Een vrouw had haar twee zonen gebaard: Ngangu zinkono [185], den oudste
en Ngangu zizala [186], den jongste. En zij groeiden en groeiden;
de jongste lachte altijd zijn oudste uit.
En zij trouwden beiden hunne vrouwen. Op zekeren dag had de vrouw
van Ngangu zizala maniok voorbereid. Hij, Ngangu zizala, alzoo: Mijn
vrouw heeft maniok voorbereid, er is geen stuksken vleesch; wacht,
ik zal gaan; ik maak eenige palmlatten schoon, en ik plaats eenige
strikken met maniok, om muizen te vangen.
Hij vervaardigde eenige strikken met een palmlat, en hij ging 't
bosch in. Toen hij de maniokstrikken had gelegd, toen ze gedaan waren,
alzoo: Ik ga terug!
Hij kwam aan een kruisweg, waar drie wegen te zamen liepen, en hij
kwam Kinunu [187] tegen. Maar hij wist niet dat het een geest was.
Hij, alzoo: Goeden dag, mijn beste!
En hij Kinunu, antwoordde, alzoo: Goeden dag, mijn beste!
En hij vroeg hem, alzoo: Van waar zijt gij gekomen?
Hij, Kinunu, alzoo: Paddestoelen ben ik gaan plukken.
Hij, Kinunu, vroeg opnieuw, alzoo: Van waar zijt gij gekomen?
Hij, de man, alzoo: Mijn maniok heb ik gelegd, om muizen te vangen.
En Kinunu zegde zoo: Goeden dag, mijn beste.
En hij wilde heengaan.
Maar de man, alzoo: Verdeel uw paddestoelen!
Kinunu, alzoo: Ik ken u niet van waar gij gekomen zijt, en nu zou ik
mijn paddestoelen verdeelen; ik wil niet, hoort ge. Ik verdeel mijn
paddestoelen niet.
Hij, Ngangu zizala, alzoo: Verdeel maar.
En Kinunu, alzoo: Ik, als ik de paddestoelen verdeel, gij, dien dag,
dat gij gaat zien naar den maniok, indien gij muizen gevangen hebt,
zullen wij dan ook verdeelen?
Hij, de man, alzoo: Ja! Iedere zaak, die met mij komt, verdeelen wij.
Kinunu, alzoo: 't Is goed!
En hij legde de paddestoelen neer, en zij verdeelden; hij vijf en
twintig, en de andere vijf en twintig. Er bleef één paddestoel over.
Kinunu, alzoo: Ik, ik bezit mijne paddestoelen, ik neem die eene,
die overblijft.
Hij, de man, alzoo: Neen, verdeel.
Kinunu, toen hij die paddestoel genomen had, die overbleef, hij
verdeelde ze; de eene, een helft, de andere ook een helft.
De man, alzoo: Welnu, ga; goeden dag, beste!
Kinunu ook, alzoo: Ga ook wel, en goeden dag!
En zij stonden op, en zij gingen. Kinunu ging zijn weg; de man ging
ook zijn weg.
De zon was opgestaan. 't Was schoon weder. Kinunu, alzoo: Vandaag ga
ik niet, omdat hij morgen de maniokstrikken komt ledigen. Morgen dus
zal ik gaan!
De dag was daar en Ngangu zizala zegde tot zijn vrouw, alzoo: Ik
heb veel strikken gespannen, maar vooruit, wij twee; draag uw klein
mandeken en uw korf.
Zijn vrouw droeg haar mandeken en haar korf.
En zij kwamen in 't bosch. Zij deden al de strikken los. En 't
mandeken was vol muizen. En de korf was ook vol. Toen gingen zij
terug van waar zij gekomen waren.
En zij kwamen aan den kruisweg, waar drie wegen bijeenloopen.
Kinunu, alzoo: He, mijn vriend, ik ben hier reeds vóór u aangekomen.
En hij, alzoo: 't Is wel, mijn vriend, ik kom aan.
En zij kwamen, en zij wierpen de muizen op den grond. En zij verdeelden
de muizen, de eene vijftig, de andere vijftig.
Er bleef een muis over, alzoo: Nu verdeel de muis die overgebleven is!
En zij sneden die muis in 't midden door, tot aan den kop; de eene,
een helft; de andere, een andere helft. De muizen waren verdeeld.
En Kinunu, alzoo: En nu, laat ons de vrouw verdeelen.
De man, alzoo: Ik wil niet, ik verdeel niet. Waarover wij akkoord
gemaakt hebben, de muizen. Wel, hebben wij over een mensch 't akkoord
gemaakt? Ik verdeel niet.
Kinunu, alzoo: De vrouw, snijden wij snijden haar in stukken. Hebt
gij niet gezegd alzoo: Ieder zaak, die met mij komt, verdeelen wij.
De man trok zijn mes uit de scheede, alzoo: Neem aan, scherp het,
en snijd de vrouw in stukken.
Kinunu nam het mes aan, scherpte het. Hij, de man, alzoo: Blijf mij
hier wachten, ik ga naar 't dorp, ik neem een pot, wij laten 't bloed
er in loopen; want, als wij geen pot hebben, 't bloed loopt het dan
niet voor niet verloren?
Hij, Kinunu, alzoo: 't Is wel, vooruit, loop.
En hij ging tot in zijn dorp, waar zijn oudste broer was, Ngangu
zi nkono.
Hij zegde, alzoo: He, mijn oudste broer, mijn maniokstrikken had ik
gelegd; toen 't gedaan was, ging ik terug naar 't dorp en ik kwam aan
den kruisweg, waar drie wegen bijeenloopen, en ik kwam er Kinunu tegen,
en hij gaf mij een groet, alzoo: Goeden dag, mijn vriend! Ik ook:
Goeden dag, mijn vriend. En toen ik hem vroeg, alzoo: Van waar zijt
gij gekomen? Hij ook, toen hij mij vroeg, alzoo: Van waar zijt gij
gekomen? Ik sprak, alzoo: Mijn maniokstrikken heb ik gelegd. Kinunu,
alzoo: Paddestoelen, ben ik gaan plukken. Wel, ik, toen ik zegde,
alzoo: Verdeel uwe paddestoelen. Kinunu, alzoo: Ik wil niet, ik
verdeel niet. Gij, ik weet niet van waar gij gekomen zijt. Zou ik mijne
paddestoelen verdeelen? Ik, aan 't redetwisten met hem. Hij, Kinunu:
't Is wel; ik, als ik verdeel, wel, gij, dien dag dat gij uwe strikken
spant en muizen vangt, verdeelen zult gij dan ook verdeelen? Ik,
alzoo: Ja, wat het moge wezen, dat met mij is, verdeelen ik verdeel.
Kinunu, alzoo: 't Is wel. En wij verdeelden de paddestoelen; ik vijf
en twintig, hij vijf en twintig. Er bleef een paddestoel over. Kinunu,
alzoo: Ik, ik bezit hem. Ik neem die eenige, die er overblijft.
En ik, alzoo: Verdeel. En hij verdeelde in 't midden, hij een helft
en ik een helft. En wij scheidden van malkander, alzoo: Wel, ga wel;
goeden dag, vriend.
Wel, ik, toen ik de strikken ging zien of er muizen in waren, toen het
gedaan was, zegde ik aan mijn vrouw, die mede gekomen was: He, vrouw,
wij trekken terug naar ons dorp! En wij gingen, wij kwamen aan dien
kruisweg, waar drie wegen bijeenloopen, en wij kwamen daar Kinunu
tegen. Kinunu, toen hij mij zag, alzoo: He, mijn vriend, ik ben u
hier voorafgegaan. Ik, alzoo: 't Is wel, beste vriend, ik kom aan. En
wij wierpen de muizen op den grond. Ik vijftig, en hij vijftig. Er
bleef een muis over, alzoo: Snijd die overblijft in twee. Toen wij
de muizen verdeeld hadden, toen 't gedaan was, mijn vrouw bleef
over. Hij, alzoo: Wij verdeelen haar. Maar ik wilde niet. Maar hij
was aan 't twisten. Toen ik hem 't mes had gegeven, alzoo: Neem aan;
snijd haar in stukken. Ik, toen ik hem bedroog, alzoo: Wacht, ik zal
een pot gaan halen in 't dorp, wij laten 't bloed er in loopen. Maar,
gij, mijn oudste broeder, hoe moet ik doen? Een andermans kind, hebt
gij geerne dat men het in stukken snijde. Zeg mij hoe ik moet doen,
opdat mijn vrouw van dien geest verlost weze.
Ngangu zinkono, alzoo: Gij, mijn jongste broer, gij lachte mij uit,
ik, uw oudste; hoe zou ik het kunnen zeggen hoe gij doet? Gij luistert
naar uw oudste niet.
Hij, alzoo: He, mijn oudste, zeg het mij, uw jongsten broer.
De oudste, alzoo: 't Is wel. Neem een gesneden verken en breng het mij.
En hij ging een gesneden verken halen, en hij bracht het aan zijn
oudste.
Hij, de oudste, alzoo: Dit verken, zou ik met niets opeten? Wel, ga,
en zoek een palmnotenrist, breng hem hier.
En hij ging, en hij kwam met zijn palmnotenrist. En de oudste,
alzoo: Waar gij gaat, als gij aankomt waar de geest is, als gij
zult drie roepen hooren roepen hebben, als gij hoort, alzoo: Ngangu
zizal'e! Ngangu zizal'e!