DE TWEE BROEDERS

Eene moeder had twee kinderen gebaard, Heer Zot, de oudste, Heer

Verstand-om-te-Tellen, de jongste. Zij beiden, toen zij groot geworden

waren, scheidden van malkander; de eene ging zijn dorp bouwen; de

andere ook zijn dorp.

Heer Verstand-om-te-Tellen, als hij zijn oudsten broer tegenkwam,

lachte zijnen oudste uit, alzoo: Gij, die Heer Zot zijt, gij hebt

geen geiten, gij hebt geen verkens; heden zijn 't schatten van den

mensch. Geiten ik, verkens ik.

Alle dagen lachte hij zoo zijnen oudste uit.

Hij, Heer Verstand-om-te-Tellen, ging zijne echtgenoote trouwen. Op

zekeren dag ontving hij eene uitnoodiging van zijn schoonvader;

hij aarzelde niet. Hij spoedde zich, ging, vroeg: He, schoonvader,

een uitnoodiging heb ik gehoord, wat is 't?

Zijn schoonvader antwoordde, alzoo: He, Vader, dit, waarom ik u doen

komen heb; maar als gij mijn geld zult nemen, koop mij een verken;

maar wanneer gij het verken koopt, koop noch zeug, koop noch beer.

Zoo nam Heer Verstand-om-te-Tellen 't geld aan; hij vertrok naar

zijn dorp. Hij ging naar de markt om het verken te koopen, dat zijn

schoonvader bevolen had. Maar hoe zijn schoonvader het hem bevolen had:

koop noch zeug, koop noch beer.

Hij ging naar alle markten, hij zag slechts zeugen en beeren. Hij

werd een stuk vod [106] van zijn veel wandelen.

Dan dacht hij verstand. Hij vereenigde de ouden der menschen. Hij

vertelde hun, alzoo: Ziet, gij ouden, indien gij het kunt

oplossen. Schoonvader heeft mij bevolen, alzoo: Ga, koop mij een

verken; maar koop noch zeug noch beer. Welnu, gij, ouden, ik, hoe

moet ik doen?

De ouden ook dachten en dachten, toen zij zegden: Wij weten niet,

hoe gij moet doen.

Maar er was een oude, die hem vroeg: Gij, hebt gij geen ouderen broer?

En hij zegde: Ja, ik ben met een ouderen broeder; maar 't is een zot.

Die oude zegde hem: He! Sta op, ga het hem vragen.

Heer Verstand-om-te-Tellen ging. Toen hij kwam aan 't dorp van Heer

Zot, de kinderen van Heer Zot zagen hem, wijl zij vroegen: A! Wie is

't, die daar aankomt?

Hij antwoordde, alzoo: Ik, Heer Verstand-om-te-Tellen; ik tel den

hemel, ik tel de aarde. Terwijl gij, Heer Zot, gij hebt geen geiten,

gij hebt geen verkens, heden zijn 't de schatten van den mensch. Geiten

ik, verkens ik.

Hij kwam 't dorp van Heer Zot binnen. Heer Zot was bezig zijn

banaanplanten aan 't hakken. Heer Verstand-om-te-Tellen kwam op het

plein, vroeg aan de kinderen: He, uw vader, waar is hij?

De kinderen antwoordden: Vader is daar zijne banaanplanten aan

't hakken.

Hij beval hem te verwittigen, dat hij kome. Zij gingen Heer Zot

roepen; hij kwam. Zij groetten malkander bij handgeklap. Heer

Verstand-om-te-Tellen bracht Palmwijn te voorschijn, gaf een goeden

dag aan zijn oudere, terwijl hij sprak: Dit kruiksken, u heb ik het

medegebracht, iets ben ik komen vragen.

Heer Zot weigerde niet, zij dronken den palmwijn.

Heer Verstand-om-te-Tellen zegde 't geen hij kwam vragen, alzoo:

Ziehier waarom ik gekomen ben. Schoonvader heeft mij bevolen, alzoo:

Kom, neem geld, koop mij een verken. Maar als gij een verken koopt,

koop noch zeug, koop noch beer. De markten ging ik af, om zulk een

verken te zoeken. Verkens waren daar, zeugen en beeren. Maar 'k zag

't verken niet, dat ik koopen moest. Toen ik in mijn dorp terugkwam,

vereenigde al de ouden; ik legde deze zaak uit, zij wisten niet. Maar

er was een oude, toen hij mij vroeg: Gij, hebt gij geen ouderen broer,

sta op, ga het hem vragen. 't Is daarom dat ik gekomen ben. Hoe moet

ik doen?

Hij, Heer Zot, antwoordde hem: Breng mij een geit in 't jaar geboren,

't eenigste jongsken van haar moeder en negen kruiken palmwijn. Dan

zal ik het u zeggen, hoe gij doet? Ik ben een zot, gij lachte mij

altijd uit, als wij malkander tegenkwamen. Ik, uw oudste broer,

heb medelijden met u. Ga, trek naar uw dorp terug.

Hij ging terug, hij zocht die geit en negen kruiken palmwijn.

Hij is gekomen. De kinderen vroegen hem weer: A! Wie komt daar aan?

Hij sprak: Ik, de broer van Heer Zot.

Hij beval den ouden man [107], Heer Zot, te gaan zeggen, alzoo:

Uw broer is gekomen.

En hij kwam. Hij nam de geit en den palmwijn, toen hij zegde, alzoo:

Mijn broerken, 't is niets, ik zal u wel toonen hoe gij zegt aan

uw schoonvader. Alzoo zal hij u niets kunnen antwoorden. En ik, uw

oudste, ik heb medelijden met u. Dus, beveel iemand, dat hij naar

uw schoonvader ga, dat hij zegge, alzoo: Uw verken heb ik gekocht,

maar als gij komt, kom in den nacht niet, kom in den dag niet.

Zoo gezegd, zoo gedaan. Iemand vertrok naar schoonvader, die zegde:

Uw verken heeft hij gekocht, maar kom het halen; maar als gij komt,

kom in den nacht niet, kom in den dag niet.

De schoonvader werd bedroefd. Hoe kan ik gaan? Terwijl hij zegde:

Mijn schoonzoon heeft verstand.

En hij ging naar zijn schoonzoon in den dag, om daar vóór den avond

aan te komen. Hij was halfweg. De zon was ondergegaan en de avond

begon te vallen. Hij dacht, alzoo: Hij, heeft hij niet bevolen:

Kom in den dag niet, kom in den nacht niet. Hoe ga ik?

En hij trok terug naar zijn dorp. Hij zond iemand naar zijn schoonzoon,

alzoo: 't Verken dat hij het opete, vader.

Kianika.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 49 / 153 题