Toen ik kort daarna alleen was gelaten, ging ik de moderne hoofdstad

van Achaja bekijken, die het tooneel is geweest van de ontscheping der

Franken onder Villehardouin en Champlitte en die ook het eerst werd

veroverd; ze is in het begin der vorige eeuw verwoest geworden,

maar heeft zich snel weer opgericht en werd herbouwd naar een

reusachtig plan. Daardoor lijkt ze nu nog bijna een doode stad

ondanks den vluggen aanwas der bevolking. De straten, die met

een liniaal getrokken schijnen, snijden elkaar alle rechthoekig

naar het voorbeeld der amerikaansche steden; er loopen breede,

marmeren trottoirs langs en er staan huizen met arcaden; groote,

eenzame pleinen, overschaduwd door peperboomen, verbreken van tijd

tot tijd de kunstmatige eentonigheid van die eeuwige rechte lijnen,

evenwijdig met of loodrecht staande op de kust.

Ik volg een der in laatstgenoemde richting loopende, de

Sint-Nicolaasstraat, die in een zachte helling stijgt naar het

venetiaansche kasteel, van waar men een prachtig uitzicht heeft over

de groote wijngaarden, die een rijkdom zijn van het land, over de

golf van Lepanto, de kust van Aetolië en de Jonische eilanden. Er

is trouwens niets bijzonder merkwaardigs in dien hoop van muren,

waarvan het best bewaard gebleven gedeelte tegenwoordig als kazerne

wordt gebruikt. Ik daal weer naar beneden door de straatjes van de

hooge stad, waar ezeltjes, doorbuigend onder het te zware gewicht van

manden, die hun tegen de zijden hangen, voortgedreven worden door

kooplieden met groenten en vruchten. "Aurea kortaria, portokalia,

hier zijn mooie groenten, oranjes!" roepen ze in de openstaande

deuren der huizen, waar, voor hen maar al te dikwijls, slechts het

geblaf van een hond hun antwoord geeft. Iets lager verdwijnen twee

ongelukkige ezels onder den zwaren wirwar van takkebossen, die ze

in den vroegen morgen al hebben gehaald; er zijn er zooveel op hun

armen rug gestapeld, dat alleen de kop en de uiteinden der pooten te

voorschijn komen uit het struikgewas, dat breeder is dan de rijtuigen,

die moeten worden gepasseerd, een zonderlinge vertooning, enkele

schreden verder verdwijnend in het dichte stof van den weg.

Het slaat op de douaneklok twaalf uur, als ik na de H. Andreaskerk te

hebben bezocht en haar wonderdadige bron, eindelijk aan de haven kom,

die beslist de eenige plek in de stad is, waar eenige levendigheid

heerscht. Pas ben ik gezeten op het terras van een café, tevens

restauratie van het hotel, of een heirleger van schoenpoetsers wil

met alle geweld mijn schoenen ontdoen van het stof, dat erop ligt. Ik

onderwerp mij, om er een eind aan te maken, en zet den voet op een

der kistjes, dat zonder omslag vóór mij wordt neergezet; maar er zijn

nog geen vijf minuten verloopen sedert het einde der operatie, die

inderdaad heel handig werd verricht, of andere loestroi, niet minder

ondernemend, verbeelden zich, dat de bewerking wel weer van voren af

aan kan beginnen. En gedurende al den tijd van mijn ontbijt houden

diezelfde aanbiedingen aan, die even lastig als overbodig waren en

waaraan eerst de komst van onzen consul een einde maakte. Ik ga in

haast opstaan, en we gaan naar een ontginning van wijnbergen in de

buurt, waarvan ik te veel goeds heb hooren zeggen, dan dat ik niet

zou wenschen de exploitatie eens in oogenschouw te nemen.

Die onderneming is op het getouw gezet door Duitschers ten tijde van

de groote crisis in den wijnbouw door het optreden der phylloxera,

toen de aandacht der verbruikers werd gevestigd op de grieksche

wijngaarden. De wijn wordt er bereid naar europeesche voorschriften,

dus zonder toevoeging van hars natuurlijk. De uitvoer is dan ook

een voordeel geweest in de eerste jaren; al is hij langzamerhand

afgenomen, toen de wijngaarden, die van de plaag geleden hadden, weer

op hun verhaal kwamen, toch heeft de plaatselijke consumptie zich

gehandhaafd en is ook de verkoop in het Oosten zoo groot gebleven,

dat er winst wordt behaald met de wijnen uit den Peloponnesus, die

hier goed behandeld worden en die rijk zijn aan alcohol, als alle

wijnen uit het Zuiden. Ik doorloop de kelders, die mij op kleiner

schaal herinneren aan die van onze groote huizen te Bordeaux en in

Champagne; ik passeer de enorme fusten, Bismarck en Moltke gedoopt,

die de reserven van goede jaren bevatten, en ik luister met levendige

belangstelling naar de technische bijzonderheden, die mij een helder

inzicht geven in de goede economische vooruitzichten van dit land.

Trouwens alles in Patras schijnt dat te beloven, en de geographische

ligging der stad op de plaats, waar de vlakten uitmonden,

die de vruchtbaarste deelen van den Peloponnesus zijn, zoowel

als de aanzienlijke handelsbeweging in de haven, waar de meeste

groote scheepvaartlijnen der Middellandsche Zee binnenkomen,

wijzen erop. Ongelukkig ontmoet men hier, evenals in alle havens

van het Oosten, een niet zeer prettig gezelschap. Op het tijdstip

van mijn eerste jaren in Griekenland hadden wij nog niet met dit

land het uitleveringstractaat gesloten, en Patras was de ingang

van het beloofde land, waar bandieten als madame Humbert en haar

beroemde bende, zeker waren van een veilige schuilplaats. Zoo waren

de binnenlandsche rooverijen, die zoo goed als geheel onderdrukt

waren door de gelukkige pogingen der regeering, vervangen door die van

misdadige vreemdelingen, zonder bezwaar binnengelaten in de haven. Men

zag er ontrouwe boekhouders aankomen, bezitters van groote geldsommen,

die ze kalmweg verteerden onder de oogen van den consul, die er niets

aan doen kon, en in gezelschap van een troep gewetenlooze menschen.

Ik herinner mij, dat een van die belangwekkende personnages op een

dag bijna geheel geplunderd werd door den advocaat, aan wien hij

zijn geldelijke belangen had opgedragen; maar heel natuurlijk wendde

hij zich niet tot onze legatie,--want het was een Franschman,--om te

trachten weer in het bezit te worden gesteld van het geld, dat hij

zelf had gestolen! Hoe kan men zich trouwens verbazen over de bijna

volkomen straffeloosheid, waarvan die schurken profiteerden, als de

politie-autoriteiten zelven het voorbeeld gaven? Een zekere prefect

van politie uit Athene, die eens tot eenige maanden gevangenisstraf

was veroordeeld, die hij ook ongestoord uitzat, kan gerust beschouwd

worden als een oorzaak, dat eenvoudige burgers, om zoo te zeggen,

verontschuldigd worden, als ze de gewetensbezwaren over boord werpen,

die hen zouden kunnen terughouden van een oneerlijke zaak, waaruit

ze echter groote voordelen hoopten te trekken.

Hoe het zij, zulke schandalen behooren nu bijna geheel tot het

verleden; Griekenland heeft begrepen, dat het zijn goeden naam in de

waagschaal stelde, en nieuwe uitleveringstractaten hebben in de laatste

jaren het recht doen zegevieren. Maar de bevolking der havens is

daardoor nog niet veel verbeterd; die levert nog aan de onruststokers,

en aan de politieke personen, die tegenstanders van de regeering

zijn, de troepen, die ze noodig hebben. Zij, die zich ontschepen in

den Piraeus, in Patras of in Syra, kennen die volksbetoogingen, die

van tijd tot tijd in die plaatsen tot bloedige tooneelen aanleiding

geven, en wat ik ervan zie dezen avond, is waarlijk niet geschikt,

mij vertrouwen in te boezemen.

Zoo blijf ik den geheelen avond het gewoel aan de haven gadeslaan,

waar krachtige vuurtorens beginnen te stralen, en waar van tijd tot

tijd zich de stoomfluit laat hooren van de eene of andere vertrekkende

paketboot. Terwijl de mooie electrische trams heen en weer rijden,

de moderne opvolgers van de oude rijtuigen, getrokken door drie magere

paarden en in de nieuwere, in de laatste halve eeuw met veel woorden

verrijkte taal hipposiderodromoi genoemd, wandelen de elegante dames

van Patras, zeer aardig gekleed, op de esplanade en laten vriendelijk

haar persoontjes bewonderen en de sierlijkheid van haar toilet. Al

hebben ze niet allen de plastische schoonheid van de antieken, die

enkele van haar voorouders voor altijd beroemd hebben gemaakt, toch

moet erkend, dat ze over het algemeen zeer gracieus zijn en dikwijls

ook mooi, met haar mat teint, het aangename ovaal van haar gezichten

en de groote zwarte oogen, die ze stoutmoedig op de mannen vestigen.

Daar ze nog al coquet zijn, volgen ze onze modes vooral in de

uitersten, want de grieksche vrouw is een aardig poppetje, die er

niet tegen opziet, aan haar toilet het grootste deel harer uitgaven

te besteden en ook niet, om 's avonds niets anders te nuttigen dan

olijven en een bescheiden ragoutje. Zij legt op die manier en op hare

wijze haar voorkeur aan den dag voor het leven naar buiten, dat in de

hoofdsteden zoo duidelijk aan den dag treedt, vooral in de minder heete

avonduren, als de heele bevolking wandelt op de fashionabele promenade.

Een stralende morgenzon verlicht met haar stralen de reeds drukke

haven, als ik den volgenden dag Patras verlaat met den eersten trein

van dien dag. Daar verschijnt, nadat we de moerassige streken zijn

doorgereden, waar de berg Voïda zich verheft, de ingang van de baai,

voorbij welke de golf van Korinthe begint, en die ingesloten wordt

tusschen de beide kapen met aan elken kant de versterkte vestingen,

de oude kasteelen van Roemelië en Morea, thans in puin liggend. De

doorvaart, waarvan de breedte in den loop der eeuwen heeft afgewisseld,

is smaller geworden door een zandig strand, dat zich zeer ver uitstrekt

en dat de golf tot een lange binnenzee dreigt te maken. De weg gaat

dicht langs de kust en moet elk oogenblik over stroompjes gaan, die

nog niet geheel droog zijn in dezen tijd van het jaar, en op welker

oevers wijn wordt verbouwd. Nog een kaap, en op een hoogvlakte, met

cactussen begroeid, die steil naar zee afdaalt, ligt de oude stad

Aegion, waar ik mij voorstel de rest van den morgen door te brengen.

De handel in krenten van uitstekende hoedanigheid heeft van de

plaats een der belangrijkste steden van den Peloponnesus gemaakt;

magazijnen en entrepots, ingericht in natuurlijke grotten aan den

voet der rotsen, liggen dicht bij den spoorweg en de haven, daarvan

alleen door een smal strand gescheiden. Ofschoon niet heel druk in

dezen tijd van het jaar, klinken er hamerslagen en wordt er gewerkt

aan het maken van duizenden kleine kisten, bestemd, om den oogst van

het jaar te ontvangen. Ik wensch van harte voor die brave lieden,

dat ze er binnen enkele maanden vele zullen kunnen vullen. Door een

lange straat als een trap, herinnerend aan die van Montmartre, bereik

ik de hooger gelegen wijken en bewonder voor de zooveelste maal het

prachtige panorama van de bergen van Phocis, die in de zuivere lucht

schijnen te trillen, aan de overzij van de blauwe golf; de baaien

worden rond als sierlijke schelpen, steile kapen vallen in zee, en het

majestueuze hoofd van den Parnassus, dat boven alle andere uitsteekt,

weerkaatst zich in de baai van Salona, door roode rotsen omzoomd.

Hier is er weer feestvreugde onder de bewoners, want ik kom talrijke

groepen tegen in feestgewaad; het schijnt, dat de verjaring wordt

gevierd van den een of anderen plaatselijken heilige, aan wien men

echter veel minder schijnt te denken dan aan de traditioneele trata,

de vreugde van schieten en zingen. Maar ik heb geen tijd meer,

om naar het station af te dalen, waar de tweede en laatste trein

naar Korinthe wel spoedig zal passeeren. Al gauw gaat hij voorbij

en ik herken het lawaai van de passage over een ijzeren brug, waar

een riviertje, dat van den Erymanthos is neergedaald, onder door

stroomt. De berg sluit het dal af. Een half uur later zal de trein

aan het station Diakoptho zijn tegenover de diepe kloof, waarin het

beroemde klooster van Megaspileon is gelegen.

Dit is het laatste uitstapje van mijn reis, en ik moet kiezen, als ik

vóór den nacht ter plaatse wil zijn, of ik de epileptische sprongen

wil genieten van een tandradspoortje of de hortende schokken van een

ezel. Als ik de stooten met elkander vergelijk, geef ik nog de voorkeur

aan de laatste, die onder andere voordeelen ook dit hebben, dat zij

mij een rijdier bezorgen, waarmee ik morgen naar Diakoptho kan gaan,

zonder dat ik in het klooster zal moeten wachten op den eenigen trein

van den dag. Ik dring dus zonder verder dralen in de woeste kloof,

die slechts eenige schreden van de zee verwijderd is. Eerst vind ik

er mooie olijfboschjes, dan rijst de weg onder eiken in een warreling

van myrten en andere planten van doordringenden geur. De schuimende

golven van de Erasinos breken op de enorme steenen, die ten gevolge

van den een of anderen schok losgeraakt zijn van den hemelhoogen

wand van rotsen, die over den stroom hangt. Het in de rots gehouwen

voetpad stijgt nu eens ver boven de bedding van de rivier, welker

geruisch nog slechts heel uit de verte en verzwakt ons oor bereikt,

en daalt dan weer plotseling tot vlak bij het water.

Het profiel van een oude vrouw, die kastanjes inzamelt onder de boomen,

komt tusschen de steenen te voorschijn, en de reeds dalende zon bereikt

al niet meer de diepte der kloof.... "Grigora, gauw, gauw!" herhaalt

onophoudelijk de agoyate, die zooveel haast schijnt te hebben, dat

wij ons zelfs niet ophouden in het dorp Zakhloroe. Nog een zware

stijging, en eensklaps verschijnt tusschen de zwarte lijnen, die den

berg Cyllenus bedekken, verrassend het groote klooster, terwijl de

klok in de verlaten eenzaamheid zich laat hooren.

Hoewel het reeds laat is, kan ik nog goed de zonderlinge groepeering

onderscheiden van de vele gebouwen, omgeven door een muur van meer

dan honderd meter. De gevel van het hoofdgebouw van metselwerk en

hout opgetrokken, vertoont vijf verdiepingen van vensters. Overal

zijn er houten galerijen aangebracht en wankele balkons, die in de

lucht schijnen te zweven, onregelmatige, blauwgekleurde, en vermolmde

koepels, of wel witte en roode, die als zwaluwnesten tegen den wand

aankleven. De aanblik is niet mooi, want het geheel is vervallen en

vuil van dit klooster, door de byzantijnsche keizers in de achtste eeuw

gesticht, en het maakt een vreemden indruk in het laatste licht van

den dag, nog te kijken door de dennen, die den berg kronen. Met beide

handen vóór den mond, richt de agoyate tot de monniken een plechtig

geroep; ik hoor het geluid van een venster, dat geopend wordt; een

stem is eenige oogenblikken aan het onderhandelen, zonder dat ik in

het minst kan vermoeden, waar ze vandaan komt; maar ik begin er toch

uit te begrijpen, dat ik welkom ben en dat ik uitgenoodigd word, om

binnen te komen en de buitentrap op te gaan. Dat is de hoofdzaak;

maar het vooruitzicht, hier te logeeren, lacht mij niet toe. Eén

voor één beklim ik nu de wankele treden, die meer of minder stevig

aan den rotswand zijn bevestigd en uitkomen bij een groote poort,

van schietgaten voorzien. Er worden grendels weggetrokken, kettingen

vallen neer en de deur draait eindelijk op haar verroeste hengsels.

Het schijnt, dat oudtijds de reizigers genoodzaakt werden, hun wapens

in handen van den portier te laten, eer ze een pas binnen in het

klooster mochten zetten; die voorzichtigheid werd verklaard door

het feit, dat het klooster alleen door list kon worden vermeesterd,

en de geslachten van monniken, die elkaar opvolgen, hebben elkander

vroom dat consigne overgeleverd, tot nog voor zeer korten tijd, die

samenvalt met het verdwijnen van het rooverswezen. Maar tegenwoordig

komt een vriendelijk "Kalos crisete" uit een gastvrijen mond van

een geestelijke met een vilten muts, een kaars in de hand, die mij

dadelijk door een doolhof van cellen, trappen en galerijen, die in de

diepte der rots zijn gebouwd, naar een vijfde verdieping geleidt in

een groote, leege eerezaal, naar het schijnt de salon van den bisschop.

Deze verschijnt weldra; zijn sympathiek gezicht van schoonen grijsaard,

omlijst door een langen, witten baard, glimlacht, terwijl hij mij

hartelijk begroet. Wij praten nu eens in het Grieksch, dan in het

Fransch, dat mijn gastheer vroeger een weinig heeft bestudeerd. Hij

betreurt het, dat zijn klooster zoo vervallen is, en dat de bevolking

onophoudelijk vermindert, zoo erg, dat de meesten der cellen thans

onbezet zijn. Beroofd van zijn beste inkomsten door de jongste wetten,

van zijn gezag beroofd door de verslapping van de tucht en door de

domheid van zijn monniken, zal het klooster van den Megaspileon,

eertijds het rijkste en voorspoedigste van Griekenland, in puin

vallen, en zijn totale verdwijning is misschien, zoo zei mij treurig

de priester, slechts een quaestie van jaren.

Hetzelfde feit heeft mij getroffen, toen ik vroeger de beroemde

kloosters van de Meteoren in Thessalië bezocht, waar de regel van den

Heiligen Basilius, die oudtijds hun kracht uitmaakte, nauwelijks meer

toegepast wordt in onze dagen. Daar brengen, evenals hier, de monniken

hun dagen in ledigheid door; hun luiheid is voorbeeldeloos en het komt

hun bijna nooit in de gedachte, zich met handenarbeid bezig te houden

of aan werk met den geest hun tijd te wijden. De regeering heeft

gelukkig die instellingen dan ook tot een wissen dood veroordeeld,

omdat ze nadeel toebrengen aan de eer van het land en kweekplaatsen

zijn van onzedelijkheid.

Onder het gesprek waren enkele leden van het kapittel binnen gekomen in

de blauw verlichte zaal; andere monniken komen achter hen aan, dragers

van schotels, waarop de ingewanden van schapen liggen te rooken,

gebraden op een houtvuur. Ik raak er nauwelijks aan, want die ragout,

die een eigenaardigen geur verspreidt, is al zoo weinig aanlokkelijk

mogelijk, en ik doe des te meer eer aan de glyco of confituren, die

onmiddellijk voorafgaan aan de onvermijdelijke koffie. De bisschop,

die volstrekt wilde dat ik aan den maaltijd deel zou nemen, welke

hem daarna afzonderlijk zou worden voorgezet, dwong mij, om zonder

groote geestdrift mij weer over te geven aan een nieuwe gastronomische

kwelling, terwijl een eenvoudig blikje sardines en een stuk brood, die

ik zorgvuldig had bewaard, mij vrij wat beter zouden hebben gesmaakt.

Intusschen vroeg ik de kerk te mogen zien, die gewijd was evenals het

klooster aan Maria Hemelvaart. Ik werd daar naar een nis gebracht,

waar het wonderdoende beeld werd bewaard van de H. Maagd, dat door de

traditie aan den H. Lucas wordt toegeschreven en welker macht ten tijde

van den Onafhankelijkheidsoorlog de Turken deed aftrekken. Het is er

koud als in een kelder, en de kille vochtigheid binnen in de kapel, die

in de rots is uitgehouwen, verklaart, hoe de wanden hier en daar met

mos zijn bedekt en hoe het houtwerk overal schimmels vertoont. Eenige

oude mozaïeken, die geheel groen uitgeslagen zijn, vormen den vloer van

het schip der kerk, en mijn schaduw glijdt erover bij het flikkerend

licht der kaarsen. Wat een ellende en welk een droevig verval!

Met een waarlijk gul gemoed werp ik in de bus, die daarvoor dient, de

offerande, waar de ongelukkige monniken niet ongevoelig voor zijn, en

langs een nog vermolmder trap dan de vorige bereiken wij, mijn gidsen

en ik, de reusachtige kelders, die diep onder den grond liggen. Hun

goede naam reikte vroeger zeer ver, want in den tijd van den bloei

van het klooster werden er groote hoeveelheden bewaard van een wijn,

die beroemd was door het geheele land. Thans liggen er nog vaten en

fusten van enormen omvang langs de muren; maar ze bevatten slechts

den bescheiden crassi resinato, die voldoet aan de tegenwoordige

behoeften der gemeenschap.

En wij gaan weer naar de bovenverdiepingen door cellen heen, waar vier

of vijf monniken dommelen op hun bedden; ook laat men mij nog een

vertrek zien, dat als een moesjarabieh gebouwd is over den stroom;

het is de bibliotheek, waarvan de vensters op den tuin uitzien. Ik

blader er in een paar theologische werken, die door elkander liggen

in hun kisten met oude perkamenten, welke de ratten naar hun smaak

moeten vinden, te oordeelen naar den beklagenswaardigen toestand

waarin ze zich bevinden, en eindelijk zijn we in den salon van den

bisschop terug, waar het avondeten ons wacht.

Mijn gastheer heeft aan zijn tafel ook den monnik genoodigd, die mij

door het klooster heeft begeleid, en verontschuldigingen makend over

de bescheidenheid van het maal, verzoekt hij mij tegenover hem plaats

te nemen.

Zou ik wezenlijk aan de grieksche keuken wennen? Zeker is het, dat ik

eer bewijs aan de tomatensoep, waar groote sneden maïsbrood in drijven,

aan den pilau met gestremde melk en vooral aan het lamsvleesch,

gekruid met smakelijke toekruiden. Onder den maaltijd liet ik mij

verleiden, mijn gastheer een verhaal te doen over een ervaring, die

ik pas had gehad. Het was de volgende. Toen ik op een avond langs een

verschrikkelijk slechten weg mij naar het station Kalabaka begaf, waar

ik den trein naar Volo moest nemen, bemerkte ik plotseling, dat mijn

horloge en ketting, twee familiesouvenirs, waar ik bijzonder veel aan

hechtte, verdwenen waren. Er aan wanhopende, ze nog terug te zullen

krijgen en ze te vinden onder de struiken en niet veel lust hebbend,

de agoyaten en gendarmen, die mij vergezelden, in vertrouwen te nemen,

haastte ik mij, bij aankomst dadelijk mijn verlies aan den stationschef

mede te deelen. Deze, agent van een half fransche maatschappij, die

van de thessalische spoorwegen, liet een agoyate op zijn kantoor komen

en een gendarme, wier oogen schitterden op het hooren van de beloofde

belooning. Nauwelijks waren de noodige aanwijzingen gegeven, of ze

gingen beiden als pijlen uit bogen heen naar den weg over de bergen,

zonder zich te bekommeren om hun metgezellen, die verbaasd toekeken

en die met opzet niet op de hoogte waren gebracht.

En ik sloeg vol onrust den weg naar Athene in. Maar ik was nog niet

te Volo aangekomen, of een telegram berichtte mij, dat mijn bezit

in een holte van de rotsen was teruggevonden, waarin het zeker was

terechtgekomen bij de huppelende sprongen van den muilezel. Den

volgenden dag was het weer in mijn handen en ik haastte mij, mijn

schuld af te doen. Ik had mijn blijdschap zeker in lyrische termen

geuit, want de begiftigden, trotsch op den hun toegezwaaiden lof,

haastten zich, mijn brief te publiceeren in een Thessalische courant

met het uitvoerig verhaal van mijn ongeluk. Van Volo ging het nieuwtje

naar Athene, waar de pers zich er ook van meester maakte, om de

helleensche eerlijkheid te prijzen, die zoo onrechtvaardig wel eens

in twijfel wordt getrokken, en ik genoot sinds dien een luiden roep

van philhellenisme, die mij geen nadeel deed. Na de koffie wordt de

narghilé gebracht, en toen die eindelijk was uitgegaan, was het laat

geworden en daar ik al om vier uur in den morgen weer op weg wilde

gaan, neem ik afscheid van mijn gastheer en laat een klein sommetje

achter, om, zoo mogelijk, zijn klooster te helpen in stand te houden;

daarna ga ik naar mijn kamer, versierd met geweren, degens en tapijten,

om er te rusten, tot de agoyate aan mijn deur komt kloppen met de

mededeeling, dat het tijd is, ons weer op weg te begeven.

Dienzelfden avond kom ik in Athene terug, na nog eens weer de landengte

van Korinthe te zijn overgegaan. Eenige maanden later verliet ik voor

goed Griekenland en nam in mijn hart naar de nevelen van het Noorden,

waar het lot mij heen riep, de herinnering mee aan de schoone horizons

en het heerlijke licht van het zuidelijke land.

End of Project Gutenberg's Om en door den Peloponnesus, by B. de Jandin

Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 7 / 7 段