In 't dorp waren er veel jongens. Maar twee jongens beminden malkander:
een oude en een jongere.
Laat ons gaan, wij gaan wandelen in 't hooge gras, zoo zegden zij.
Zij gingen, zij wandelden. Zij vonden niets. Maar de oude had een
sprinkhaan gevangen. De jongste had niets gevangen. Zij klommen
naar 't dorp op. De kleine ging een luku [240] halen in 't huis van
zijn moeder.
De oudste ook met zijn luku. De oudste had den sprinkhaan gebraden. De
jongste vroeg hem: He, Yaya [241], geef mij een stuk sprinkhaan,
opdat ik mijn luku ete.
Maar de oudste antwoordde: Ik wil niet, ik geef niets. Gij, waarom
hebt gij geen sprinkhaan gevangen?
De oudste at, 't was gedaan. De jongste droeg den luku terug in
't huis zijner moeder. Hij zweeg.
Maar de zon was achter de bergen verdwenen; zij sliepen; de zon was
opgestaan, en was vol vreugde.
Zij gingen weer wandelen. Toen zij in 't hooge gras binnengingen, zag
de kleine een gazelle, die gestorven was. Hij nam haar op, riep den
oudste alzoo: He, mijn vriend, ik heb mijn gazelle gepakt, zij is dood.
Hij, de oudste, kwam af, toen hij zegde: He, vriendlief, ons vleesch.
Hij, de kleine, antwoordde: He, Yaya, onze sprinkhaan.
Dan droeg de kleine zijn vleesch, hij alleen. En de oudste begon te
smeeken: He, mijn kleine vriend, geef mij, was 't maar een stuksken.
Maar de kleine wilde niet: Ik wil niet. Waarom hebt gij uw gazelle
ook niet gepakt?
Zij gingen de zaak regelen bij de ouden van 't dorp.
Den kleine gaf men gelijk; hij at zijn vleesch op, hij alleen.
De oudste werd berispt en uitgelachen.
Kongo.