In 't dorp was er een zot; hij had zijn vrouw getrouwd; in zijn huis
niets om te eten, noch geen mitako. Zijn vrouw zegde hem, alzoo:
Gij, hoort ge, zeg niets, antwoord niets; ga, leg muizenvallen;
de muizenstrikken ook toonen veel verstand.
Hij ging zijn muizenvallen spannen; hij kreeg verstand; hij wist nu,
hoe muizenvallen te spannen; hij pakte muizen, maar allen deelde hij
ze uit en hij kwam terug in 't dorp, maar zonder één muis.
De vrouw vroeg hem, alzoo: De muizen, waar zijn ze?
Hij, aldus: Ik heb ze uitgedeeld.
De vrouw, alzoo: Gij, kunt gij u het voorhoofd niet binde [111]?
De man ging op een anderen dag, om de muizen uit de vallen te halen;
hij haalde ze er uit, en daarna stak hij doornen in zijn voorhoofd.
De vrouwen, die hij tegenkwam, vroegen hem weer muizen.
Maar hij zeide zoo: Ziet gij het niet, hoe ik mijn voorhoofd gebonden
heb?
Zij antwoordden, alzoo: En waarom hebt gij dat gedaan?
Hij antwoordde hun, alzoo: Mijn vrouw heeft mij bevolen, alzoo:
Indien men u nog muizen vraagt, bind 't voorhoofd; waarom bindt gij
't voorhoofd niet? 't Is daarom dat ik 't voorhoofd gebonden heb.
Zij stonden hem uit te lachen.
Hij trok op naar zijn dorp bij zijn vrouw.
De vrouw bezag hem in 't gezicht, zag de doornen, en zij zegde:
Waarom hebt gij dat zoo gedaan?
Wel, dat, hebt gij mij dat niet getoond? 't Voorhoofd, ik heb het
gebonden [112]. Welnu, waarom vraagt gij dat?
De vrouw, alzoo: He moeder, zot van een man, he moeder [113]! Is
't zoo dat men 't voorhoofd bindt; hebt gij geen verstand?
Zij trok de doornen uit 't voorhoofd.
Maar hij werd ziek en ziek; zijn gezicht begon te zwellen. Hij stierf.
Kiduma.