DE ZOT MET HET ROLLEKEN

Die echtgenoot was een echte zot.

Op zekeren dag, toen hij wilde naar de markt gaan, nam hij zijn

zaksken; hij zag niet of er een gat in was. Hij trok zoo op.

Hij kwam op de markt aan, hij kocht een rolleken darmen [105], stak

het in zijn zaksken, kwam terug.

Maar bij 't terugkomen, 't rolleken viel er uit.

Hij, aldus: Ik heb een rolleken gekocht, ik raap dit op; nu heb ik

er twee.

Maar in zijn zotheid, zag hij naar den zak niet. Zoo telde hij reeds

drie keeren. Toen hij nog een rolleken op den grond zag, zegde hij:

Ik heb er een gekocht, ik heb er reeds vier opgeraapt; nu zijn er vijf.

Toen hij in zijn dorp kwam, beval hij aan zijne vrouw den pot met

water op te zetten, om 't vleesch te bereiden.

De vrouw zette den pot op 't vuur; toen de pot aan 't koken was,

vroeg zij 't vleesch. De man schudde 't vleesch uit en 't rolleken

was vol kleiaarde.

En hij loog aan zijne vrouw, alzoo: 't Vleesch is onder weg verloren.

Maar de vrouw, toen zij naar 't vleesch keek, dat vol kleiaarde was,

sprak, alzoo: Mijn man is nu gansch zot geworden.

Zij zag naar den zak, en toonde 't gat aan haren man.

Hij, alzoo: De zak was niet sterk genoeg en 't vleesch is er uit

gevallen.

Kisantu.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 48 / 153 题