markt kwam dragen. Zij wachtte op den weg en zij vroeg: Die
maniokbollen, zijn zij mij te verkoopen?
Die hare maniokbollen bezat, antwoordde: Ja, zij zijn te verkoopen.
Zij vroeg: Hoeveel voor eenen bol?
De verkoopster antwoordde: Veertig, veertig.
Zij dan: He, zuster, neem dertig, dertig voor een maniokbol.
Wel, 't is goed, betaal de mitakos.
Zij nam het mandeken, dat zij op den kop droeg, haalde er negentig
mitakos uit, betaalde de drie maniokbollen, en zij trok op. Op haar
mandeken lagen er nog twintig mitakos op. Zij ging terug naar de
markt, zij kocht meloenzaad voor tien mitakos, kocht zout voor vijf,
en rupsen voor vijf.
Haar kind had zij ook vijftig mitakos gegeven; het kocht ook zijne
zaken en zij trokken terug naar hun dorp.
Toen de moeder thuis kwam, brak zij hare maniokbollen, legde ze in
de zon; maar de zon was niet sterk.
De maniokbollen, zij droogden niet en zij zegde: Ik zal naar 't bosch
gaan, om brandhout te rapen, en mijne zaken te drogen.
Zij kwam in 't bosch aan, en zij vond er droog nsasahout, dat
afgevallen was bij onweerswind. Zij brak het hout. Het brandhout was
overvloedig. Dan zocht zij witte slingerplanten, en bond een bussel
hout vast.
Zij kwam terug, terwijl zij den bussel op den kop droeg. Zij kwam zien
of haar gekochte zaken droog waren; maar zij waren nog niet droog. Zij
nam ze en ging ze leggen op een berd. De avond was gevallen, zij stak
een groot vuur aan, opdat de zaken zouden drogen, en zij sliep in.
's Morgens vroeg, toen zij wakker werd, bezag zij de zaken of zij droog
waren. En zij zag, dat ze droog waren; zij nam haar kalebas en haar
kruik en zij ging naar de rivier; zij kwam er aan, zij waschte handen
en voeten en mond; en dan putte zij water. 't Was gedaan. De kruiken
waren vol. Zij kwam terug, kwam in 't dorp aan en wachtte een weinig.
't Weder was schoon geworden. De mannen gingen jagen; anderen gingen
naar hun werk, 't bosch afkappen. De vrouwen ook gingen naar 't hooge
gras, om aardnoten aan te aarden; anderen om visschen te vangen in
de vijvers, waar zij plassen water ledigden.
In het dorp waren slechts de kleine kinderen gebleven. Zij, de vrouw
ook, begon hare maniokbollen te stampen in den stampersblok. Zij
had gestampt, 't was gedaan. Zij ziftte het maniokmeel. Het ziften
was gedaan.
Zij nam een pot en zette hem op 't vuur. Zij nam een steen om
meloenzaden te vergruisen. Zij vergruisde de meloenzaden en zij droeg
den steen terug in de hut en legde hem langs den strooien muur. De
pot water was aan 't koken. Zij legde er maniokmeel in en zij zette
zich neer aan 't vuur.
De maniokmeel was in deeg veranderd. Zij haalde het er uit, en zij
legde het op een mandeken.
Het was kouder geworden en zij begon 't deeg te kneden.
Terwijl zij kneedde, waren er vele kinderen op het plein aan 't
spelen. Die kinderen hadden veel verstand. Onder hen, schenen er drie
boven allen uit, zij waren veel ouder.
Onder die drie, spraken er twee, alzoo: Laat ons naar 't bosch gaan,
wij gaan onze granaat-peren eten.
Een wilde niet gaan, hij bleef weigeren; maar zijne zusters bleven
volharden om hem mee te lokken. Maar hij, hij dacht: Ik zal gaan naar
die hut daar, waar men maniok voorbereidt; ik zal mijn maniokbrood
ontvangen.
Maar zijne zuster, die met hem van dezelfde moeder geboren was,
wilde niet, dat hij blijve; zij droeg hem; maar hij weigerde.
Zij antwoordde: Blijf met uwe moeder [247], gij zult eten.
En zij gingen. Toen zij in 't bosch kwamen, hij, de jongen, waar hij
gebleven was, stond op, ging daar waar hij gerucht hoorde. En hij
kwam aan de deur en ging zitten op den dorpel. Zij, de vrouw, zij had
haar potje meloenzaden op 't vuur gezet, en zij viel het deeg aan
't kneden. De maniokbrooden waren gemaakt, zij had de meloenzaden
voorbereid, en zij beval aan den jongen: Ga een blad halen, ik zal
er u eenige meloenzaden opleggen.
Terwijl hij ging, legde zij eenige meloenzaden op een blad, dat in
huis lag, deed er iets slecht bij en kwam buiten. Hij, de jongen,
gaf het blad, dat hij was gaan oprapen om er meloenzaad op te leggen;
maar zij, de vrouw, antwoordde: Werp dat blad weg, moeder. Dat blad
lag achter 't huis, 't is geen goed.
Hij wierp het blad weg, nam de meloenzaden aan en het maniokbrood,
dat zij hem te eten gaf.
Maar hij, de jongen had verstand; hij nam alles aan, nam het blad
dat hij weggeworpen had, rolde er het brood in, en hij at het niet,
hij bleef stil.
Zij, de vrouw, zegde alzoo: He, vader, toe, eet uw maniokbrood.
Hij, de jongen, antwoordde: Neen, ginder ga ik alles opeten.
Hij stond op; maar vermits hij verstandig was, bewaarde hij het
maniokbrood, en wachtte naar zijn moeder. Dan zou hij eten. Hij zette
zich neer aan de deur van de hut zijner moeder.
Zij, de vrouw, kwam uit hare hut; zij zag den jongen, die neergezeten
was aan de deur van de hut zijner moeder, en zij vroeg hem: He, vader,
hebt gij uw maniokbrood geëten?
De jongen: Ja, ik heb het geëten.
Maar, daar hij verstand had, had hij alles bewaard.
Zijne zusters kwamen uit 't bosch en kwamen met hunne granaat-peren af.
Hij, de broeder, alzoo: He, mijn oudste, geef mij eenige granaat-peren.
Maar zijne zuster antwoordde: Uwe moeder [248]! Waarvoor gij hier
gebleven zijt, hebt gij het niet geëten? Zijt gij niet verzadigd? Toen
ik u wilde meenemen, gij wildet niet. En nu zou ik u iets geven!
Maar zijne zuster had het in haar hart niet begrepen; zij gaf er hem
en zij zegde: Wacht, totdat moeder komt, dan zal ik alles vertellen.
Eindelijk kwam hunne moeder. De dochter vertelde alles, wat zij
gezien had.
De moeder, haar bloed bruischte op, zij riep haren zoon en zij
vroeg het. De jongen weigerde niet en zegde: Wees gerust, mama,
ik heb het niet opgeëten. Ziehier hetgeen zij mij gegeven heeft,
ik heb het bewaard, ik heb niets geëten.
De verstandige moeder nam het maniokbrood, ging het leggen aan den
stam van een banaanplant [249]. Misschien zou de banaanplant verdrogen
en dan had die slechte vrouw hem willen vergeven, en slecht eten geven.
De zon was ondergegaan. 't Was donker geworden.
Toen zij opstonden, ging de moeder naar den stam van de banaanplant
zien. De banaanplant was geworden, juist alsof men haar verbrand had.
De moeder ging in allerhaast naar haren man en vertelde, hoe haar
jongen gevaren was.
De echtgenoot, zijn bloed bruischte en bruischte, en zij gingen het
vertellen in hunnen familiestam.
De oude van den familiestam deed die vrouw komen, hij vroeg haar uit;
maar zij antwoordde niet.
Het gebeurde verspreidde zich in heel het dorp; maar hij, 't opperhoofd
van 't dorp, die deze vrouw gekocht had [250], geloofde het niet
en zegde: Welaan, gaat nkasa [251] halen, dat zij het ete. Indien
zij het uitbraakt, dan zult gij mij veertig duizend mitakos betalen;
maar indien zij het niet uitbraakt, dan verkoop ik haar, en ik betaal
u die veertig duizend.
Zij gingen nkasa halen. 's Morgens vroeg, gaf men haar het te eten,
en zij braakte het niet uit.
Hij, 't opperhoofd van 't dorp, had ongelijk en was beschaamd. Hij
verkocht haar, en hij betaalde die duizenden aan den familiestam van
den jongen.
Die vrouw werd verkocht om hare misdaad, dat zij menschen wilde
vergeven.
Kiduma.