In een dorp was er een mensch, die koophandel dreef; hij had veel
verstand. Maar op zekeren dag, ging hij naar de markt om zijn zaken
te verkoopen.
Toen hij verkocht had, 't was gedaan. 't Was zijn vertrekken.
Dien dag ook, 't was groote hitte en groote dorst naar water; de
menschen, hunne kelen verdroogden en deden pijn. Veel pijn zagen
zij af, omdat er geen water was. Hij haastte zich naar huis. Op den
weg van zijn dorp, was er een rivier. Hij kwam aan de rivier, en hij
dronk zijn water.
Maar toen hij zijn water gedronken had, wilde hij boven komen. Hij
hoorde in 't midden van 't water, iets dat sprak, alzoo: Nwa mo,
nwa mo [114]. Het was Kiwita [115], die sprak.
Toen hij de woorden van Kiwita hoorde, dronk hij nog water. Toen hij
wilde boven komen, hoorde hij weer de woorden van Kiwita: Nwa mo,
nwa mo; hij ging terug, en hij dronk en hij dronk.
Toen hij gedronken en gedronken had, zijn buik zwol hem op, en hij
stierf. In zijn zotheid is hij gestorven.
Kiduma.