DE HAK EN DE PARELS

In een dorp waren er vier familiestammen. In een familiestam stierf

er een mensch. Men ging een oude hak leenen aan een vrouw van een

anderen stam, om het graf voor 't lijk te graven. Zij groeven het graf;

de put was gemaakt.

Maar men liet die oude hak in den put bij vergissing. En zij kwamen

't dorp in, om 't lijk te halen.

Maar de moeder, die haar gestorven kind bezat, had niet gaarne dat

men het seffens begroef, omdat er veel droefheid in haar hart was;

zij wilde dat men het tegen den avond begroef.

Maar 't opperhoofd van den stam zegde zoo: Laat zoo, dat men het lijk

nu begrave. Al weent en weent gij, kunt gij het kind doen verrijzen?

De moeder luisterde naar 't opperhoofd, en zij liet het kind seffens

begraven. Men nam het lijk, en men ging het begraven. Maar die hak

bleef beneden in den put bij vergissing en men begroef het lijk,

en men kwam terug in 't dorp.

Die vrouw, die hare hak geleend had, vroeg ze en zegde: Geeft mij

mijne hak terug! Gij hebt immers 't lijk begraven.

Men antwoordde haar: Wacht, wij nemen uwe hak, zij is misschien in

huis gebleven.

Zij gingen in huis zien, maar zij was er niet. Zij gingen zoeken op

't graf van 't lijk, zij zagen haar niet. Zij kwamen in 't dorp terug,

en zij zegden aan de vrouw, alzoo: Uwe hak, zij is misschien in den

put begraven! Wij hebben haar niet gezien. Ziehier, een nieuwe.

Maar zij, zij wilde niet: Neen, neen, ga mijne hak opgraven, zij is

in den put gebleven, wel ga uw lijk opgraven.

De moeder, die haar gestorven kind bezat, toen zij dat hoorde, had

veel droefheid, omdat die vrouw beval het lijk weer op te graven,

om hare hak, die van onder gebleven was, er uit te halen. Zij, de

moeder, zij nam drie splinternieuwe hakken, en ging ze betalen.

Maar de vrouw, zij wilde dat niet en zegde: Gaat mijne hak weer

opgraven en die alleen.

En men zegde: 't Is wel!

En men ging die hak opgraven met veel droefheid en tranen [242].

Zij gaven hare hak terug. Zij nam ze aan.

Eenigen tijd daarna sloten zij weer vriendschap te zamen, zij verbleven

in 't dorp. En de tijd om te eten verdween, en de tijd om te slapen

verdween.

Op zekeren dag had die vrouw, die hare hak uit den put doen halen had,

een kind gebaard, 't was een meisje.

En zij, de moeder, die aan haar kind gestorven was, had nog een

jongen. Zij had hem parels gegeven: een heel halssnoer.

Die twee kinderen waren in de warmte van 't dorp gezeten, terwijl de

moeders naar 't hooge gras gingen.

Het kind van de vrouw, die hare hak bezat, nam het paarlen

halssnoer. Het halssnoer ging los. Het kind nam een parel, legde ze

in den mond; zij werd ingeslikt en verdween in den buik.

In den namiddag, toen de wind opgekomen was, kwamen de moeders naar

't dorp terug. De jongen vertelde aan zijn moeder, alzoo: He, mama,

het parelsnoer is losgeraakt; maar 't kind van de die daar heeft een

parel ingeslikt.

De moeder vroeg, alzoo: Het kind van wie, vader?

De jongen zegde, alzoo: Het kind van de moeder, die u de hak heeft

doen teruggeven.

De moeder werd barsch en stuur, en zij zegde: Zij gaat het nu bekoopen,

wacht, ik ga, dat zij het kind doode! Ik neem mijn parel.

En zij ging, en zij kwam aan 't uiteinde van 't dorp aan, en zij begon

vol gramschap te spreken, alzoo: Breng uw kind hier. De mannen dooden

het en hakken het in stukken. Dat zij mijn parel er uit nemen! Uw

kind heeft ze ingeslikt.

En die moeder werd droevig en droevig, en zij zegde: He, zuster,

doe dat niet. Dat meisje, aan wien gij uw naam gegeven hebt, zoudt

gij het dooden?

Maar zij, aldus: Ik, de hak, ben ik ze niet gaan opgraven. Gij

weet het. Hebt gij het zoo gelaten, hebt gij een splinternieuwe hak

aangenomen, die ik u wilde betalen? Ik ook vandaag, dood uw kind,

ik neem mijn parel en ik ga weg.

Zij, de moeder, wilde niet en zij zegde, alzoo: Laat ons de ouden

vereenigen, dat zij de zaak regelen.

Zij vereenigden de ouden, en men regelde de zaak.

Eerst sprak die vrouw, die gestorven was aan haar kind, alzoo:

Luistert, gij ouden. Ik, toen ik gestorven was aan mijn kind, toen

ik haar een oude hak ging leenen, bleef de hak bij vergissing in den

put. Toen kwam ik en ik wilde eene nieuwe hak betalen; maar de nieuwe

hak, zij wilde ze niet, en zij zegde, alzoo: Ga het lijk opgraven, ik

neem mijn hak. Ik zegde vol droefheid in 't hart, alzoo: 't Is wel, en

die oude hak ben ik gaan opgraven. Die wraak heeft zij op mij gewroken.

En nu vandaag haar kind heeft mijn parel ingeslikt. Dat kind, zeg ik,

dat zij het doode, dat zij het in stukken hakke, ik neem mijn parel.

Wel, gij ouden, op deze plaats waar gij vereenigd zijt, wie geeft

gij ongelijk, en wie geeft gij gelijk?

De ouden gaven het woord aan die andere vrouw. Maar zij zat daar

droevig en droevig, en zij wist niets te zeggen.

De ouden zegden, alzoo: Welaan gaat uw kind halen, dat men het doode!

En zij ging haar kind halen, vol droefheid en droefheid. Zij gaf het

aan de ouden; men doodde het en men sneed het open. De andere vrouw

nam haar parel en zij trok op.

De moeder, wier kind men gedood had, ging haar kinderlijkje begraven,

met tranen en tranen.

Hare zusters zegden haar: Ziet ge wel, zuster, die de wraak voorafgaat,

hij niet; maar die de wraak volgt, 't is hij, die redetwist [243]. Ziet

ge wel, uw kind, waaraan zij haren naam gegeven had, heeft zij in

stukken doen hakken.

Nu neem er een andere, waar zult gij het halen?

En de menschen van 't dorp joegen haar weg, omdat zij haar schoon

kind had laten vermoorden.

Kianika.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 82 / 153 题