De ouden zegden, alzoo: Gij kinderen, die vreugde, waarmede gij
opgebracht en verzorgd zijt, later zult gij ze zien. Zij komen, de
menschen, die wit zijn; zij zijn als ons maniokmeel zoo wit. Dien dag,
als zij afkomen, wij, de ouden zijn uitgestorven en doodgegaan. Gij
blijft achter en gij zult dat zien.
Zij, de kinderen, alzoo: En die menschen van waar komen zij?
Zij, de ouden, alzoo: He, wij weten het niet, hoort ge!
Andere ouden zegden, alzoo: Hoort ge, van Europa komen zij.
Zij, de kinderen, alzoo: Wel, dat Europa, waar is 't? De plaats,
waar is 't?
De ouden toonden met hunnen vinger, alzoo: De plaats daar achter de
bergen, waar de zon ondergaat [231].
Zij, de kinderen, alzoo: En als zij hier komen, wat komen zij hier
doen?
De ouden, alzoo: Dit land, het onze, komen zij dooden.
Onze ouden zijn doodgegaan. Zij, de blanken, hebben ons land
ingenomen. Wat onze ouden vertelden, wij hebben het gezien. Wij, de
kinderen, wij zijn gebleven, wij zijn gevallen in plagen van allen
aard. De blanken, hebben wij ze niet gezien? Zoo hebben onze ouden
geen leugen verteld, zij hebben de waarheid gezegd.
Kianika.