Een jongeling redetwistte met zijn ouderen broer, alzoo: Gij, mijn
oudste, den boa-ndongo [204], waarvan men spreekt, ik, ik ken hem niet;
ik weet niet hoe hij is.
A! Den boa vraagt gij, dat slecht ding. Indien gij hem tegenkwaamt,
zou hij u niet vatten?
Hij, aldus: Wat men noemt, hoort ge, zonder voeten, zonder tanden;
om mij te vatten, waarmee?
Gij ook, gij kunt te veel redetwisten. Dien dag, dat deze redetwist
zal uitvallen, hebt gij een graf voor u gegraven.
Hij, alzoo: Wo! Die boa, geiten kan hij vatten; zij hebben geen
armen. Maar ik, een mensch, hoe kan hij mij vatten?
Hij, de oudere broer, alzoo: Gij, indien gij hem moest tegenkomen,
zoudt gij niet vluchten?
En de jongeling, alzoo: Of ik hem zou vluchten? Moest hij op mij
afkomen, ik ging niet vluchten.
En indien hij u vastgreep?
O, dan, ik en hem, wij zouden vechten.
Hij, de oudere broer, alzoo: Gij kunt niet, kind. Zeg dat niet.
Ik, ik houd dat staande.
Toen zij geredetwist hadden, lieten zij alles stil. Zij spraken daar
niet meer over.
Op zekeren dag was de zon schoon opgekomen. 't Was schoon weder. Hij,
de jongeling, hij nam zijn kapmes en zijn geweer, en ging naar 't
hooge gras.
Toen koos hij een plaats uit, waar de vogels zouden komen vallen;
hij maakte ze schoon. Daarna ging hij staken kappen in 't bosch en
slingerplanten en palmtakken; hij sneed eenige bussels nsoni [205]
af, en maakte een kleine hut.
Hij kwam terug naar 't dorp; hij vervaardigde rietpijlen. Daarna nam
hij een aardpotje, klom op een wilden vijgeboom; trok er vogellijm
uit om vogelen te vangen. De vogellijm was gereed.
Toen nam hij zijn kapmes. De avond was gevallen. Hij verwittigde zijne
broeders, alzoo: Gij moet mij niet zoeken, ik ga vogels vangen. De
vogels ga ik afwachten.
En hij vertrok. Toen hij ging, brak hij onderwegen witte mierennesten
los; legde de mierennesten in eenen korf en hij ging. Hij ging tot aan
de plaats, die hij had schoon gemaakt. Toen plaatste hij de vogellijm
op de mierennesten. De vogellijm was geplaatst, en hij trok de kleine
hut binnen, en hij zat neer.
Terwijl hij zat, was hij aan 't afloeren en afloeren en afloeren.
Toen hij afloerde, verdween de tijd en verdween en verdween. De vogels
kwamen niet rap af; zijn oogen vielen dicht en hij sliep.
Dan kwam er een boa af. Hij slikte een been van den vogelvanger in;
een been bleef er over.
Toen werd de vogelvanger wakker en zijn been woog zwaar, zoo zwaar,
zoo zwaar. Toen hij opkeek, zag hij een boa daar liggen, die zijn
heel been had ingeslikt.
Hij nam zijn kapmes en hij sneed een fellen sneed in den boa.
De boa wierp het been uit, en de boa liep weg; en hij, de vogelvanger,
hij liep ook weg en kwam in zijn dorp slapen.
De menschen zegden hem, alzoo: Uw oudere broeder is ziek.
Maar hij, toen hij in 't dorp kwam, hij vertelde niet, hoe de boa
zijn been had ingeslikt.
Toen hij hoorde dat zijn broer gestorven was van een felle snede
van een mes, dat hij in 't lijf gekregen had, vertelde hij wat er
voorgevallen was, alzoo: Ziet! Over eenige dagen hebben wij, mijn
broeder en ik, geredetwist over den boa. En gisteren heeft een boa
mijn been ingeslikt en ik heb hem een fellen steek van mijn kapmes
in zijn lijf gestoken.
Mijn broeder is voorzeker aan die wonde bezweken [206].
Songia.