Op zekeren dag, waren vele Bambata [116] bijeen vergaderd, alzoo:
Laat ons gaan, wij gaan onze palmboommessen koopen in Neder-Kongo. Dan
komen wij ze weer verkoopen op onze markten aan de palmwijntrekkers.
En zij gingen. Zij kochten hunne messen. Zij hadden ze ingebonden in
een huid, alzoo: Nu, laat ons optrekken.
En zij vertrokken. Zij gingen, zij gingen, en zij kwamen aan den
doorgang eener rivier, alzoo: 't Is heel warm, de harten branden,
zij branden van dorst; wij leggen onze vrachten neer; wij rusten in
't water; wij drinken en wij nemen een bad. Dan trekken wij stillekens
en stillekens, langzaam heel langzaam op.
Zij legden de vrachten neer; zij dronken water; zij namen een bad,
alzoo: Nu, vooruit, laat ons onze vrachten dragen.
En zij trokken op.
Een kikvorsch sprak in 't midden van 't water, alzoo: Nkanku, nkanku
[117]!
Zij, alzoo: A, ouden, waar gij gaat, komt terug en hoort wat hier
spreekt in 't water, alzoo: Nkanku, nkanku!
De Ouden kwamen terug, alzoo: Laat ons dit te zamen regelen.
En zij spraken onder malkander, alzoo: Maakt de huiden, waar de messen
inliggen, los.
Zij hadden alles in twee verdeeld. En zij wierpen de helft in de
rivier, waar de kikvorsch sprak. De messen, die overgebleven waren,
bonden zij weer vast.
Nu vooruit, mannen!
Maar de kikvorsch was weer aan 't spreken: Nkanku, nkanku!
Een Mumbata, alzoo: Waar gij gaat, a, luistert, hij vraagt weer;
die wij gegeven hebben, 't is te weinig. Komt, laat ons geven, die
nog overblijven.
Een andere Mumbata, alzoo: A, en als wij nog geven, die overblijven,
dan zijn wij al ons geld voor niets kwijt. Wel, zouden wij dan naar
ons dorp terugtrekken zonder iets?
Hij, de oudste van de Bambata, sprak: A! Zouden wij zoo niet doen. Dat
spreekt, is het geen Kisimbi [118]? En wij zouden weigeren, als hij
vraagt? Welaan, wij geven wat er nog overblijft! Geld hebben wij
vandaag niet gezien!
En zij wierpen de palmboommessen in 't midden van 't water, waar de
kikvorsch sprak. En zij, zij gingen.
Zij kwamen in hun dorp aan, en zij vertelden wat er voorgevallen
was. Maar men lachte ze uit.
Zij, alzoo: De messen, zij zijn verloren, voor altijd verloren,
nu zouden wij teruggaan, en ze nemen? Wij zijn met geen geld geboren.
Mbengo.