In een dorp was er een man, die zijne echtgenoote getrouwd had. Zij
baarde hem een jongen, dien men den naam gaf van Nsiense. De naam
van den vader was Nsiala.
Op zekeren dag scherpte de vader zijn mes; en vader en zoon stonden
op en gingen naar 't afgekapt bosch, waar men maniok had geplant. En
zij trokken maniok uit.
De zoon had zich gekwetst aan een soort van gras, dat men nsoni noemt,
alzoo: He, vader, ik heb mij gekwetst. De vader, alzoo: Waaraan hebt
gij u gekwetst?
Hij, de zoon, alzoo: Een gras is mij onder den voet binnengedrongen.
De vader kwam af, alzoo: Kom hier, onder de schaduwe van den boom.
En de jongen kwam en de vader trok 't gras uit den voet en wierp
't gras in zijn zak, alzoo: Ik zal het in mijn toovermiddel leggen.
Hij, de jongen stond op, nam zijne strikken en den maniok. En zij
gingen naar een groote vlakte, in 't hooge gras. Die groote vlakte
was met bosschen omringd. Zij legden den maniok in de strikken, zij
keerden eene plaats schoon, en zij sloegen op den grond, al fluitende
en zeggende: Dat de mbende [195] het opete, en de nkusu[195], en
de ngoni[195]; maar als de tutu [196] komt, dat hare tanden niet
scherp wezen!
Toen al de strikken gespannen waren, trokken zij terug naar hun dorp.
Den volgenden dag, riep de vader zijnen zoon, alzoo: He, mijn beste
Nsiense, ga luku halen in 't huis van Mama en mijn geweer en mijn
poederdoos.
Toen hij op den weg van 't bosch kwam, zegde hij, alzoo: He, vader,
het slaghoedje is verloren!
Hij, de vader, alzoo: Vermits gij het slaghoedje verloren hebt,
hoe gaan wij nu schieten! Dat was 't eenig slaghoedje dat ik had.
En hij gaf hem een kinkoto [197] op den kop. De jongen begon te weenen
en te weenen.
En hij weende, alzoo: He, mijn moeder Ma Ndiangu [198], ik sterf.
Toen 't weenen gedaan was, zegde hij: Wel, ik ga een slaghoedje halen
bij mijn oom.
En hij ging naar 't uiteinde van 't dorp, bij zijn oom: He, beste oom,
geef mij een slaghoedje.
De oom, alzoo: Waar draagt gij dat? Gij, gij zijt nog geen jongeling,
gij kunt nog geen geweer vasthouden.
Hij, de jongen, alzoo: Het slaghoedje van vader heb ik verloren.
En de oom gaf er hem een; toen hij ze aangenomen had, ging hij ze
aan vader dragen, alzoo: Ziehier, vader, uw slaghoedje.
De vader, alzoo: 't Is wel, kind, nu neem 't geweer, en laat ons gaan.
Toen zij aankwamen waar zij gisteren de strikken hadden gespannen,
maakten zij de strikken ledig, waarin ratten gevangen waren. Zij
staken hunne ratten en muizen op een palmlat.
Dan spanden zij weer hunne strikken; toen alles gedaan was, zegde
de vader, alzoo: Laat ons gaan, wij gaan slapen in 't verlaten dorp
[199], omdat het dorp te ver is.
Zij gingen tot een oud ingevallen huis. Zij sneden een bananentros af,
zij staken vuur aan.
Hij, de jongen, alzoo: He, vader, ik heb iets gezien; misschien is
't een geest.
De vader, alzoo: Ik weet het niet, kind. 't Is hier de plaats,
waar onze ouden gestorven zijn en begraven liggen. Wij trekken op,
wij gaan slapen in 't hooge gras.
En zij gingen, zij staken weer vuur aan, en zij aten bananen en nsafu
[200] en aardnoten en maniok. Zij spreidden kleedingsstoffen open,
en zij sliepen. 't Vuur was aan 't glinsteren.
De oogen vielen dicht, en zij sliepen in.
De jongen werd ineens wakker, alzoo: Hoort ge de trommel ginder,
hoe zij weergalmt?
De vader, alzoo: Waar gij die trommel hoort, 't is te Mpangu; men
danst er den doodendans van Na Mboma, die gestorven is!
Het kind, alzoo: Hoort gij het geschreeuw en het slaan op den mond,
men komt naderbij.
Toen sliepen zij weer in! En de slaap viel op hunne oogen.
De geesten kwamen af, zij volgden den weg langs de rivier.
Een vrouwengeest ging uit den weg, toen zij 't vuur aan 't glinsteren
zag, alzoo: Gaat maar door. Ik, ik ga vuur halen om mijn pijp aan
te steken.
En zij ging. En zij zag een palmlat ratten, dicht bij 't vuur. Zij
legde haar korf neer; zij haalde een maniokbrood te voorschijn, nam
een rat van de palmlat, braadde ze, at, en sloeg hare handen af [201].
Toen hoorde de jongen het, en zegde: He, vader!
Hij, de vader, alzoo: Hier ben ik, wat is er?
De jongen, alzoo: Wat daar in zijne handen geslagen heeft, dicht bij
't vuur, wat is 't?
Hij, de vader, alzoo: Ja, ik heb het ook gezien, jongen. De haren
zijn heel lang. De mond is die van een niungi [202].
En hij stond op, en hij zag de geest die aan 't slapen was, dicht bij
't vuur. Hij maakte de jongen wakker en zij gingen langs 't hooge gras,
en zij namen droog gras, wel acht bussels. En zij kwamen terug, zij
spreidden 't gras uit, waar de geest aan 't slapen was; een deel van
't stroo bonden zij aan de haren van den geest vast. Zij staken het
stroo in brand, en 't vuur vatte heel 't lichaam, 't vuur laaide en
laaide en schoot ten hemel op. Toen het aan 't haar kwam, sprong de
geest op, en hij ging vluchten in aller haast, langs den weg naar de
rivier; de naam der rivier was de Ngufu. De geest liet zich vallen in
't water, maar 't vuur werd niet uitgedoofd: en 't water nam vuur en
brandde en brandde; heel de rivier stond in laaie vlam.
De geest kwam uit 't water met zijn vuur, tot daar waar men aan 't
dansen was bij trommelslag. Hij kwam waar de trommels waren. Al de
geesten gingen op de vlucht. 't Vuur greep de trommels aan. En de
trommels verbrandden.
De geesten, alzoo: Wel, gij, wat gingt gij ginder doen?
De geest, alzoo: 't Vuur om mijn pijp aan te steken, was ik gaan halen.
Maar de geesten lachten haar uit, terwijl zij op den mond sloegen,
alzoo: O, o, o, o, trek maar op, gij! Uwe broers en zusters dansen
bij trommelslag; maar gij, gij steelt maniok. Wij, wij stelen niet.
Zij, de geest, alzoo: Mijne kinderen, zij stelen niet, maar ik, ik wel!
En zij stierf. Men begroef haar op den boord van 't water.
Om haren diefstal, was zij gestorven.
Kikiula.