KONGONIENSE EN KONGOPATAKASA [75]

Beiden hadden nog hun moeder. En zij maakten hun dorp. Kongoniense

bouwde zijn huis; Kongopatakasa zijn huis. Kongopatakasa werkte

heel rap; Kongoniense heel langzaam. Op zekeren dag viel er een

hevige stortregen. Daar 't huis van Kongoniense niet afgemaakt was,

was zijne moeder weggespoeld. Kongoniense ging op weg, en hij zocht,

en hij zocht, en hij zocht; zij was niet zichtbaar.

Gedurende den nacht, terwijl hij aan 't slapen was, had hij een droom,

alzoo: Uw moeder is bij God den opperste [76]; maar koop negen kruiken

palmwijn en gij zult ze terugvinden.

En hij kocht negen kruiken palmwijn en hij ging op weg [77]; en hij

kwam den Wind tegen en den Lijkworm en den Egel en den Houtworm.

Zij vroegen hem, alzoo: Waar gaat gij henen?

Hij, alzoo: Mijn moeder volg ik naar God den opperste.

Zij, alzoo: In uw dorp zijn er dus geene kinderen, dat gij negen

kruiken palmwijn draagt, gij alleen?

Hij, alzoo: Ik alleen.

De Egel en de anderen spraken, alzoo: Geef hier, wij zullen u helpen

dragen.

En hij gaf er, en hij droeg twee kruiken palmwijn.

Zij gingen, zij gingen, zij gingen hunnen weg, en de weg was verloren.

Kongoniense, alzoo: Waar zullen wij henengaan, de weg is verloren.

De Egel, alzoo: Wij, wij eten lang gras, ik zal u een weg banen. Blijft

hier!

En hij trok vooruit en hij was bezig eenen weg aan 't banen, tot

boven op den berg. Maar toen zij wilden opklimmen op den berg, om op

te klimmen zij konden het niet.

De Wind, dus: Wij, wij keren de pleinen en de pleinen. Zijt gij daarom

aan 't twisten?

En de Wind droeg ze tot boven op den berg en hij zat ze neer, dicht

bij 't dorp. 't Opperhoofd van 't dorp was palmnoten aan 't slaan

met een steen [78].

De Lijkworm, sprak, alzoo: Blijft hier, gij allen, ik zal gaan tot

in het dorp.

Hij ging naar de moeder van Kongoniense vragen.

De menschen van het dorp spraken, alzoo: Hij, Kongoniense komt zijne

moeder halen, wel, 't is goed! Maar, als wij hem zullen een bosch

aanwijzen, en hij, als hij op een boom één kappen kapt, en als 't heel

bosch omvervalt, dan neemt hij zijne moeder terug; maar eerst zullen

wij hem nog 't plein van 't dorp toonen, en als hij één keren keert en

het plein is gekeerd, dan krijgt hij zijne moeder terug. Daarna laten

wij hem binnenkomen in een huis, en hij kiest tusschen de kisten,

de kist waar zijne moeder inligt!

De Lijkworm, toen hij deze zaken hoorde, vertrok waar de anderen

gebleven waren. De Lijkworm vertelde hun de voorwaarden, gelijk de

menschen van 't dorp ze hem gesteld hadden, hoe Kongoniense zijne

moeder zou terugkrijgen. Daarna vervolgde hij: Gij, Kongoniense,

eer dat gij het huis binnentreedt, ik, ik ga voorop en de kist

waarop ik val, die neemt gij op. Maar aan den ingang van 't dorp is

't opperhoofd bezig met palmnoten aan 't verbrijzelen met een steen;

als wij daar aankomen, dan vallen wij op ons knieën en wij groeten

hem bij handgeklap [79].

Zij vertrokken en zij kwamen waar 't opperhoofd was, en zij groeten

bij handgeklap: Gegroet, opperhoofd!

Zij kwamen in 't dorp en zij werden er goed ontvangen, en men deed

veel kiekens voor hen dood.

De avond viel, alles was stil in 't dorp. Dien nacht had de Houtworm

al de boomen van 't bosch doorknaagd. Toen de zon opgegaan was en

het klaar geworden was, gaven de menschen van 't dorp een bijl aan

Kongoniense, alzoo: Als gij 't bosch afkapt in één kappen, dan neemt

gij uwe moeder.

Kongoniense nam 't bijl en hij ging en hij kapte één kappen op een

wilden katoenboom en de Wind kwam op en heel 't bosch viel met een

hevig gedruisch en lag omver. De inwoners van 't dorp, toen zij

hoorden dat gansch het bosch omver viel, spraken alzoo: Zijn moeder

zal hij terughebben.

Hij kwam terug in 't dorp, en zij gaven hem een besem. De Wind viel op

den besem, en hij keerde één keren: Na kwâ [80]. Alles was rein. Het

plein was gekeerd.

Hij kwam; en de bewoners, alzoo: Nu, kom en ga dat huis daar binnen.

En hij ging binnen, maar de Lijkworm was vooropgegaan en viel op

een kist. Kongoniense vatte die kist op en zij vertrokken en hij

kwam terug in zijn dorp. Hij hield groote feest, deed de kist open,

en hij zag zijne moeder; zij leefde en zij was jonger geworden,

heel schoon en schoon.

Kongopatakasa, die dat zag, hoe de moeder van Kongoniense

verjongerd was, brak zijn huis af, de stortregen viel en de moeder

van Kongopatakasa werd weggespoeld. Hij ging op weg, en hij zocht,

hij zocht, hij zocht, zij was niet zichtbaar.

Gedurende den nacht, terwijl hij aan 't slapen was, had hij een droom,

alzoo: Uw moeder is bij God den opperste, maar koop negen kruiken

palmwijn en gij zult ze terugvinden.

En hij kocht negen kruiken palmwijn en hij ging op weg, en hij kwam

den Egel tegen. De Egel, alzoo: Waar gaat gij henen?

En hij, alzoo: Als men u gras toont, gij eet het, daaraan weet men,

dat gij egel zijt [81].

Hij ging en hij kwam den Lijkworm tegen, die hem vroeg: Waar gaat

gij henen?

Hij, alzoo: Gij op uw vleesch dat rot is, daar leeft gij op en aldus

kent men u.

En hij ging voort, en hij kwam den Houtworm tegen, die hem vroeg:

Waar gaat gij henen?

Hij, alzoo: Gij, als men u zegt: Knaag uwe boomen, en zoo kan men

u kennen.

En hij ging verder en hij kwam den Wind tegen, die hem vroeg: Waar

gaat gij henen?

Hij, alzoo: Gij, als gij uwe boomen doet wiegelen, aldus kent men u.

Hij ging en ging en ging, de weg was verloren. Om te gaan, hij wist

het niet. Hij kroop 't hooge gras binnen, en hij klom op boven op

den berg, tot aan het dorp. Hij zag 't opperhoofd, die bezig was

zijn palmnoten aan 't verbrijzelen. Hij, alzoo: De opperhoofden,

die hier zijn, zijn slecht!

En hij ging tot in 't dorp en hij vroeg naar zijne moeder. De inwoners

van 't dorp, toen zij hem een bosch gewezen hadden, alzoo: Indien

gij in één kappen 't bosch afkapt, dan krijgt gij uwe moeder.

Hij ging, hij kapte één kappen op een boom, en de boom viel niet omver.

Hij kwam terug in 't dorp, aldus: Dien boom, dien kan ik niet.

En zij toonden hem het plein. En hij keerde en keerde, en hij kon

het niet. 't Zweet liep over zijn lichaam.

De inwoners, alzoo: Wel, ga dat huis binnen, neem uw moeder.

Hij ging 't huis binnen. Toen hij de kist genomen had, vertrok hij

naar zijn dorp. Hij noodigde de menschen uit, die in den omtrek waren,

dat zij feest kwamen houden; zijne moeder was immers weergevonden.

De gestelde dag, toen hij verschenen was, nam hij de kist, sloeg ze

open en... slangen kwamen er uit.

Allen die op 't feest waren, gingen loopen. Hij, Kongopatakasa nam

ook de vlucht en hij ging sterven van verdriet.

Mvwila.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 41 / 153 题