De neef van Na Nsesa had vischfuiken vervaardigd, en hij was ze gaan
leggen in 't water.
'S morgens, toen hij wakker werd, zegde hij, alzoo: Ik zal gaan;
ik ga mijne vischfuiken ledigen.
Hij trok naar de rivier, en hij kwam aan den eersten fuik aan. Hij
was vol ngola [232]. Hij trok dezen uit 't water en daar werd hem iets
geworpen. Hij ging loopen tot in het dorp, en hij zegde tot zijn oom,
Na [233] Nsesa, alzoo: Ziehier, gisteren had ik mijne vischfuiken in
't water gelegd, en vandaag, dezen morgend, ging ik ze ledigen. Ik
kwam aan den eersten fuik, ik beproefde om dezen er uit te trekken,
hij was vol ngola. Terwijl ik den fuik uit het water trok, werd er
mij iets geworpen; maar ga met mij, gij, mijn oude, misschien is er
een wild dier.
Hij, de oom, hij nam zijn geweer, alzoo: Wel, 't is goed, vooruit!
En zij gingen, en zij kwamen aan de fuiken, en de neef toonde, alzoo:
Hier heeft men mij iets geworpen; maar laat ons rivierafwaarts gaan.
Zij gingen en zij ledigden de fuiken. De fuiken waren vol visschen,
de fuiken waren te klein. Zij kwamen aan den laatsten fuik, die veel
grooter was. Hij was vol visschen. Toen zij dezen wilden uit het
water trekken, werd er weer iets geworpen. Zij namen de fuiken op,
en gingen loopen tot in hun dorp.
Zij zaten neer, zij legden de visschen bijeen; ngola waren er in
overvloed.
De neef sprak, alzoo: Wel, Na Nsesa, neem ngola en bereid ze.
Maar hij zegde zoo: Bereid gij ze!
En de neef had de ngola voorbereid. Hij nam den pot van 't vuur en
sprak: He, beste oom, de ngola zijn gereed. Kom, wij gaan eten.
Na Nsesa kwam af, en zij begonnen te eten.
Toen zij aten, viel Na Nsesa op den grond; hij had stuiptrekkingen
in den buik en in 't hoofd.
De ouden, die dat zagen, zegden: Gaat naar den toovenaar, misschien
lagen er toovermiddelen in 't water. Ziet naar toovenaars uit, om
hem te heelen.
Een toovenaar kwam, en heelde hem, en hij sprak: Doet nog eenen komen.
Wanneer zij hem deden komen, was Na Nsesa een lijk.
De menschen waren verwonderd en zij zegden: Die zaak, van waar komt
zij? Zag men zoo iets, toen onze ouden leefden. Hoe! Ngola waren er
in overvloed.
Eenigen tijd daarna, was de neef ook ziek.
De ouden waren verwonderd en zij zegden: Zeker, dit alles is van
Europa gekomen.
Andere ouden zegden, alzoo: Zekerlijk is het dit, dat onze dorpen doet
uitsterven. Wel, hebben wij de blanken niet gezien? Wij zien ze nog.
Kibangu.