In 't dorp zijn er veel menschen; er is ook een lichtzinnige man,
die een schoone vrouw getrouwd heeft. Eindelijk werd zij zwanger
en baarde hem een meisje, maar slechts een meisje; een jongen, dat
konden zij niet.
Die vrouw ook was rijk, en zij zegde zoo: Gij, man, leg daar vijf
duizend mitakos; ik, de vrouw, ik leg er ook vijf duizend, ga ons
een klein jongsken koopen.
De man redetwistte met haar niet. Den dag van den Nsona ging hij naar
de markt. De man zegde tot de vrouw, alzoo: Maak maniokbrooden gereed;
de kleine, als hij komt, dat hij ete.
De vrouw antwoordde: Ja, ga maar!
En de man ging.
De vrouw, waar zij gebleven was, was maniok aan 't stampen.
De man, toen hij op de markt gekomen was, zocht en zocht en hij zag
geen kleine. Hij ging zoeken in 't omliggende van de markt, hij zag
niets; hij ging op een andere plaats, en hij zag een stuk hout, dat
men gesneden had gelijk een mensch, waaraan men den naam gegeven had
van Mimbumbu [108].
Hij, toen hij dat zag, zijn bloed bruischte, en hij vroeg: Wie heeft
dien kleine daar gezet?
De man, die dat stuk hout daar gezet had, kwam te voorschijn, toen
hij zegde: Ik bezit hem!
Hij vroeg, alzoo: Verkoop hem mij!
De bezitter van dien kleine stelde hem den prijs: Twintig duizend
mitakos.
Maar hij vervolgde: Neen, ik wil niet. Neem er tien duizend aan.
't Was aangenomen. De verkooper nam zijn geld aan. Toen hij zijn
geld genomen had, trok hij heel rap op naar zijn dorp! De man, in
zijn zotheid, hij, hij vroeg niets aan den kleine, dien hij gekocht
had. Hij kwam op de markt terug, hij kocht vleesch en maniokbrood;
hij kwam terug, hij sprak zijn kleine aan: Vooruit! Wij trekken op.
Maar de kleine antwoordde hem niet; hij, hij sprak niet; hij, hij
uitte niet een woord. Hij bleef zwijgen.
De zot droeg hem, en zij trokken op; zij kwamen aan een rivier,
en hij vroeg: Drinkt gij geen water?
De kleine, dien hij gekocht had, bleef zwijgen; hij zette hem neer op
den grond. Maar om neer te zitten, hij wist het niet; hij zette hem
recht, schepte water in een flesch, en gaf het hem. Hij, hij sprak
niet. Hij gaf hem te drinken, maar 't water liep van zijn mond af.
Hij werd kwaad, toen hij zegde: Vooruit, jongen, maak u niet
kwaad! Waar gij gaat, zult gij niet eten? Uwe moeder heeft
maniokbrooden gereed gemaakt.
Maar de kleine, hij trok niet op.
Hij droeg hem, kwam thuis en ging hem binnenleiden in zijn geheimkamer,
legde hem neer op 't bed, en kwam er uit; legde het vleesch dat hij
gekocht had op een teenen vlechtsel. Eindelijk kwam zijn vrouw.
De vrouw vroeg hem: Wel! Hebt gij den kleine gekocht?
De man antwoordde: Bereid eerst uw maniok, dan zal ik den kleine
halen. Indien gij geen eten voorbereidt, dan toon ik hem niet. Hij
op de markt, hij heeft niets geëten, en toen wij op den weg waren,
at hij ook niet. Veel schaamte is met hem. Misschien bij u, moeder,
zal hij eten. Hij met mij, hij is vol schaamte.
De vrouw stampte maniok; bereidde hem voor; 't was klaar.
Zij doodden een kieken, bereidden het; 't was gedaan.
De vrouw zegde, alzoo: Wel, ga hem halen, dat hij kome eten.
De man ging, maakte hem wakker: Sta op!
Maar hij, hij zegde niets.
De vrouw, alzoo: Draag hem, misschien is hij in slaap.
En hij droeg hem, en hij plaatste hem in de kamer, waar de vrouw
was. Om hem recht te zetten, hij kon niet recht.
De vrouw sloeg in hare handen: He moeder, man van een zot, gij koopt
een stuk hout; de gasten hebben u bedrogen, gij zijt een tooverbeeld
gaan koopen. De gasten hebben uw geld gestolen. He, mijn man, wist
gij dat niet? Binnen vier dagen, met den Nsona, ga dat tooverbeeld
terugdragen; neem ons geld terug.
Maar de man wilde niet.
Op zekeren dag in 't dorp had een vrouw een geit verloren. Zij kwam
tot bij den zot, alzoo: Laat ons gaan, vader, mijn geit is verloren;
betoover dengene, die ze gestolen heeft!
En de zot, hij ging.
Toen hij betooverd had, hechtte het toovermiddel zich vast aan den man,
die de geit genomen had.
De ouden, die hun kind bezaten, gingen onderzoeken, waarom het ziek
was. 't Tooverbeeld werd gevonden; hun kind was ziek, omdat het
betooverd was door 't tooverbeeld, dat men Mimbumbu noemt.
Zij gingen den man opzoeken, die dit tooverbeeld bezat. Zij vonden hem
en hij kwam. Hij vroeg twee palmnoten en een soort van kruid, dat men
dinsusu noemt. Hij bestreek hem; daarna vroeg hij een kieken om het
te dooden; zij vatten een kieken, hij sneed het in stukken, en het
bloed liet hij loopen op 't tooverbeeld. Hij bereidde het kieken, dat
de zieke ete. De toovenaar beval dan: Als hij zijn eten voorbereidt,
de menschen, dat zij het niet zien. Bananen, dat hij ze niet aanneme,
noch aardnoten, noch hanen.
Maar de ouden kochten dat verbod van geen hanen te eten af, want zij
zegden: Veel wandelen wandelen wij op al de wegen. Misschien zal men
ons met hanen spijzen. Wie zou dan ander vleesch zoeken?
De toovenaar zegde dan: 't Is wel, koopt dit verbod af. Zij gaven
hem negen mitakos. Dit verbod was nu afgekocht en daarmee mocht hij
hanen eten.
En de toovenaar ging heen.
Hij, de man, waar hij gebleven was, genas. De toovenaar vroeg: Mijn
kikumbi [109] is hij gezond?
Zij antwoordden: Hij is gezond!
De ouden, die hun kind bezaten, deden den toovenaar komen om hun
jongen van 't tooverbeeld te verlossen, en om 't verbod te heffen.
De toovenaar kwam; maar de jongen was nog niet verlost.
De toovenaar, hij bleef wachten dicht bij 't dorp. Hij zong een
lied met zijn slaven. De ouden, die hun kind bezaten, kwamen af. De
toovenaar vroeg: Brengt zeven en twintig mitakos en een bananenrist
en een korfje aardnoten en een kieken en een kruik palmwijn.
Zij brachten alles en zij kwamen; zij legden al die zaken vóór hem. De
toovenaar vroeg een haan. Zij brachten hem; en hij zegde zoo: Ik steek
't vuur in brand. Wij zullen nu 't toovenaarsgeld bespreken.
Al de ouden kwamen af.
Hij, de toovenaar, overdreef: Vijf duizend mitakos.
Die hun kind bezaten: I, te veel, te veel! Wat zijt gij vandaag
tegengekomen?
De kleinen zegden dat, om met hem te spotten.
Maar de ouden antwoordden: Stil, jongens, zegt dat niet. Indien hij
gezegd had, wel zeven duizend, zoudt gij het niet betalen, wilt gij
u hooger zetten dan den toovenaar?
De ouden stelden drie duizend. De toovenaar antwoordde: Indien ik
afbied, ik bied niet meer af; wel vier duizend.
De ouden antwoordden: 't Is wel! Onze kleine is genezen. Armen heeft
hij. Zij zijn niet dood. Hij kan werken.
De toovenaar stak 't vuur aan; hij vroeg een beetje poeder, hij vroeg
ook een weinig palmwijn. De zieke vroeg een biezenmat; zij plaatsten
den zieke op de mat.
De toovenaar heelde den zieke; hij liep rond 't vuur, drie
rondloopen. Hij kwam weer terug op de mat; hij heelde weer.
Toen 't heelen gedaan was, vroeg hij zeven en twintig mitakos; hij nam
't verbod weg, en men betaalde hem om zijn toovenaarskunst.
De toovenaar antwoordde: Indien gij wilt, dat uw kind geneze, betaalt
wat hij gestolen heeft.
Zij, de ouden, antwoordden: 't Is wel.
En zij gaven andermans geit terug. En de jongen was geheel en al
genezen.
De toovenaar kwam terug in zijn dorp. En zijn vrouw, toen zij 't
geld zag, dat hij bij zijn toovermiddel had gewonnen, werd jaloersch,
en zegde, alzoo: De winst van uw toovermiddel zullen wij verdeelen!
Maar de man antwoordde: Toen ik 't ging koopen op de markt, veel
verwijten hebt gij mij verweten, terwijl gij mij zegde, alzoo: He Zot,
wangedrocht van een man, die 't geld gaat wegwerpen om een stuk hout
te koopen! En nu, zouden wij verdeelen? Neen, ik wil niet.
In zijn dorp viel een vrouw ziek. Hij ging haar heelen met zijn
tooverbeeld Mimbumbu, en zij genas. Alzoo werd zijn tooverbeeld
overal vermaard.
Maar in zijn dorp werden eenige onder de ouden jaloersch, omdat hij,
een zot, nu veel geld won.
De eenen zegden, alzoo: Wij vermoorden hem. Indien men hem niet kan
vermoorden, dan geven wij hem slecht eten op.
Maar hij, toen hij dat hoorde, begon ze te betooveren met zijn
toovermiddel; eenige namen een doodelijke ziekte op, en zij stierven.
Hij, hij zegde hun een spreekwoord: Meet den evennaaste op een schotel;
als hij er niet op kan, misschien kunt gij er op [110]!
Zijn spreekwoord verspreidde zich langs de wegen: Zij hadden hem op
den schotel gemeten, en zij konden er op.
Kiduma.