Heer Fungwa was een schoon jongeling. Op zekeren dag, was hij gaan
wandelen in een dorre streek; hij kwam een schoone jonkvrouw tegen,
haar naam was Miese.
Heer Fungwa sprak alzoo met den mond: He gij daar, vrouw, geef mij
water, dat ik drinke, want mijn hart brandt mij met een branden van
den dorst om water.
Dan zei de jonkvrouw ook met den mond, alzoo: Drink maar, vader man
[66], aan mijne kruik.
En heer Fungwa ook, vatte de kruik en hij dronk er aan.
Toen Heer Fungwa gedronken had, zegde hij deze zaak met den mond alzoo:
O gij deze vrouw, wie is uw verloofde?
En de jonge vrouw met den mond, alzoo: Ik ben nog niet getrouwd, maar
mijn vader is dood, hij. Maar toen hij dood ging, riep hij uit, alzoo:
Vandaag, 't is mijn sterven, maar ieder man, die mijn dochter Miese
trouwt, vraagt hem geen geld, maar alleenlijk dat hij den doodenzang
kome aanheffen, en dat die zang zich verspreide in heel de omstreek,
en hij, hij trouwt mijne dochter. Maar dien doodenzang, dat hij hem
kome aanheffen, daar waar ik aan 't droogen lig [67], waar men mij
beweent, ik haar vader.
Zoo uitte zich mijn vader aan mijne moeder en aan mijne ouden.
Heer Fungwa, toen hij dit hoorde, sprak met den mond alzoo: 't Is wel,
ik zal dien doodenzang komen aanheffen waar men uw vader gelegd heeft.
Zij, de jonge dochter ook, wilde niet redetwisten, en zij sprak alzoo:
't Is zoo wel, ik verlang u; kom den doodenzang aanheffen waar mijn
vader begraven ligt en dan word ik uw echtgenoote.
Heer Fungwa ging naar zijn dorp. En hij ging denken, en denken en
denken op dien doodenzang, dien hij ging aanheffen bij zijne verwanten,
maar hij kon dien hoegenaamd niet uitvinden.
Daarna ging hij Heer Ngundu Nkunga verwittigen, dat hij kome den
doodenzang aanheffen, daar waar zijn schoonvader begraven lag.
En Heer Fungwa droeg palmwijn mede naar Heer Ngundu Nkunga, en hij
zeide tot Heer Ngundu Nkunga, alzoo: He, mijn vriend Heer Ngundu
Nkunga, ik smeek u, laat ons gaan, en hef voor mij den doodenzang aan
bij mijn schoonvader, waar ik mijne vrouw trouw met den doodenzang
immers, en niet met geld, toen zij zegden, alzoo: Als gij den
doodenzang komt aanheffen, de vrouw, die den naam draagt van Miese,
dan wordt zij uwe echtgenoote. Maar sedert men mij dit gezegd heeft,
ik denk op dien doodenzang, en ik denk, ik denk, ik denk, en ik heb
hem nog hoegenaamd niet gevonden. 't Is daarom, dat ik gekomen ben
om u te vragen, maar ik ben niet ledig gekomen; daar, die kruik,
heb ik voor u medegebracht.
En dan had Heer Ngundu Nkunga zijnen palmwijn lief, en zij dronken hem
te zamen uit. En zij bepaalden den dag waarop zij tot hunne verwanten
zouden gaan.
De dag, toen hij aangebroken was, brachten zij te zamen tien
kruiken palmwijn, en vijf geiten en twee gesneden verkens en twintig
kiekens. Zij vereenigden ook eene bende van hunne slaven. En zij
gingen naar hun verwantschap. Toen zij daar aankwamen, zegden zij,
alzoo: Wij, wij weenen in den dag niet, in den nacht alleen weenen wij.
De verwantschap ook, alzoo: 't Is wel.
Dan wees men hun een slaapvertrek aan. Daarna gaven zij ook al de
zaken, die zij medegebracht hadden voor hun verwantschap.
Dan ging Heer Ngundu Nkunga, Heer Fungwa leeren, achter 't huis, alzoo:
Maar gij, Heer Fungwa, als wij zullen binnengaan in 't doodenhuis
om te weenen, daar waar uw schoonvader ligt, dan zult gij mij Ngundu
Nkunga vatten, gij zult mij onder uwen mantel verbergen, alzoo kan men
niet weten dat ik, Ngundu Nkunga, den doodenzang aanhef. Dit zullen
zij alleenlijk denken, alzoo: Heer Fungwa, hij, hij zelf heeft den
doodenzang aangeheven.
Dan ook viel de nacht. Alle man, en de menschen van 't dorp en zij
de vreemdelingen gingen de doodenkamer binnen.
Heer Fungwa ook nam Heer Ngundu Nkunga, stak hem onder zijnen
mantel. Heer Ngundu Nkunga zeide tot Heer Fungwa, alzoo: Als gij
een klop slaat onder den mantel waar ik ben, dan weet ik, dat ik den
doodenzang moet aanheffen.
Dan waren zij allen binnengetreden. Heer Fungwa ook kwam binnen en
ging zitten aan den kant van de voeten van zijn schoonvader.
En Heer Fungwa had een klop geslagen onder den mantel, waar Heer
Ngundu Nkunga zat. Dan hief Heer Ngundu Nkunga den doodenzang aan,
alzoo: E Nkandi yaya nkandi yiganga ngangu, kilelele! E, e!
En al de menschen zongen dien doodenzang en hij verspreidde zich in
gansch de omstreek.
Vijf dagen bleven zij daar, maar Heer Fungwa gaf Heer Ngundu Nkunga
geen eten, en hij verborg hem onder zijn mantel. En Heer Ngundu
Nkunga vermagerde.
En gedurende die dagen had men eetwaren verzameld om Heer Fungwa te
spijzen, en om zijne vrouw weg te zenden met hem; en zij slachtten
dertig kiekens, en twintig geiten en tien gesneden verkens en honderd
maniokbrooden. Dan gaf men hem zijne vrouw en zij ging met hem.
En zij gingen, zij gingen, zij gingen, en zij kwamen aan 't groote
woud van hun dorp. Heer Fungwa haalde toen Heer Ngundu Nkunga uit. Maar
Heer Ngundu Nkunga was vermagerd.
Dan sprak Heer Ngundu Nkunga met den mond, alzoo: Zie, ik Ngundu
Nkunga, waarlijk ik ben zoo vermagerd, om welke reden hebt gij,
Heer Fungwa, mij niets gegeven dat ik ete bij uw verwantschap? Ik
ook ik heb u den doodenzang aangeheven, waarmede gij uw echtgenoote
getrouwd hebt. Maar 't is niets. Maar geef mijne belooning, ik ga
naar mijn dorp.
En hij, Heer Fungwa, alzoo: He, broeder, vandaag heb ik geen geld om
u te betalen. Maar vandaag vier dagen [68] kom bij mij terug en ik
zal u betalen.
Heer Ngundu Nkunga, alzoo: Dat, dat is niets, ik ben gegaan.
De dag, toen hij verscheen, kwam Heer Ngundu Nkunga terug bij Heer
Fungwa om zijn belooning te ontvangen, maar Heer Fungwa brak zich
't hoofd en hij had hoegenaamd niets om Heer Ngundu Nkunga te betalen.
En Heer Ngundu Nkunga ging weenen op den weg tot aan zijn dorp.
En in 't seizoen dat de gevleugelde mieren uit den grond komen, Heer
Ngundu Nkunga ging Heer Vogelvanger verwittigen, dat hij kome en dat
hij hem Heer Fungwa snappe in 't net van vliegende mieren.
Dan ging Heer Vogelvanger 't net van vliegende mieren spannen in
't woud van Heer Fungwa.
En Heer Fungwa, toen hij 's avonds wilde wandelen in den omtrek van
zijn dorp, kwam hij die vliegende mier tegen, die hare vleugelen aan
't zwieren was, en hij zegde alzoo: Ik zal die gevleugelde mier,
die daar op den boom zit, gaan snappen.
Toen hij ze gepikt had, het net ook viel toe en Heer Fungwa was
gevangen in den strop en Heer Vogelvanger trof hem aan in zijn net. Hij
zegde, alzoo: He Fungwa, vandaag gaat ge in mijne soep.
Heer Fungwa ving aan Heer Vogelvanger te smeeken, alzoo: Laat mij los,
ik zal u een schoone belooning geven.
Maar Heer Vogelvanger, alzoo: Indien gij Heer Ngundu Nkunga bedrogen
hebt met zijne belooning, zoo zoudt gij mij ook niet bedriegen?
Hij, alzoo: Ik zal u niet bedriegen, gelijk ik Heer Ngundu Nkunga
bedrogen heb. Maar Heer Vogelvanger luisterde naar zijne woorden niet,
en hij sloeg slechts met den steel van zijn mes op den kop van Fungwa
en hij droeg hem naar Heer Ngundu Nkunga.
Heer Ngundu Nkunga was gansch verheugd, en hij ging zijne vrouw
Miese nemen en zij werd dus de vrouw van Heer Ngundu Nkunga om zijne
belooning, die hij niet gekregen had van Heer Fungwa.
Het vertelsel gaat recht, heel recht op den kop van wien?
Op dien kop van Fungwa [69].
Kisantu.