Een moeder had twee kinderen gebaard; hare namen waren Nkenge en
Ntumba. Zij, de moeder, had het verbod verboden, alzoo: He, mijn
dochters, indien gij ooren en oogen hebt, trouwt toch niet hier in
't dorp.
Zij luisterden wel naar de lessen van hunne moeder.
Op zekeren dag, zij, Ntumba, sprak aldus: Welaan, Nkenge, wij gaan naar
't hooge gras, om er ons stuk maniokland om te hakken.
Zij gingen, zij kwamen in 't hooge gras aan, zij kozen een schoon
stuk grond uit. Toen zagen zij een jongeling, die op haar aankwam.
Ntumba zegde, alzoo: He, Nkenge, een jongeling komt daar aan, hebt
gij hem gezien?
De jongeling kwam tot bij haar; hij vroeg water. Zij gaven het hem. De
jongeling, toen hij gedronken had, zegde, alzoo: He moeder [252],
't water is goed, gelijk Nkenge goed is.
De twee maagden, toen zij dat zagen, verwonderd en verwonderd waren
zij, alzoo: Deze bemint ons!
Dan namen zij hunnen jongeling, legden hem in een kist [253], en
alzoo kwamen zij in 't dorp terug. Zij deden den jongeling binnen in
hunne geheimkamer.
Maar de moeder zegde zoo: Ik ga naar de hut mijner dochters, alle
dagen hoor ik in hun huis veel gerucht.
De moeder ging; maar toen zij 't huis binnenging, zij vond het heele
huis vol veegsel en veegsel; zij keerde 't huis uit. Terwijl zij
keerde en keerde, ontwaarde zij de kist. En zij deed ze open, zij
zag dien jongeling, en zij vroeg hem: Gij, van waar zijt gij gekomen?
Maar hij, antwoorden kon hij niet. Hij, de schaamte had hem aangetast.
Zij, de moeder, sloeg hem, en zond hem weg, dat hij optrekke.
Terwijl zij hem wegzond, zij, de dochters waren naar 't land gegaan,
dat zij uitgekozen hadden om maniok te planten.
Nkenge, haar bloed bruischte en bruischte op en zij sprak, alzoo:
Terug naar 't dorp, mijn bloed bruischen is aan 't bruischen.
Zij, Ntumba, wilde niet redetwisten. Zij kwamen terug in 't dorp;
toen zij op den hoek van 't dorp kwamen, zagen zij van ver hun huis
openstaan.
Zij, Ntumba, alzoo: Ons huis staat open, misschien is zij, de moeder,
het aan 't keren!
En zij, Nkenge, alzoo: 't Huis heeft men losgemaakt; misschien heeft
moeder de kist ontdekt onder de biezenmat.
En zij kwamen. Zij, de moeder, had het heele huis uitgekeerd. Zij,
Nkenge, toen zij aan de deur kwam: He mijn beste zuster, ik, mijn
hart is niet gestild.
En zij ging binnen in de geheimkamer, alzoo: De kist, zij is hier niet.
Zij, Ntumba, alzoo: Welaan, 't is niets, laat ons zien.
En zij namen de mat weg, en de kist was er niet.
En zij vroegen: Wie is er in 't dorp gebleven?
Zij, de moeder, sprak van in hare hut, alzoo: Ik ben hier gebleven.
En Ntumba vroeg heel stillekens en zachtjes, alzoo: He mama, de kist
hebt gij ze weggenomen?
Zij, de moeder, zegde van neen.
Nkenge was achter de hut gegaan, terwijl zij weende en weende, sprak
zij, alzoo: He, mijn goede zuster Ntumba, de kist, zij ligt hier op
den vuilnishoop.
Terwijl zij zagen, waar men de kist geworpen had, den voetstap van
de moeder, herkenden zij.
Zij, Nkenge, alzoo: Deze voetstap, van wie is hij?
Zij, de Moeder, toen zij dat hoorde, alzoo: Ik, ik heb de kist daar
geworpen.
Zij, de kinderen, alzoo: Wat er in de kist was, waar hebt gij het
gelaten?
Maar de moeder, alzoo: Een jongeling zag ik erin. Wacht, gij,
kinderen, de slechte geesten hebben u betooverd. Wat! Ik, uw moeder,
ik heb u 't verbod verboden, en gij luistert niet. En nu brengt gij
een jongeling in huis?
De maagden, toen zij dat hoorden, verdriet en verdriet kwam er in
hun hart op, en zij spraken, alzoo: Toon ons onzen vriend, waar is
hij heengegaan?
Zij, de moeder, toonde hem niet.
Zij, de kinderen, gingen weer, waar zij de kist teruggevonden hadden,
en zij zagen een voetstap, alzoo: He, mijn beste zuster, een voet
gaat langs hier.
En Nkenge volgde hem en zij ging op weg.
Toen zij het zag, riep zij hare zuster.
Zij, de zuster, kwam af. Nkenge, alzoo: Nu, wat zullen wij doen?
Zij, alzoo: Welaan, wij volgen hem.
En zij gingen en gingen, zij kwamen op den hoek van 't dorp uit. Daar
hoorden zij hunnen vriend; aan 't weenen en weenen was hij, alzoo:
Ik, hoor je, ik ga op een andere plaats, vermits hunne moeder mij
geslagen heeft.
Zij, toen zij dat hoorden, luisterden weer. Nkenge sprak, alzoo: He,
mijn beste zuster, die stem is de stem van onzen vriend.
En zij kwamen dichter bij. Hun vriend was droevig geworden; hij stond
daar vol tranen, de tranen liepen over zijn aangezicht, alzoo: Ik,
vandaag, van waar ik gekomen ben, ga ik terug.
Zij, de vriendinnen, alzoo: Kom, wij gaan u eten koopen, dan gaat
gij heen. De moeder, die ons bezit, haar hart is vol nijd en nijd.
Zij kwamen op den weg, en zij troostten malkander.
Hij, de jongeling, alzoo: Koopt palmwijn, geeft hem aan uwe moeder,
dat zij den haat, die in haar hart ligt, neerlegge!
En zij kochten palmwijn, zij gaven hem aan hunne moeder; de moeder
brak haren eed, alzoo: Die jongeling, 't is de uwe; maar dat hij in
ons dorp bouwe!
Hij, de jongeling, alzoo: Ik zal het gaan vragen aan mijne ouden.
Zij, de maagden, zij hadden dat niet gaarne, alzoo: Misschien gaat
hij weg voor altijd en voor altijd!
Zij, de moeder, alzoo: Dat hij weg ga, 't is niets.
Zij bereidden hem kiekens en visch, alzoo: Neem het aan, en vertrek.
En hij nam het aan; maar hij sprak, alzoo: Mijn reiszak is in huis
gebleven!
Zij gingen terug en zij gaven hem zijn reiszak.
Wanneer hij aan 't einde van 't dorp kwam, alzoo: Mijn mes is ginder
gebleven in huis.
De kinderen gingen terug en zij zochten zijn mes.
Alzoo wilde de jongeling zijne vriendinnen meelokken.
Hij, hij bleef wachten op den hoek van 't dorp, en hij wachtte en
wachtte naar zijn vriendinnen, dat zij met hem meegingen.
Maar zij, de moeder, had dat in haar hart verstaan, en zij bewaakte
de deur, dat hare kinderen er niet uitkwamen.
Ntumba, de oudste zuster, alzoo: He, mama, laat ons door, wij gaan
ons hout oprapen!
De moeder ging uit den weg, en zij, de kinderen, gingen heen. Zij
gingen op weg, waar hun vriend gegaan was.
Zij, de moeder, vroeg, alzoo: Daar, gaat gij langs daar hout oprapen?
Zij, de kinderen, alzoo: Onze bussels hout hebben wij eergisteren
daar laten liggen.
Zij, de moeder, alzoo: Welaan, gaat, neemt uwe bussels op.
En zij gingen. Zij kwamen op den hoek van 't dorp aan, en de jongeling
wachtte ze af, en hij sprak, alzoo: Ik, ik wacht en ik wacht u af. En
nu vooruit!
En zij gingen, zij gingen, zij gingen.
De avond viel; zij spraken, alzoo: Wij slapen op den weg. Zij raapten
hout op, zij staken vuur aan, en zij sliepen.
De moeder, waar zij gebleven was, werd droevig en droevig, omdat
haar kinderen zoo lang wegbleven, alzoo: Mijn kinderen, waar zijn
zij gegaan?
Hij, de echtgenoot, alzoo: Zij hebben u verwittigd, dat zij gingen
hout rapen. Ik heb een lied gehoord. Men zong en zong.
Zij, de moeder, alzoo: 't Zijn de palmwijntrekkers, die aan 't
zingen zijn. Maar onze kinderen, zij zullen opgetrokken zijn met
hunnen jongeling.
De avond was gevallen, en de kinderen kwamen niet terug.
De moeder had luku gestampt en zij zegde tot haar man: Ga onze
kinderen volgen. Ons hebben zij bedrogen, toen zij zegden, dat zij
gingen hout rapen.
De man sprak, alzoo: Ik, den weg, ik ken hem niet.
Hij nam luku, vatte zijn geweer en hij ging. Maar de weg was lang en
lang en lang. En hij kwam terug.
Zij, de vrouw, werd kwaad en bekeef hem, alzoo: Wel, gij, gij zijt
reeds terug, en gij zoekt onze kinderen niet!
Hij, aldus: Deze kinderen hebben wij gebaard. Maar wij kunnen er nog
andere baren.
Zij, de moeder, zegde met eed, alzoo: Ik, ik baar geen kinderen meer;
die ik eerst gebaard heb, zij zijn heengegaan en voor altijd en voor
altijd. Mijne kinderen zijn verloren!
Hij, de man, sprak, alzoo: Breek uwen eed.
Maar zij, zij wilde niet. De vrouw, de ziekte tastte haar aan. En
zij stierf. Hij, de man, begroef haar, en hij zegde, alzoo: Ziet ge,
de stam, dien de ouden mij gelaten hebben, is vandaag uitgestorven. Ik
ben aan 't dwalen en dwalen!
Heel het dorp lachte hem uit, alzoo: Als men te haastig eet, verbrandt
men zijnen mond [254]. Waarom zijt gij zoo rap getrouwd?
Hij ook, hij stierf van verdriet. En zoo was de heele stam
uitgestorven.
Ntadi.