Op zekeren dag kwam de Kakkerlak palmwijn bestellen bij den
Palmwijntrekker, alzoo: Toekomenden Nkandu [70], de palmwijn die gij
aftrekt 't is de mijne.
De Palmwijntrekker, alzoo: 't Is goed.
De Haan ook, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn, 't is de mijne.
De Palmwijntrekker, alzoo: 't Is goed.
De Steenmarter ging daar ook, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn,
't is de mijne.
De Palmwijntrekker, alzoo: 't Is goed.
De Hond ging daar, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn, 't is
de mijne.
De Palmwijntrekker, alzoo: Al tien kruiken palmwijn moet ik aftrekken;
maar 't is goed.
De Boa ging daar ook, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn, 't is
de mijne.
De Palmwijntrekker, alzoo: 't Is goed.
De Kleine Muis [71] ging daar ook, alzoo: Toekomenden Nkandu, de
palmwijn, 't is de mijne.
De Palmwijntrekker, alzoo: 't Is goed.
De dag van den Nkandu was verschenen.
De Kakkerlak kwam de eerste aan, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker,
geef mij den palmwijn.
De Palmwijntrekker alzoo: Zit neer, kom, eet luku [72] en muizen.
En hij at, 't was gedaan.
De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.
De Haan kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den
palmwijn.
De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.
En hij at, 't was gedaan.
De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.
De Steenmarter kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij
den palmwijn.
De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.
En hij at, 't was gedaan.
De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.
De Hond kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den
Palmwijn.
De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.
En hij at, 't was gedaan.
De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.
De Boa kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den
palmwijn.
De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.
En hij at, 't was gedaan.
De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.
De Kleine Muis kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij
den palmwijn.
De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.
En hij at, 't was gedaan.
De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.
De Palmwijntrekker deed ze allen buitenkomen, alzoo: Komt buiten,
komt uwen palmwijn nemen.
Zij kwamen uit de kamer. Hij schonk eene kruik uit, alzoo: Deze kruik
drinkt gij. Toekomenden Nkandu, komt dan terug.
En hij schonk een kopje uit, alzoo: Neem aan.
En hij gaf het aan de Kakkerlak, die dronk.
Hij schonk er weer een uit, en hij gaf het aan den Haan.
De Haan, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij een toemaatje.
De Palmwijntrekker, alzoo: Ik, ik heb geen toemaatje; al wat gij ziet,
vat het en eet.
De Haan wilde den Kakkerlak pikken.
De Steenmarter, alzoo: Wo! [73] Ziet ge, gij Heer Haan, als de
Kakkerlak gedronken had, hij vroeg geen toemaatje. En gij, als gij
drinkt, gij vraagt alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij een
toemaatje.
De Steenmarter voegde er bij, alzoo: Dat ding hebt gij uitgevonden.
De Haan slikte de Kakkerlak in.
De Steenmarter, alzoo: Vader Palmwijntrekker, geef mij den pot,
dat ik volge.
De Palmwijntrekker schonk den pot vol, en hij gaf dezen aan den
Steenmarter.
Als hij gedronken had, alzoo: Vader Palmwijntrekker, geef mij een
toemaatje.
De Palmwijntrekker, alzoo: Ik, ik heb geen toemaatjes. Gij, toemaatjes
vraagt gij mij, waar zou ik ze halen? Ten minste gaat gij malkander
opeten. Al wat gij ziet, vat het en eet.
De Steenmarter slikte den Haan in.
De Hond, alzoo: Ziet ge, Meester Steenmarter, hoe gij gehandeld
hebt? Wel schenk in, Vader Palmwijntrekker, geef mij een kopje,
dat ik drinke.
De Palmwijntrekker schonk in en gaf het.
De Hond, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij een toemaatje.
De Palmwijntrekker, alzoo: Ik, ik heb geene toemaatjes.
De Boa, toen hij dat hoorde, alzoo: Wo! Dat toemaatje, dat gij vraagt,
wie gaat gij opeten?
De Hond, alzoo: Dengene dien ik zie, slik ik binnen.
En hij vatte den Steenmarter, en hij slikte hem in.
De Boa, alzoo: A, ziet ge, vermits gij geëten hebt. Wel, Vader
Palmwijntrekker, geef mij een kopje palmwijn, dat ik ook drinke. Wij
eten malkander op, 't is niets.
Vader Palmwijntrekker gaf hem een en hij dronk, alzoo: Wel, geef mij
een toemaatje.
De Palmwijntrekker, alzoo: Ik, ik heb geen toemaatjes Al wat gij ziet,
vat het en eet.
En de Boa vatte den Hond en slikte hem in.
De Kleine Muis, alzoo: Wo! Wij twee, wij blijven over. Wij zullen
onze krachten meten, wie de sterkste is.
De Boa, alzoo: Gij, wie kent u niet? Gij hebt eenen mond die overgeeft.
De Kleine Muis, alzoo: 't Is niets. Maar, gij, Vader Palmwijntrekker,
geef mij palmwijn dat ik ook drinke.
De Palmwijntrekker gaf haar een kopje, en zij, toen zij gedronken had,
alzoo: Geef mij ook een toemaatje.
De Boa, alzoo: Gij, wie gaat gij inslikken, vermits gij een toemaatje
vraagt? Ben ik het misschien die gij gaat inslikken? Hoe kunt gij
mij? Hebt gij mij aangeduid? 't Is goed. Vandaag ik en gij, wij gaan
malkander beproeven.
De Kleine Muis, alzoo: Ik ga den koker blazen.
De Boa, alzoo: Wat! Gij zult den koker niet blazen. Indien gij blaast,
dan zult gij afzien.
De Kleine Muis: Ik, blazen ik blaas.
De Boa, alzoo: Blaas niet.
De Kleine Muis, alzoo: Ik zal blazen.
De Boa, alzoo: Wel nu, als gij blaast, dan zal ik u slaan.
De Kleine Muis blies den koker, en zij sneed met hare tanden den
Boa in negen stukken, en de Kleine Muis begon in te slikken. Maar de
negen kon zij niet. De buik was te klein. Maar zij sprak alzoo: Wij,
de Kleine Muizen, die men Niungi heet, luistert wel. Al de muizen zal
men eten, maar mij zal men vluchten om den stank, dat ik den Boa [74]
opgeëten heb.
En zij vroeg aan den Palmwijntrekker, alzoo: Geef mij een kopje
palmwijn, Vader, dat ik drinke. Mijn hart brandt van den dorst,
dat ik het lave.
De Palmwijntrekker gaf haar een kopje, en zij dronk alzoo: Geef mij
den palmwijn, ik vertrek. 't Is gedaan met ons op te eten.
En hij gaf een volle kruik palmwijn, en zij vertrok en zij ging zich
beroemen, alzoo: Ik heb den Boa ingeslikt. Vandaag als er iemand met
mij twist, die zal pijn afzien.
Sedert dien tijd komt men aan geen Niungi aan, omdat zij van den Boa
geëten had.
Ndembo.