Op zekeren dag in een dorp, zegden tien mannen, alzoo: Laat ons naar
't bosch gaan, om onze eekhorentjes te jagen.
En zij gingen naar 't bosch en zij zegden alzoo: Wij, zeven, wij
wachten ze af; gij, drie, gij zult ze opjagen.
Zij, drie, alzoo: 't Is goed!
En zij begonnen aan de slingerplanten te trekken. Zij zagen niet rap
de eekhorentjes, en zij zegden: Indien er geen eekhorentjes zijn,
dan trekken wij terug naar 't dorp.
Maar de andere antwoordden, alzoo: Verliest uwen moed niet, wij zullen
aan deze slingerplanten en struiken trekken.
En zij trokken aan de slingerplanten, en twee eekhorentjes kwamen
er uit. Zij schoten ze, en zij zegden, alzoo: Wel, trekt de struiken
met al uw macht!
Maar toen zij trokken, vielen de maniokbrooden van een geest op den
grond [192].
En een kleine geest was aan 't weenen in dien struik. Zijn moeder was
naar 't hooge gras gegaan. Toen zij bij haar kleinen geest terugkwam,
hij vertelde 't gebeurde aan zijn moeder, alzoo: He, beste mama,
de verkens [193] hebben mijn maniokbrooden op den grond geworpen.
De moeder, toen zij dit hoorde, zegde, alzoo: Wacht, tot de avond
gevallen is.
De avond, toen hij gevallen was, trok de moeder naar 't dorp op. En zij
vroeg haar maniokbrooden aan die mannen, die op jacht der eekhorentjes
waren geweest. Alle tien legden mitakos te zamen, en zij kochten drie
maniokbrooden, en zij gaven ze aan den geest [194], die optrok naar
't bosch.
Mboma.