En ik, alzoo: Mama, die in de doodenhut aan 't rooken ligt, begraven
wij haar met de huid van Kinunu?
En hij ging waar Kinunu was. En er werd geroepen op den berg. Hij,
Kinunu, werd met angst bevallen, alzoo: Hoort gij, op den berg,
wat zijn dat voor zaken?
Hij, de man, alzoo: 't Is niets, vooruit, scherp het mes.
En hij scherpte het mes. Waar zij stonden, hoorden zij weer: He,
Ngangu zizal'e! Ngangu zizal'e!
Hij, alzoo: Hier ben ik!
En boven op den berg: Mama, die in de doodenhut aan 't rooken ligt,
begraven wij haar met de huid van Kinunu!
En Kinunu, alzoo: Hoort gij dat?
En hij vluchtte weg, terwijl hij 't mes wegwierp en de muizen.
En hij, Ngangu zizala, alzoo: Laat ons volgen waar hij aan 't loopen
is, hij Kinunu. Vandaag snijden wij hem in stukken. Zijn huid, wij
begraven ons moeder er mee.
Kinunu hij, hij vluchtte en vluchtte!
Ngangu zizala en zijne vrouw kwamen 't dorp binnen, en zij deden
de trommels komen, en zij dansten den feestendans. En hij gaf zijn
oudste eten, omdat hij en zijn vrouw van den dood verlost waren.
Kimpudi.