NA MONI MAMBU [244]

Na Moni Mambu kwam uit zijn dorp, en hij ging tot op de markt. Hij

kocht er luku en vleesch, alzoo: Ik zal gaan langs den weg van de

vallei naar 't dorp van Ma Kiula [245].

En hij kwam tot in 't dorp van Ma Kiula. Maar op 't uiteinde van

't dorp waren er twee broeders, die van dezelfde moeder geboren

waren. Sedert hunne geboorte, wisten zij niet wat twisten was, maar

altijd lachen en lachen, en goed overeenkomen, de oudste en de jongste.

Hij, Na Moni Mambu, kwam aan hunne hut. De avond was gevallen, en

hij vroeg hun, alzoo: Gij, zijt gij van eene zelfde moeder geboren?

Zij, alzoo: Ja, wij zijn van een zelfde moeder geboren; maar wij

weten niet wat twisten is.

Na Moni Mambu riep uit, alzoo: He! Gij, gij weet niet wat twisten is!

Zij, alzoo: Wij, wij twisten nooit. Wij zijn geboren van een zelfde

moeder, zouden wij twisten?

De avond was gevallen en zij sliepen. Na Moni Mambu ging 's nachts

de hut uit, ging naar 't water en ging een bad nemen, want het was

stikkend heet.

En hij kwam terug in 't dorp, alzoo: Wie zet de fuiken in 't water?

De jongste, alzoo: Ik.

Hij, alzoo: De oudste, wat werk doet hij?

De jongste, alzoo: Mijn oudste, hij trekt palmwijn.

Na Moni Mambu, toen hij dat hoorde, nam eenen hoepel om op de

palmboomen te klimmen. Hij klom op al de palmboomen en deed er al de

palmkruiken af. En hij ging naar 't water met deze kruiken.

En hij ging ze in de plaats leggen waar de fuiken waren. De fuiken,

ging hij op de palmboomen vervangen.

Toen de zon opgestaan was, ging de jongste de vischfuiken ledigen. De

oudste ging palmwijn trekken.

De kleine kwam aan 't water en hij was aan 't spreken, alzoo: Wie heeft

de palmkruiken in 't water gelegd in de plaats van mijne vischfuiken?

De oudste ook kwam aan de palmboomen en hij was aan 't spreken, alzoo:

Wie heeft de vischfuiken gelegd aan mijne palmboomen? De palmkruiken,

hebben zij er alle afgedaan.

En zij kwamen malkander tegen, hij de oudste, en hij de jongste. En

zij twistten en twistten.

Hij, de jongste, alzoo: Gij, mijn oudste, gij hebt de palmkruiken in

't water gelegd.

Hij, de oudste, alzoo: Gij, gij hebt de vischfuiken aan mijne

palmboomen gehangen.

De jongste verweet, alzoo: Uwe moeder [246]!

De oudste ook verweet, alzoo: Gij, ook, uwe moeder!

En zij vochten en vochten.

Na Moni Mambu kwam uit de hut, en hij lachte ze uit, terwijl hij met

de hand op den mond sloeg, alzoo: Wel hoe? Ziet ge, gij weet niet

wat twisten is, ik, ik heb u bedrogen.

En hij lachte ze weer uit, en hij ging loopen. En hij kwam tot in

zijn dorp.

Kingombe.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 84 / 153 题