Eene vrouw had hare kinderen gebaard; zij was een stuk land aan 't
hakken, om hare aardnoten te planten. De aardnoten werden geplant;
zij groeiden en bloeiden en werden rijp. Zij ging met hare kinderen
om de aardnoten in te oogsten. Men droeg vuur mede naar 't veld, om
hare kinderen. Met veel vreugde droeg men 't vuur, omdat zij alzoo
aardnoten konden branden.
De moeder, die rookte, riep hare kinderen: He, kinderen, 't vuur,
doet het niet uit, gij weet wel dat ik een tabakrooker ben.
Maar de moeder mocht spreken; 't was vergeefsch; het vuur hadden
zij uitgedoofd.
De moeder zegde: Wel, ga er mij naar 't dorp halen.
Zij, alzoo: I! Wie zal er u gaan halen?
Zij, de moeder, alzoo: 't Is wel, mijne kinderen!
Maar zij antwoordden, alzoo: Wij, wij willen niet.
En te zamen deden zij aardnoten uit. De zon begon te dalen na den noen.
Zij, de vrouw, alzoo: Ik ga water drinken aan de rivier.
En toen zij aangekomen was aan de rivier, boog zij zich voorover om
water te drinken, en zij zag rivierafwaarts een man, die aankwam,
en die aan 't rooken was.
Zij, de vrouw, alzoo: He, vader beste man, geef mij een beetje vuur.
Hij, hij antwoordde niet.
Zij vroeg opnieuw. Maar hij ging maar door en door.
De vrouw begon te smeeken: He, gij, vader beste man, blijf daar staan,
geef mij een beetje vuur.
De vrouw ging hem achtervolgen, en aan 't vragen en vragen. Maar, hij,
hij antwoordde niet. Hij, de man, aan 't gaan was hij in 't water,
en 't water ruischte, alzoo: Swa baka, swa baka [207].
De vrouw vroeg weer, alzoo: Wel, vader beste man, geef vuur.
En de man antwoordde, alzoo: He, gij, die vrouw! Ik ben gekomen van
daar waar Bemba Yiwina [208] wandelde, die mij zegde, alzoo: Ik geef
u vuur! Gij, vrouw, hebt gij mij afgewacht?
Zij, de vrouw, alzoo: Geef mij vuur, beste man.
Hij wilde niet geven.
En zij gingen en gingen in de rivier, in 't midden der rivier,
rivieropwaarts. En zij kwamen aan de monding eener kleine rivier. Hij,
de geest, droeg de vrouw, alzoo: Vooruit, langs dien weg, ga vuur
halen, vermits gij vuur wilt hebben.
En zij gingen tot in 't dorp van den geest, en zij waren
aangekomen. Hij deed de vrouw in zijn huis binnengaan. En zij werd
zijne echtgenoote.
Daar waar de kinderen gebleven waren, zij weenden en weenden, en
zegden: Ka [209]!
Zij gingen met tranen aan de ouden in 't dorp vertellen, dat hunne
moeder verloren was.
De ouden zochten een tooverbeeld, zij gingen de makodia ma malanda
[210] halen.
Zij zegden aan de kinderen, alzoo: Toont ons 't land uwer aardnoten.
En de beide kinderen, gingen met hen; zij gingen de plaats toonen waar
hunne moeder stond. En zij kwamen en zegden, alzoo: Langs dien weg van
't water is zij gegaan!
En men legde de makodia neer; de toovenaar begon te vertellen, en
hij hief een lied aan. En de makodia trokken rivieropwaarts. En de
mannen volgden, en zij waren aan 't zingen en zingen 't lied van
den toovenaar.
En de tooverbeelden gingen en gingen, tot aan de monding dier kleinere
rivier, en zij volgden en volgden die kleine rivier.
De geest, toen hij den zang hoorde, die naderbij kwam, ging zich
verbergen onder zijn bed. Maar de makodia kwamen en kwamen; zij
kwamen 't huis binnen. Hij, de geest, lag verborgen onder zijn bed,
de makodia vonden hem; hij aan 't beven en beven, terwijl hij groette
bij handgeklap.
De mannen zagen hem, en zij, zij vatten hem; hij, zij doodden hem.
En zij, zij zegden dit spreekwoord: 't Is wel! Gij, vermits gij ons
kind gedood hebt, en haar hebt opgeëten, ten minste gij ook, gij zijt
dood. Kibaka uele ye nludi ani [211]! De muur is gegaan met zijn dak.
Mbengo.