DE VERSTANDIGE ZOT

Een zot was met zijne moeder en zijn vader. Zij hadden vele geiten

en verkens en kiekens.

Op zekeren dag was zijn vader de rivier overgestoken, om koophandel

te drijven. De zot bleef bij zijne moeder.

De Luipaard kwam een geit stelen. De kleine kinderen van 't dorp,

alzoo: Heer Zot, de geit van uwen vader, de Luipaard heeft ze gestolen.

Hij, aldus: Mijne moeder heeft mij gebaard en daarmee ben ik

tevreden. Wat kan ik anders wenschen?

En zoo, den eenen keer na den anderen, had de Boa het verken gestolen;

de Civetkat stal een kieken, en zijne moeder, toen zij naar de rivier

ging met een kleinen jongen, had de Crocodil haar gevat. De kleine

jongen was opgeklommen naar 't dorp, alzoo: Heer Zot, uwe moeder,

de Crocodil heeft ze gevat.

Hij, alzoo: Mijne moeder, zij heeft mij ten minste gebaard.

En de tijd vervloog en vervloog en vervloog. En hij maakte een

toovermiddel en hij nam een kleine trommel, en hij ging naar 't hooge

gras, dicht bij de rivier. Hij vlocht een langen dragerskorf, en hij

legde hem daar neer, en hij begon te trommelen.

De Civetkat kwam te voorschijn, alzoo: He, Meester Zot, wat is er? Wat

doet gij?

Heer Zot, alzoo: Die mijne hen gestolen heeft, ben ik bezig aan

't betooveren.

Zij, de Civetkat, alzoo: He, mijn beste, ik heb ze gepakt. Sedert ik

ze gepakt heb, nog geen pluimken heb ik er van uitgetrokken. In mijn

dorp is zij; zij heeft tien eiers gelegd.

Hij, alzoo: Ga, en breng ze mij.

En de Civetkat trok op en zij ging de hen halen en zij bracht ze.

Heer Zot, aldus: Gij, moeder Civetkat, leg de hen daar; en gij,

blijf hier.

En hij legde de Civetkat in 't begin van den dragerskorf.

Toen hij de trommel weer speelde, kwam de Luipaard te voorschijn,

en hij zegde: Wat doet gij, Heer Zot?

Heer Zot, aldus: Die mijne geit gestolen heeft, ben ik bezig aan

't betooveren.

En hij, de Luipaard, alzoo: He, mijn vriend, ik stal ze. In mijn dorp

is zij; zij heeft tien jongeren gebaard.

En hij, alzoo: Ga en breng ze mij.

De Luipaard trok op en hij ging de geit halen met haar tien jongeren

en bracht ze.

Heer Zot, aldus: Gij, Luipaard, laat de geit daar staan, en kom hier,

waar de Civetkat is in den dragerskorf.

Toen hij weer trommelde, kwam de Boa te voorschijn en sprak, aldus:

Wie is daar bezig en wat is er?

En hij, alzoo: Die mijn verken gestolen heeft, ben ik aan 't

betooveren.

De Boa, aldus: Uw verken, ik heb het gestolen, in mijn dorp is

het. Twintig jongeren heeft het gebaard.

Heer Zot, sprak aldus: Ga naar 't dorp en breng mijn verken met

de jongskens.

De Boa ging en hij kwam aan.

Heer Zot, aldus: De verkens, bind ze daar vast, waar de geit is,

en gij, kom hier bij den Luipaard.

Toen hij weer getrommeld had, kwam de Crocodil af en sprak, alzoo:

Wat scheelt er, dat gij dat lied zingt?

Heer Zot, aldus: Die mijne moeder gevat heeft, ben ik aan 't

betooveren.

De Crocodil, aldus: Sedert ik haar gevat heb, in 't dorp is zij en

zij zit op een biezenmat; alle dagen bestrijkt zij haar met rood.

Heer Zot, sprak aldus: Ga en breng ze hier.

En de Crocodil trok op.

Wanneer de Crocodil gekomen was, zegde Heer Zot, alzoo: Laat mijne

moeder daar staan, en gij, kom hier.

Toen hij ze allen in den dragerskorf geplaatst had en de Civetkat

en den Luipaard en den Boa en de Crocodil, sneed hij banaanbladeren

af; hij hield ze boven 't vuur om ze een weinig te verdrogen en hij

bedekte den dragerskorf er mede en hij bond hem vast en hij trok met

hevige kracht [82].

De Luipaard sprak alzoo: Wo! Wat doet gij, Heer Zot?

Hij, Heer Zot, alzoo: 't Is geen erg, blijf maar stil.

En hij maakte den dragerskorf vast.

Toen zegde hij aan zijne moeder, alzoo: Gij, ga voorop.

De geiten en de andere dieren volgden haar en hij sprak, alzoo:

Ga langs dien weg naar huis.

Toen nam hij den dragerskorf op zijne schouders, en hij zwierde en

zwaaide hem onderweg.

De Civetkat, alzoo: Waar wij henengaan, waar is 't ergens?

En hij alzoo: Het toovermiddel wil ik u kwijt geraken. Ik ook, toen

ik het ontvangen heb, heeft men mij ook zoo behandeld.

Toen gingen zij de brug der rivier over, en in 't midden van de brug

gekomen, wierp hij den dragerskorf in de rivier. En allen stierven,

allen.

En hij trok naar zijn dorp en hij deed eene geit dood en hij spijsde

zijne moeder.

Toen zijn vader terugkwam, gaf hij hem ook een verken, alzoo: Ik,

toen ik hier bleef, had men mij alles gestolen; vandaag heb ik alles

teruggevonden. En hij hield groote feest.

Ndewa.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 42 / 153 题