Een jongeling ging om zijn verloofde te bezoeken. Toen hij in zijn
verwantschap aankwam, slachtte men hem kiekens. En zij aten.
Den volgenden dag waren er geen kiekens meer. De vrouwen stampten
boonen in den stampersblok. Zij legden ze op een schotel. Toen zij
hem de schotel droegen hij, de jongeling, hij wilde niet, alzoo: Wij,
in onze streek, wij eten dat nooit.
Hij sprak alzoo, opdat zij hem kiekens zouden slachten. Maar de vrouwen
droegen de boonen weg, namen hunne korven en mandekens en gingen
naar 't hooge gras. Hij, hij bleef zitten in de warmte van 't dorp,
hij wist niet waar henen, 't was een dorp van vreemdelingen. Wat
hij zoude eten, niets. Hij begon honger te krijgen, en hij begon
zich te berouwen, alzoo: Wo! E ngwa mono tata [239]! Ai! He, moeder,
ik vader, de schaamte eet mij op. Toen zij mij boonen gaven, ik, ik
eet geene boonen. Waarlijk, de jonkheid heeft mij bedrogen. Wacht,
ik ga ten minste den stampersblok uitlekken.
En hij ging, hij stak zijn kop in de opening van den blok; hij lekte
en lekte.
Toen hoorde hij iemand, die aankwam en die sprak. Hij wilde er den
kop uittrekken; maar de kop, hij kwam er niet uit, hij lag er in vast.
Hij, alzoo: Zie, ik ben er in vastgehecht.
Hij droeg den stampersblok en ging er mee tot op den vuilnishoop,
achter de hut; en hij ging daar liggen onder het drooge gras.
De menschen, toen zij terugkwamen in 't dorp, toen zij rondzagen naar
hunnen schoonzoon, hij was er niet.
Zij spraken, alzoo: Wel, onze vader schoonzoon, waar hij gegaan is,
waar is 't? Aan 't wandelen is hij misschien.
Toen zij 't huis hadden uitgekeerd, riepen zij een kleine, alzoo:
Neem aan, ga dit veegsel op den vuilnishoop werpen.
De kleine, toen hij ging naar den vuilnishoop, zag den
stampersblok. Een mensch lag er in vastgehecht. De kleine begon te
roepen, terwijl hij op den mond met de handen sloeg: He, la, la, la,
la! He, ouden, komt rap! Wie is er in den stampersblok gestorven?
De ouden kwamen toegeloopen, en zij zagen den jongeling. Zij beproefden
hem er uit te trekken. Maar om er uit te komen, hij kwam er niet
uit. Dan leidden zij hem met den stampersblok tot in 't midden van
het plein, en zij sloegen den blok in stukken.
De jongeling, toen hij er uitkwam, deed zijne oogen wijd open; hij
keek naar omhoog vol schaamte.
Toen de avond gevallen was, haastte hij zich weg en trok op. En hij
sprak, alzoo: Mijne vrouw is hier, ik zoek mijne vrouw niet meer. Hoe
zou ik nog hier komen? En hij trok op voor altijd, vol schaamte.
Indien een jongeling naar 't dorp van zijn verloofde gaat, als men
hem iets te eten geeft, en hij, als hij zegt: Ik, ik eet dat niet,
dan vertelt men het spreekwoord: Eet maar, jongen, anders blijft uw
kop in den stampersblok.
Kianika.