Ik geloof niet, dat ik sedert ik in Griekenland ben, een indruk heb

gekregen, die zoo sterk was als bij het zien van dit schouwspel. Dat

komt, doordien er inderdaad geen enkele tempel is, noch onder de

prachtige monumenten van Paestum en Girgenti, die in zoo dichterlijke

omgeving ligt en zoo, van uit de verte gezien, afgezonderd en eenzaam

daar op een woest gebergte zich verheft te midden van donkere rotsen

en dreigende steilten. Een puinhoop van dikke steenen omringt aan

alle kanten de zes-en-dertig zuilen, die nog hun architraven dragen

en precies den rechthoekigen vorm van het gebouw aangeven. Zoo is dan

ook de aanblik van het zoo goed bewaard gebleven gebouw verrassend;

er is hier geen marmer gebruikt, maar een soort van grijzen kalksteen,

die wonderlijk mooi samenstemt met den algeheelen indruk van het

landschap op dezen laten, donkeren, regenachtigen namiddag.

We betreden den tempel door den pronaos, gaan door de cella, nog

duidelijk aangegeven door de lijn der instortende muren, waarboven

de kale bergtoppen opsteken, en waar het gras groeit tusschen de

reten der steenen. Het lijkt ons, dat we aan het eind zijn gekomen

van een vrome bedevaart; ieder zwijgt, denkend aan de wonderbare

oudheid, aan de gewijde ceremoniën, waardoor de glorie en de macht

werden verheerlijkt van die goden, die nu begraven liggen onder de

puinhoopen van hun altaren in de grootsche en plechtige omgeving van

de droevig stemmende natuur.

Die herinneringen bestormen in massa onzen geest, en enkele

oogenblikken later bereiken we den nabijzijnden top van den Kotylion,

van waar men het uitzicht heeft op een wijd bergenpanorama. Ik herken

den Taygetos, de vlakte van Messenië, de golf van Kalamata, nauwelijks

zichtbaar in den opkomenden nevel; de sneeuw van den Erymanthos is

in het Noorden zichtbaar, en dichterbij zien we het dal der Alpheus

en de eentonige lijn van de golf van Kyparissia. Maar de blik wordt

als vastgehouden door het heiligdom van Apollo, dat aan onze voeten

ligt, vol majesteit in de eeuwenlange vergetelheid en waar groote

roofvogels boven zweven. Met een diep bewogen gemoed en onder den

indruk dier hooge kunst, dalen we eindelijk weer af door de bloeiende

bremstruiken en door eikenboschjes, die alleen voor ons het eeuwige

lied der lente zingen en die ons schijnen te zeggen, dat ten minste

niet alles dood is op deze plek....

Geduldig wachten ons de agoyaten, pratend met een zonderling wezen,

uit ik weet niet wat voor hol gekropen. Is het wel een man, niet

eerder een vrouw? Welk bestaan leidt het? De kleeding doet het eerste

vermoeden, maar het fijne gezicht, de lange haren, de zachte en

droeve oogen doen ons aarzelen. Onnoodig, pogingen aan te wenden,

om het wezen aan het spreken te brengen; het kijkt ons vast aan,

zonder de lippen te openen en wij moeten weer vertrekken, zonder het

geheimzinnig raadsel te hebben opgelost. De avond valt; nog eenmaal

werpen we een blik op de zuilen, die weldra in een terreinplooi zullen

verdwijnen en we slaan den terugweg in.

Het is donker onder de boomen, en de paarden struikelen telkens; maar

we moeten haast maken, om aan een lange, moeilijke, nachtelijke reis

te ontkomen. Maar ondanks onze pogingen en trots de flinkheid van onze

paarden is het donker, als we tegen acht uur eindelijk te Andritsena

aankomen. Panayotti wacht ons, om ons naar het gastvrije huis te

geleiden van een notabele uit het stadje, waar we hopen degelijk

te kunnen uitrusten van de vermoeienis der beide zware dagen. Daar

wacht ons een aangename verrassing; zachte matrassen liggen op den

parketvloer der kamers, die eenvoudig en zindelijk zijn; alles ademt

hier welstand en een zeker comfort, die beide prettig afsteken bij de

armoede der woningen, tot nu toe door mij gezien in Griekenland. Wij

kunnen onze oogen niet gelooven en zijn nog onder de bekoring, die bij

ons wordt gewekt door de gedachte aan een te verwachten goeden nacht,

als zich een statige heer in de deur vertoont en de eer verzoekt van

ons bezoek aan de stedelijke bibliotheek, waar, naar het schijnt,

eenige oude fransche boeken aanwezig zijn uit den tijd der frankische

bezetting. Die perkamenten zijn, daar twijfelen we niet aan, uiterst

belangrijk, maar het oogenblik komt ons heel slecht gekozen voor,

om ze te bezichtigen.

Wij kijken elkander eens aan, en ons gelaten in ons lot schikkend,

volgen we zonder geestdrift den braven man, die gelukkig is door

het genoegen, dat hij ons meent te verschaffen. Eenige oogenblikken

later zijn we in de groote zaal der helleensche school, waar bij het

licht van een waskaars, door den priester vastgehouden, we in haast

de interessantste planken nagaan. Maar de vermoeidheid is grooter dan

onze moed; ondanks alles glijden onze oogen, zonder te zien over de

manuscripten, die het misschien de moeite waard zou wezen, rustig te

onderzoeken, en na vele dankbetuigingen bereiken we zoo gauw mogelijk

ons logies.

We werden eerst om zes uur den volgenden morgen wakker, juist op

het oogenblik, toen de roode zonneschijf, van achter de bergen te

voorschijn komend, een groot vuur schijnt te ontsteken. Het belooft een

prachtige dag te worden, en vroolijk gestemd, zoeken we onze paarden

op, die ons wachten met dezelfde agoyaten van den vorigen dag, om

ons aan de golf van Kyparissia te brengen naar het kleine station

Boezi, waar de spoorweg van Pyrgos langs gaat. Het vriendelijke

dorp Andritsena, van waar men een uitzicht heeft naar het Noorden

tot de toppen van den Olonos, half wegschuilend in den morgennevel,

verdwijnt weldra in zijn bed van groen.

Dan volgt er eerst een aangename rit over zacht en bebloemd gras, waar

gele margarieten licht zich wiegelen op den wind en nog vochtig zijn

van den nachtelijken dauw; er staan primula's naast anemonen en roode

papavers, terwijl verderop lange reeksen eglantieren hun wortels baden

in de heldere bedding der beken. Maar spoedig gaat het pad stijgen;

we rijden door een boschrijke streek, en dan komen weldra steenen

met magere struiken en de uitloopers van kale gebergten. Gedurende

meer dan drie uren beklimmen we aldus zonder ophouden steile toppen,

waar de weg over loopt, om dadelijk aan de andere zijde weer te dalen.

De agoyaten, springend van steen op steen, glijden telkens uit,

terwijl de wortels en takken hun tegen de beenen slaan; maar ze zijn

te opgewekt, dan dat het hen zou verhinderen, luide te zingen. Soms

laat een van hen een keelklank hooren, waarop het voorste paard

zijn gang versnelt en dan weer kalm gaat draven; de anderen volgen

en daar gaan onze mannen aan den haal onder het lachend geroep van:

"Aïdé, aïdé!" om hun beesten nog maar meer aan te zetten. Maar we

vragen al gauw om genade, want het is niet mogelijk, zoo'n proef lang

te doorstaan op zulke wegen. De groote kinderen, die zich te onzen

koste hebben vermaakt, gaan dan kalm hun gezang weer voortzetten.

Tegen elf uur vertoont zich het eenige dorp, dat we den geheelen dag

te zien zullen krijgen; na een korte rust in de schaduw van de huizen

beginnen we de helling van den pas te bestijgen, aan welks andere

zijde zich het dal van de Neda bevindt. Het is moeilijk stijgen in

den onverbiddelijken zonneschijn; maar het schouwspel, dat ons boven

wachtte, beloonde wel voor de inspanning. Door reusachtige bosschen,

die in zachte helling een groen tapijt spreiden tot beneden aan de

zee, kronkelt zich de rivier sierlijk over de gele steenen. We hebben

nu het aangename vooruitzicht, onder de groote boomen te rijden,

verkwikt door de nabijheid van het koele water. Maar eerst moeten de

paarden rusten, en wij maken van de halte gebruik, om te ontbijten

niet ver van een bron, waar vrouwen haar armoedige linnen wasschen.

Dadelijk daarna de prettige rit onder de boomen in de heerlijke

schaduw, die aan de boschjes van Frankrijk doet denken. Beneden in het

dal aangekomen, volgen we aanvankelijk den rechtschen oever van den

stroom, om daarna te waden naar den linkeroever. Vijfmaal achtereen

moet diezelfde overtocht worden volbracht; onze agoyaten hebben hun

schoenen uitgetrokken en loopen door het water, en als dat laatste tot

hun knieën stijgt, springen ze vlug op de schouders van hun voorganger,

om niet nog dieper te zinken.

Op dit oogenblik gebeurt er iets komieks. Panayotti, die zich wijselijk

langs den geheelen weg in de achterhoede van de karavaan had gehouden,

op het muildier, dat het proviand droeg, wil een bewijs geven van

zijn onafhankelijkheid en op eigen wieken drijven. Maar het bekomt

hem slecht. Toen hij zich juist midden in de rivier bevindt, gaat

het zadel, waarop hij is gezeten, verschuiven, en in een oogenblik

is onze tolk te water geraakt, broederlijk vereenigd met de mand

met eieren, de blikjes en de waterflesschen. De drenkeling, die zelf

zijn redding bewerkstelligt, komt geheel doorweekt weer aan den wal

en houdt triomfantelijk alle proviand omhoog. Hij wordt omringd en

met vragen bestormd, en toen we de opmerking maakten, dat dit niet

precies de juiste behandeling is voor de rheumatiek, waaraan hij lijdt,

haalt hij grappig de schouders op en wijst naar de zon, die inderdaad

zich haast, al het vocht van het onvrijwillige bad op te zuigen.

Een half uur later zijn we te Boezi, waar de beschaving, die wij uit

het gezicht hadden verloren sinds drie dagen, zich aan ons voordoet

in de gedaante van de rails van den spoorweg. En onder het wachten

op den trein, liggend onder de olijven, beginnen wij de bekoring

van dit vrije leven recht te waardeeren, wetend, dat we het zullen

betreuren. De scherpe fluit van een moderne locomotief stoort ons in

onze droomerijen.

Van Boezi naar Pyrgos heeft men maar drie uren te sporen. Door de

raampjes van ons compartiment, waarvan de schokken al heel onbeduidend

schijnen na de ritten van Andritsena en Bassae, begroeten wij voor de

laatste maal het lachende en grootsche dal der Neda, dat de spoorweg

passeert over een brug, om daarna langs het lage, vlakke strand te

midden van rijke wijngaarden te belanden aan het zuidelijk uiteinde

van het meer van Kaïapha, enkel van de zee gescheiden door een smalle

strook lands en waar de visch, naar het schijnt, overvloedig is.

De trein gaat langs den oever, waar de netten hangen te drogen,

houdt een oogenblik op te Kaïapha, waar zwavelbaden met die van

Loetrako bij Korinthe en die van Aedipso op Euboea dingen om de

gunst der helleensche clientèle, overschrijdt de hoogte, waar men

de ruïnen vindt van de versterkte vesting Samikon en komt eindelijk

over Agoelenitza en de prachtig bebouwde velden aan de lagune bij

het station Pyrgos, waar we tot acht uur des avonds op de aansluiting

naar Olympia moeten wachten.

Wat al dien tijd anders te doen dan door de stad te wandelen, die

intusschen niets belangwekkends heeft? Ze lag vroeger veel dichter

bij de zee dan tegenwoordig, maar de aanslibbing van de Alpheus heeft

langzamerhand de kustlijn verlegd. De citroen- en moerbeiboomen en

de olijven groeien er heerlijk in de moerassige vlakte, waar veel

veen in den grond zit, en waar wijngaarden een der beroemdste wijnen

uit den Peloponnesus leveren. Pyrgos, dat na Patras en Kalamata

het belangrijkste handelscentrum is, voert over Katakolo groote

hoeveelheden krenten uit. Al die zaken geven aan de stad een voorkomen

van welvaart, dat aan den dag treedt in de hoofdstraat met haar vele

winkels; het is er zoo vol, dat we nauwelijks vooruit kunnen komen.

Hier zijn we weer eens het voorwerp van een onbescheiden

nieuwsgierigheid, waar ten slotte een gendarme medelijden mee

krijgt. Een vlugge uitdeeling van eenige muilperen links en rechts, die

in het Oosten het meest doeltreffende argument zijn van een miskende

overheid, maakt weldra onzen weg vrij, en we kunnen onze wandeling

voortzetten, voorafgegaan door onzen redder, die de gewone belooning

voorziende, niet van ons af is te slaan. Na met hem het verre panorama

te hebben bewonderd van het eiland Zante, dat in een rooden nevel

zich baadt in het licht der ondergaande zon, en na ons natuurlijk te

hebben opgehouden in een der café's van de stad, om er raki, olijven

en turksche koffie te gebruiken, bereiken we het station weer, waar

al spoedig de trein voor Olympia, komend van Patras, binnenkomt.

En nu volgt een kort nachtelijk reisje van nauwelijks een uur door

een licht golvend, door de maan beschenen land. Eindelijk houdt de

trein aan een klein station stil, dat geheel donker is en waar de

dienstmannen en hôtelbedienden spoedig zich van onze bagage hebben

meester gemaakt. Eenige oogenblikken later sluit zich de deur van

het Groote Spoorweghôtel achter ons. Het is oogverblindend, mollige

tapijten liggen in de corridors en op de trappen; de kamers zijn zeer

zindelijk, en er is overvloedig electrisch licht. Men mag aannemen,

dat de waakzame oplettendheid van onze Touring Club hier aan het werk

is geweest, en dat het land bijna dagelijks wordt bezocht door rijke

vreemdelingen, die men op alle manieren het naar den zin moet maken,

opdat diegenen, die worden aangetrokken door den roep van Olympia,

ook den lof kunnen zingen van de hôtels aldaar.

Welk een verschil met de onmogelijke verblijven, waar we de laatste

nachten hebben doorgebracht! Wat een weelde, hoeveel comfort, maar

ook welk een ontzettende banaliteit! We verbazen ons over alles,

over de duizenderlei kleinigheden, die zoo onontbeerlijk lijken

in het dagelijksche leven, en waar wij het toch drie dagen lang

wonderwel buiten hebben kunnen stellen. Maar onze met stof bedekte

kleeren, onze gezichten, die geen water hebben gevoeld en niet met

het scheermes in aanraking zijn geweest, zouden ons doen gelijken

op een troep boeren van de Donau, plotseling in de tegenwoordigheid

gebracht van de ongekende wonderen der moderne beschaving. Dit alles

is zonder twijfel aangenaam, maar ik blijf er niettemin bij, dat een

reis in Griekenland, om iemand waarlijk kunstindrukken te geven, meer

onverwachts moest meebrengen. Onze hedendaagsche gewoonten vloeken,

om zoo te zeggen, met de hier grijpbare overblijfselen uit de oudheid;

ze passen wel slecht bij de nog primitieve zeden der tegenwoordige

Hellenen en bij de te weinig bekende pracht van het landschap.

In ons tegenwoordig Europa, dat gebanaliseerd is door de spoorwegen, de

reisagentschappen en de prentbriefkaarten, is Griekenland nog een der

te weinig talrijke landen, waar de toerist een mooie onafhankelijkheid

kan genieten en de vreugde mag voelen of ten minste de illusie mag

koesteren, dat hij moedig weinig betreden paden heeft gekozen. Laat

ons hem zoo lang mogelijk vrij laten en hem in de gelegenheid stellen,

zijn onderzoek voort te zetten; laat ons niet al te veel haast maken

met het moderniseeren van het land en laat ons doordrongen zijn van

het besef, dat comfort de vijand is van het schilderachtige en dat,

om dat laatste te vinden, we het eerste moeten kunnen opofferen.

De heer Benner, met wien ik mijn kamer deel, is te veel kunstenaar,

om het niet met mij eens te zijn, en wij zouden nog lang over dit

onderwerp hebben doorgepraat, als de groote vermoeienis van den dag

ons niet had bewogen, om eindelijk het welbehagen te genieten van

de aanlokkelijke bedden met de spierwitte lakens. Toegevend, dat de

beschaving toch ook wel iets goeds heeft, slapen we in, in slaap

gewiegd door het gekwaak van duizenden kikkers in het stilstaande

water der moerassen.

Niemand gaat tegenwoordig naar Griekenland, zonder een bezoek te

brengen aan Delphi en Olympia, die beide archeologische middelpunten,

waar alles is opgegraven door de fransche en duitsche scholen,

waardoor de leeken zich een denkbeeld kunnen vormen van de pracht

der Oudheid. Het laatste was minder een stad dan wel een groot

heiligdom, waar altaren waren voor de meeste goden en waar prachtige

periodieke feesten werden gegeven, bekend onder den naam van Olympische

spelen. Er was alle macht van het Christendom noodig, om eindelijk

aan dien eeuwenouden eeredienst een einde te maken. De tempels vielen

langzamerhand in puin, de olijvenbosschen, die hun schaduw wierpen

over de altaren, werden de prooi der vlammen, de barbaren kwamen en

de aardbevingen voltooiden het werk der menschen. Ze overdekten met

een dikke laag aarde de oude schatten, die thans weer aan het licht

zijn gebracht.

Daarom is er niet veel over van al die pracht; de monumenten zijn

gesloopt; sommige gaan nog schuil in het hooge gras, andere laten niet

anders zien dan de treurige massa van hun fondamenten. En een gevoel

van onzegbare droefenis, gelijk aan dat, wat men ondervindt bij het

bezoek aan een doodenstad, komt over ons, als we door de poort der

processies binnenkomen in de reusachtige, gewijde ruimte of de Altis,

waar zich alle tempels bevonden. Dat ruime vierkant, aangelegd tegen

de groene helling van den berg Kronos, gelijkt veel meer op de werf

van een steenhouwer dan op een archeologische reconstructie, en men

is eigenlijk verbaasd, er niet de slagen te hooren van hamers of het

geknars van zagen.

Noch het Heraion, de oudste, zegt men, van de bekende dorische tempels,

noch die van Herodes Atticus, een der romeinsche maecenassen van

Griekenland, die met groote kosten naar het terrein der offeranden

het water liet voeren, dat er ontbrak, noch het Terras der schatten,

waar een reeks kleine kapelletjes stond, die met de offeranden van de

steden ook de trofeeën bevatten, door die steden in de gymnastische

spelen behaald, noch het Stadion, noch zelfs de reuzentempel van

Zeus, waarvan niets over is dan de onderlaag van grijs tufgesteente,

kunnen den somberen indruk uitwisschen, op ons teweeggebracht door

den aanblik van de onherstelbare ruïne.

Toch krijgt men van daar een overzicht van het geheele terrein der

ruïnen, vanaf het Metroon of den tempel van de moeder der goden,

tot het Paleis van den Olympischen Senaat, van het Hippodroom en het

huis van Nero, dat hij zich had laten bouwen, om de spelen te kunnen

bijwonen, tot het reusachtige Leonidaeon dat, met het Prytanaeum, de

beroemdste bezoekers ontving. Maar dat alles is thans niet anders dan

een opeenhooping van voetstukken, die daar eenzaam en verlaten staan

of van afgebroken zuilen, en men moet, als men niet in zijn diepste

wezen archaeoloog is, zulk een groote dosis verbeeldingskracht hebben

en zulk een goeden platten grond, om zich thuis te voelen te midden

van de vormlooze overblijfselen, die vaak ver van hun primitieve

standplaats zijn getransporteerd, dat we verlangen naar het zien van

meer wezenlijke dingen.

Door resten van vestingen en byzantijnsche kerken naast romeinsche

fondamenten en helleensch beeldhouwwerk bereiken wij den heuvel Droeva,

waar een rijk bankier uit Athene, de heer Syngros, op zijn kosten

het Museum heeft laten oprichten, dat thans den prachtigen Hermes

van Praxiteles herbergt, die bijna ongeschonden werd teruggevonden

in het Heraion onder een dikke laag leem, naast de uitgezocht schoone

figuur der Gevleugelde Overwinning, in sierlijk stoute beweging haar

voetstuk verlatend. Het Hermesbeeld is gehouwen uit een schitterend

wit blok marmer; het schijnt mij het zuiverst ideaal van mannelijke

schoonheid te verwezenlijken, zooals het majesteitelijke hoofd zich

buigt in teederheid tot Dionysos, dien hij in zijn armen draagt, en

we gevoelen tegenover dit magistrale werk een zoo heftige ontroering,

dat we op eenmaal de teleurstelling vergeten, die over ons kwam op

het terrein van de opgravingen.

De namiddag wordt besteed aan den tocht naar Patras met den spoorweg;

de warmte was eerst zoo hevig, dat we geen woord uitbrachten en in

stilte leden op de banken van de coupé; het landschap vlamt onder den

brand der zon, en arbeiders, naar den grond gebogen, met een doek om

het hoofd, waarvan ze de slippen tusschen de tanden vasthouden, komen

een oogenblik overeind, om ons te zien voorbijgaan. De locomotief

schijnt doordrongen van haar belangrijkheid; ze fluit geestdriftig,

alsof ze op haar persoon de bewonderende aandacht wilde vestigen. Als

al dat lawaai onzen gang maar bespoedigde! Maar daar moet men niet

op hopen, en het is hier recht duidelijk veel lawaai en weinig wol.

En zwaar en eentonig gaan de uren voorbij; nauwlettend staat de

trein bij alle kleine stations stil, die vaak niet anders zijn dan

loodsen met een tafel op het perron, die als buffet dienst doet en

waar harde eieren, kaas en wijn zijn te krijgen, alles zwart van

vliegen en een geur verspreidend, die ver van lekker is. Eenige

fustanella's stappen in en uit; menschen, die niets te doen hebben

leunen tegen de hekken met halfnaakte, koperkleurige straatjongens;

er wordt gelachen, gepraat, en we staan soms zoo lang stil, dat ik

den tijd heb, prachtige margarieten te plukken, waarvan de heerlijke

frischheid ons een poosje verkwikt.

Overigens komen, we nader bij de zee, waarvan ons juist als bij

Pyrgos reeksen van plassen scheiden; dit zijn de uitgestrekte

bezittingen van Manaloda, gedeeltelijk nog onbebouwd, toebehoorend

aan den troonopvolger. Rechts sluit de majestueuze Erymanthos, waar

de spoorweg omheen loopt, den horizon af met zijn rotsblokken, zijn

diepe kloven en donkere bosschen; de zon daalt langzaam naar de zee

en gaat er in rusten, als wij eindelijk aankomen, na door beddingen

van rivieren te zijn gegaan, bij het station Kato-Achaia, op den

zuidelijken oever van de golf van Patras, die we nu verder volgen.

Het ondergaan van de zon heeft inderdaad in het Oosten iets

indrukwekkenders dan elders. Hier, waar de zee zich klein schijnt

te willen maken, om beter te kunnen doordringen in den chaos van

grootsche bergen, die haar omsluiten, is de tegenstelling van tinten,

de verschillende kleur der onderdeelen van het landschap werkelijk

verrassend. De reeds donkere massa van kaap Kalogria doet zich aan

ons voor en dekt de vlakte met haar schaduw; de geheel zwarte voet

van den Erymanthos wordt langzamerhand lichter naarmate we naderen; de

hoogten van Missolonghi, violet in hun middengedeelte, behouden op hun

toppen een zachtrose tint, die zich weerspiegelt in de gouden streep

over de golf. Alleen de ongeloofelijke helderheid en doorschijnendheid

van de grieksche atmosfeer kan de ontplooiing van zooveel pracht tot

stand brengen. Wij worden niet moede, die te bewonderen, tot eindelijk

de aankomst in de voorsteden van Patras te midden van de omgewoelde

graven ons opwekt uit de droomen van onze stille beschouwing.

De gezant, die graag spoedig weer in Athene terug wil zijn, beslist

den volgenden morgen te willen vertrekken; maar hij geeft mij verlof,

er mijn verblijf te verlengen en machtigt mij zelfs, de interessante

punten te bezoeken van de noordkust van den Peloponnesus. Vroeg in

den morgen begeef ik mij dus naar het station, dat aan de haven is

gebouwd tegenover het hôtel waar wij den nacht hebben doorgebracht,

om bij het vertrek van mijn reisgezellen tegenwoordig te zijn.

De lezer moet zich vooral niet voorstellen, dat Patras, de derde stad

van Griekenland, de eerste van den Peloponnesus, omdat ze tegenwoordig

50.000 inwoners telt, een van die mooie stationsgebouwen bezit,

zooals we in duitsche steden gewend zijn. O neen, zeker niet; het

meest bescheiden station van onze fransche spoorwegen is mooier en

vooral zindelijker dan de ellendige houten loods, ingesloten tusschen

de naburige huizen, waar reizigers en goederen opgestapeld worden in

de grootste wanorde.

Een of twee wegen komen op den spoorweg uit, en de trein wacht geduldig

te midden van een nieuwsgierige menigte, tot eindelijk het sein wordt

gegeven voor het verder gaan. Het scheelt niet veel, of men zou zich

wanen op een dier lijnen in Afrika, waar enkel een eenvoudige paal de

halte aangeeft! En toch is dit de plaats, waar de meeste reizigers

uit Europa aankomen met bestemming naar Griekenland; ik vraag mij

af, hoe groot wel de verbazing moet wezen van de rijke toeristen bij

den aanblik van zoo'n tooneel en welk een onaangenamen indruk ze wel

moeten krijgen bij hun eerste aanraking met de gemeenschapsmiddelen

van dit land.

Patras, megalomaan als alle andere steden, trotsch op zijn

belangrijkheid, schaamt zich over dezen staat van zaken; er is al

lang sprake van, aan de stad eindelijk een station te schenken, dat

beter aan de wassende behoeften voldoet; maar hier stuit men weer

als altijd op die vervelende geldquaestie, die de mooiste plannen

in den dop verstikt. Laat ons intusschen hopen, dat dit plan wordt

verwezenlijkt, en dat een rijk inwoner van Patras door een edelmoedige

schenking aan die dagelijksche vernedering een eind make, die telkens

samenvalt met het vertrek van den exprestrein naar Athene.

Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 6 / 7 段