Een man, die van de melaatschheid getroffen was, kwam uit het bosch met
zijne honden. Hij was gaan jagen. De groote hitte had hem aangetast.
Wel, ik zal aan 't land aankomen, waar de vrouwen bezig zijn met
aardnoten uit te doen. Indien zij mij geen aardnoten geven, ten minste
zal ik toch water vragen en zij zullen mij dat niet weigeren.
En hij, de melaatsche, hij kwam aan 't eerste stuk land, en hij
vroeg aan een vrouw: Och, mama, vrouw, geef mij water, och, moeder,
ik sterf van den dorst.
Maar zij, de vrouw, sprak, alzoo: I, gij, den dien, aan u zou ik
mijn water geven. Neen, neen, neen! Geen water ik. A! Ik zou u mijn
water geven. A! Gij zoudt uit mijne kruik willen drinken, gij moest
uit uwe handen drinken.
En hij vervolgde: Och, moeder, gij geeft mij geen water, giet mij
dan een beetje, ware 't slechts in een blad.
Maar de vrouw bleef versteend: Ik heb geen water voor u.
Een andere vrouw, die op een anderen hoek van 't land aan 't werken
was, toen zij dit hoorde, riep den melaatsche: Wel, drink uit mijne
kruik, beste man!
En hij kwam af.
Wel, drink uit mijne kruik!
Maar hij zegde: Neen, neen, ik wil niet, moeder, giet een beetje in
mijne handen en alzoo zal ik drinken.
Maar de vrouw: Drink uit mijne kruik, vader.
Toen hij gedronken had, zegde de vrouw, alzoo: Zoo ik zie, uwe honden
hebben de keel ook droog, want zij blazen hard, geef ze ook te drinken.
De man, toen hij gedronken had, haalde adem in: 't Is goed, mama,
beste vrouw, zegde hij, ik bedank u hartelijk, mama.
Dan gaf zij hem nog een klein mandeken met aardnoten.
De man trok dan een heel stuk vleesch uit zijn weitasch en hij gaf
het haar.
Maar toen zij het vleesch aangenomen had, werd zij met schrik bevangen.
De melaatsche sprak dan: Vrees niet, moeder; toe, eet uw vleesch maar
gerust in uw dorp. De melaatschheid kan u daarom niet aantasten. Maar
die vrouw daar, die mij water geweigerd heeft, zeg mij eens den naam
van hare familie!
En de vrouw zegde den naam: Ba Kinti ndumbu nkasa mayala [234]!
Wel, zegde de melaatsche, terwijl hij zijn hoofd wreef [235]:
A! Zie, Ba Kinti ndumbu nkasa mayala, vermits zij mij water geweigerd
hebben, indien zij kinderen voortbrengen of indien de kinderen zich
vermenigvuldigen in hunne familie, zoo zij vleesch eten van een
dier, dat eene gespikkelde huid heeft, dat zij naar hunne linker-
en rechterzijde zien, en de melaatschheid zal ze aantasten, en hunne
kinderen en hunne klein-kinderen, ik verwensch ze allen met mijne
betooveringen.
Zoo sprak hij en hij verdween.
Waar hij ze gelaten had, ging de tijd door. De ouden van 't dorp
hadden een reebok [236] in hun dorp geschoten. Toen zij dit hadden
in stukken gehakt, verdeelden zij het vleesch. De vrouw, die water
geweigerd had, kreeg ook haar deel. Zij maakte het gereed en zij at
het. Toen men geslapen had, 's morgens vroeg, toen zij wakker werd,
bezag zij haar lichaam vol wonden en plekken van de melaatschheid;
over heel haar lichaam een enkele wonde.
Hare man sprak dus: He! Wat is dat, wat hebt gij gekregen!
Ik weet niet, zegde de vrouw, van waar dit komt, al die wonden en
plekken. Dezen nacht heb ik dit opgevat.
En de man: Dit, dit weet ik hoegenaamd niet. Mijne vrouw is gisteren
naar 't veld geweest, en toen zij terugkwam in mijne hut, was zij
heel net en schoon. En nu, dezen nacht, gedurende onzen slaap, heel
haar lichaam is vol plekken van de melaatschheid. Wacht een beetje,
ik wil het weten, ik ga bij den toovenaar, om te weten wat het is.
Terwijl hij dit zegde, had zijn andere vrouw, die in een ander huis
woonde, alles afgeluisterd, en zij sprak, aldus: Kom, ik zal u alles
vertellen.
De man kwam af. En de vrouw zegde hem: Gij, mijn man, gij zegt:
Ik ga den toovenaar raadplegen. Maar heel de zaak is klaar.
En de man: Ach, spreek, vrouw. Gij zijt gaan werken in 't veld met
haar. Wat hebt gij gezien?
De vrouw sprak dus: Over eenigen tijd gingen wij naar 't veld om de
aardnoten uit te doen. Toen wij aan 't water kwamen, eenieder vulde
zijne kruik: ik de mijne en zij de hare. De kinderen ook vulden hunne
kruiken. Toen wij in 't veld kwamen, deden wij aardnoten uit. Terwijl
wij bezig waren, rond den noen, zie, daar kwam een man met zijn
geweer af en met zijn honden. Toen hij aan den hoek van 't land kwam,
waar uwe vrouw werkte, vroeg hij haar te drinken: Och, gij, mama,
goede vrouw, kom, geef mij een beetje water, mama, opdat ik drinke.
Maar die vrouw, ziet ge, antwoordde hem aldus: Gij, zoo een walgelijke,
met uw heel lijf vol plekken, ik zou u mijn water geven! Ik heb geen
water voor u.
En hij, de man, hij was aan 't vragen en smeeken: Och, kom, doe dan
een weinig water in een blad!
En zij, daarop: Loop weg van hier. Hebben de Ba Kinti ndumbu nkasa
mayala u naar hier gezonden?
Toen ik dit hoorde, heb ik den armen sukkelaar geroepen: Och, vader,
beste man, kom, drink hier van mijn water.
Toen hij kwam, zegde hij: Schenk in mijne handen en alzoo zal ik
drinken.
Maar ik had dat niet gaarne, ik. Drink uit mijne kruik, vader. Ik
walg niet daarvan.
Toen hij gedronken had, laafde hij ook zijne honden. Daarop gaf ik
hem nog een korfje met aardnoten. En hij, hij trok een schoon stuk
vleesch uit zijn weitasch en hij gaf het mij, toen hij zegde, alzoo:
Neem aan, eet het maar, vrees niet, de melaatschheid kunt gij niet
opdoen. Maar de vrouw, die mij water geweigerd heeft, zeg mij eens
de naam van hare familie, welke is hij?
En ik, toen ik hem den naam gezegd had: Ba Kinti ndumbu nkasa
mayala! Hij, terwijl hij zijnen kop wreef, hij betooverde de
familie met zijne verwenschingen: Zie, Ba Kinti ndumbu nkasa mayala,
vermits zij mij water geweigerd hebben, in hunne familie als zij
kinderen voortbrengen ofwel indien de kinderen zich vermenigvuldigen,
gespikkelde beesten, als zij daarvan eten, dan zitten zij met de
melaatschheid, dat zij dan naar hunne zijde kijken, en hunne kinderen,
als zij groot geworden zijn, en de kleinkinderen van hunne kinderen
enz. enz.
Toen hij dat gezegd had, trok hij op.
Wij ook, toen wij de aardnoten vergaderd hadden, toen onze mandekens
gevuld waren, trokken wij terug naar 't dorp. Toen wij in 't dorp
kwamen, 's avonds, hoort ge, ik wilde u alles vertellen, maar ik was
het vergeten.
A! Ziet ge wel, dien reebok, dien men geschoten heeft en dien men
verdeeld heeft, heeft zij daarvan niet geëten?
De man antwoordde: Zij ook heeft er van geëten. Toen zij ervan geëten
had, gingen wij slapen. En 's morgens vroeg, toen zij wakker werd,
bezag zij haar lichaam vol plekken van de melaatschheid.
En de vrouw zegde daarop: Indien de melaatsche haar betooverd heeft
met zijne verwenschingen, waarom dan wilt gij uw geld voor niet aan
den toovenaar geven? De zaak is geheel en al klaar. Hoe zoudt gij
het anders aanleggen?
De man liet dus alles zoo maar.
Die vrouw, die water geweigerd had, was alle dagen ziek, de
melaatschheid lag over geheel haar lichaam en hare kinderen en in
hare gansche familie. Als men het ongeluk had van eene gespikkelde
beest te eten, had men voorzeker de melaatschheid.
Deze wreede ziekte van den melaatsche bleef zich vasthechten in deze
familie, ter oorzake van die vrouw, die water geweigerd had aan dien
melaatsche [237].
Kianika.