In 't dorp was er een mensch ziek. Toen zij de toovenaars deden komen,
zij heelden en heelden; hij kon niet genezen.
Op zekeren dag, gingen zij tot bij een toovenaar, die zijn
tooverbeelden deed dansen. Hij kwam af tot dicht bij het dorp; maar
toen hij dicht bij was, daar begon hij een lied te zingen.
De familie van den zieke brachten den toovenaar een mandeken aardnoten
en een bananenrist. Daarna kwam hij het dorp binnen; hij beval aan de
familie van den zieke, dat zij gingen om hout op te rapen. Des avonds
immers zou hij den zieke heelen, terwijl een vuur, heel sterk en sterk,
laaien moest.
En zij gingen, zij raapten hout op; daar was hout in overvloed. De
zon was ondergegaan en de avond was gevallen.
Hij, de toovenaar, ging naar de hut, waar de zieke lag. Aan de deur
maakte hij vuur, en hij beval den zieke buiten te dragen.
Toen zij den zieke hadden buiten gehaald, stak hij weer een groot
vuur aan. Dan zegde hij aan de bewoners van 't dorp: Wie wil mijn
tooverbeelden vastnemen? Hoort ge, zij dansen niet.
Zij, de bewoners van 't dorp, waren in redetwist, alzoo: De vrouwen
eerst dat zij beproeven, dat zij de tooverbeelden vatten. Indien wij
zien dat zij dansen, dan zullen wij, de mannen, beproeven.
Daar kwamen twee vrouwen zich aanbieden: een oude nam een groot
tooverbeeld aan; een andere, een jongere, nam een klein tooverbeeld
aan. Hij, de toovenaar, begon de trommel te spelen, en een lied te
zingen, en spreken hij sprak met zijn tooverbeelden.
Zij, de vrouwen, toen zij de trommel en 't lied hoorden, begonnen te
dansen. En zij dansten en dansten en dansten. En hij aan 't trommelen
en trommelen; aan 't zingen en zingen.
De toovenaar sprak dus, alzoo: Ziet ge wel, mijn tooverbeelden,
zij dansen niet. Wel, gij ziet, zij zijn aan 't dansen.
Maar zij, de mannen, zij redetwistten en zij zegden: Zij dansen niet,
uw tooverbeelden.
En hij, de toovenaar, zegde, alzoo: Gij zelf, mannen, vat mijn
tooverbeelden, of zij niet dansen.
Twee mannen kwamen vooruit, die 't meest redetwistten. Zij namen
de tooverbeelden aan. Hij, de toovenaar, nam weer zijn trommel, en
hief een zang aan. En de tooverbeelden, zij verroerden zich niet,
en zij de mannen, zij verroerden zich niet.
Men begon met hem den spot te drijven, alzoo: Gij, gij zoudt ons geld
voor niet willen hebben.
Hij zegde, alzoo: Mijn tooverbeelden, gij mannen, gij zijt er mee aan
't spotten, geeft ze terug aan de vrouwen, hoort ge, zij dansen niet.
Zij gaven de tooverbeelden terug aan de vrouwen. Hij begon weer te
trommelen en 't lied te zingen. En zij dansten en dansten.
Hij sprak, alzoo: Ziet ge, mijn tooverbeelden, zij dansen niet.
Zij, de mannen waren weer aan 't weigeren en redetwisten, alzoo:
Zij dansen niet.
Maar de ouden bekeven ze, en zegden, alzoo: Laat hem den zieke heelen!
En hij heelde, en hij zegde, alzoo: Wel, ga naar den toovenaar:
nkwa kintuku [212] uitzien, dat hij kome heelen. En dan is uw jongen
genezen.
Hij regelde den prijs van zijn tooverskunst, drie franken. Zij
betaalden het, en hij ging.
Zij ook, zij gingen naar den aangeduiden toovenaar zien, en hij kwam
af om te heelen. Maar de zieke, hij genas niet. En hij stierf.
En men zegde, alzoo: Wie met den toovenaar spot, zal het betalen!
Kingombe.