Een moeder had haar tien kinderen gebaard. Tusschen haar tien
kinderen, die zij gebaard had, twee overtroffen al de anderen door
hunne schoonheid. Een jongen, die den naam droeg van Mengi, en een
meisje, haar naam was Mafuta. De jongelingen van 't dorp vochten
slechts om dit meisje, om haar alleen; en zij beminden haar.
De moeder, toen zij dat zag, zegde, alzoo: Ik heb tien kinderen
gebaard; al de anderen dus zijn niet schoon.
En zij nam haar dochter bij de hand, alzoo: Welaan, ga water putten
aan de rivier.
En zij, 't meisje, toen zij ging naar 't water, de Bisimbi [189]
vatten haar; en zij zetten haar op een steen, in 't water.
De moeder, toen zij keek en keek, het kind, zij zag het niet meer.
Toen beval zij weer aan haar zoon, die al de anderen overtrof door
zijne schoonheid, alzoo: Neem de kruik aan, ga water scheppen.
En hij, hij ging, en terwijl hij schepte, hoorde hij rivieropwaarts
een bel: Ngo, ngo, ngo, ngo, ngo [190], alzoo: He, broerken, naar
't water was ik gekomen, de Bisimbi hebben mij gevat. Maar neem deze
perels aan, geef ze aan Mama.
Hij, toen hij de perels had aangenomen, ging ze dragen naar Mama. Zij,
de moeder, zij vroeg niets. De tweede dag was het hetzelfde. De derde
dag hetzelfde.
De jongen deed dan de ouden van 't dorp bijeenkomen, alzoo: Naar het
water ging ik dezer dagen; iemand gaf mij perels, dat ik ze drage
naar Mama.
De ouden, alzoo: 't Is leugen.
Maar op zekeren dag, gingen zij te zamen en zij vereenigden zich.
Hij, de jongeling toen hij water schepte, hij zag rivieropwaarts;
daar kwam een blad aangezwommen, dat waggelde boven 't water. En hij
hoorde weer rivieropwaarts een bel, die sprak.
Terwijl zij sprak, allen waren aan 't luisteren. Zij, toen zij het
hoorden, gingen zij verder rivieropwaarts, en zij omsloten 't water
met een dijk, en zij schepten het water maar uit en uit.
Toen het gedaan was, zagen zij een kist. Zij deden ze open, en
een meisje lag daar in, die haar bestreken had met rood, alzoo:
Kawa [191]. Toen hoorden zij weer hooger rivieropwaarts de Bisimbi,
die spraken, alzoo: Gij, indien gij sterk zijt, ontrukt dit meisje;
maar indien wij, de watergeesten, sterk zijn, wij ontrukken dit meisje.
Toen stond er een hevige wind op en hij begon te waaien en te waaien;
toen zij vochten en vochten en vochten, de mannen van 't land waren
sterker. En zij ontrukten 't meisje. Toen zij het ontrukt hadden,
zij, de Bisimbi, spraken, alzoo: Zij, waar zij gaat, geeft haar geen
verkensvleesch, maakt voor haar niets gereed.
En zij gingen terug naar hun dorp. Maar zij de moeder, uit nijd voor
haar andere kinderen, dien dag, had zij een verken gedood, om een
toovermiddel aan haar kind vast te hechten.
Maar Mafuta wilde geen verkensvleesch, alzoo: 't Verken, de
watergeesten hebben het verboden. Gij nu, dat verkensvleesch, geeft
het aan mijn broeder.
De moeder legde vleesch op een telloor, en ging het dragen aan
Mengi. En Mafuta, zij ging tot bij haar broeder Mengi; zij sneed een
stuksken van 't lever af en zij at het. Terwijl zij aan 't eten was,
't water kwam tot aan de teenen.
Mengi kwam kijken tot in 't huis van zijn moeder, alzoo: He, Mama,
uw kind, 't water is tot aan haar teenen.
Zij, de moeder, alzoo: Loop weg, mijn kind, kom haar geen kwaad doen.
Toen de moeder dit zegde, de jongen begon een lied aan te heffen, en
weende en weende, alzoo: He, Mafuta, mijn oudste, waar gij verblijft,
werk daar geen werk.
't Water kwam tot aan de knieën, 't kwam tot aan den buik, 't kwam
tot aan den hals, en zij, zij verdween.
Toen zij verdwenen was, alzoo: Mama, uw kind is verdwenen.
De moeder kwam, en alles was vol water.
Hij, die overbleef, Mengi, ging toen zijn huis binnen, en hij begon
te weenen en te weenen, en hij ook, hij stierf van veel, veel verdriet.
Zij, de Moeder, zag met veel vreugde dat de twee schoone kinderen
gestorven waren.
Kinkoko.