De spoorweg richt zich dadelijk naar den voet der bergen; er ontspringt

een bron uit de rotsen en het stroompje brengt op zijn korten weg

naar de zee veel molens aan zijn oevers in beweging. Dan krijgen we de

moerassige terreinen, waarin de Erasinor en de Inachos zich verliezen,

hoogoprijzend gras, waar, naar het schijnt, veel wild is te vinden,

houten bruggen, die doorbuigen onder het gewicht van den trein, tot wij

eindelijk aan het zeestrand komen bij het station Myli, het Lerna der

Ouden. En terwijl we Nauplia bewonderen, dat daar beneden ligt aan de

golf, denk ik aan de legenden, die deze plek tot een der beroemdste

uit de Oudheid maakten, aan dien bekenden vijver, gevormd door de

bronnen en beken, die van den berg Pontinos komen, waar Hercules een

zijner twaalf werken verrichtte en die thans, door het groen omsloten,

door de vrouwen wordt gebruikt, om haar wasch te spoelen.

Weer een illusie, die verdwijnt in de droeve werkelijkheid van het

moderne leven! Hoewel al deze moerassen in het geheel geen slangen

meer herbergen, door helden te bedwingen, is hun nabijheid niet minder

gevaarlijk, vanwege de koortsuitwasemingen, die eruit opstijgen. En

wat buitendien te zeggen van die verschrikkelijke muskieten, die

ons beginnen te hinderen? Dit is wel een land, waar ik niet graag

zou willen wonen; ik heb te Athene te goed de kwellingen leeren

kennen van de slapelooze nachten en het wreede alternatief, waarin

ik mij dikwijls bevond, om of te stikken onder het muskietennet,

of dadelijk de prooi te worden van den vijand, als het instrument

even wordt opgetild, dan dat ik er spijt van zou hebben, dat we niet

langer blijven op een plek, waar men zooveel moet lijden.

De trein vertrekt weer en rijdt langs het haventje, waar eenige

kleine bootjes liggen te schommelen, en treedt dan bijna terstond

het bergland van Arcadië binnen. Niets dan kale steilten, bedekt

met ellendige heide of wild struikgewas. Is dit dan het gelukkige

land, dat door de dichters werd bezongen? Waar zijn dan de bronnen,

de boschjes, het tooneel der herderszangen, de bloeiende weiden en de

vreedzame bosschen? Nauwelijks vertoonen zich op de hellingen van den

Parthenion of den Ktenia, die de dalen met hun sombere grijze toppen

beheerschen, enkele roeden bebouwden grond; nauwelijks verbergen

enkele armoedige huizen hun ellende onder oasen van egelantieren, of

verlevendigen enkele schapen, die, gehoed door zwaarmoedige herders,

mij minder aan de helden van Theocritos doen denken dan aan mijn

makkers van den Taygetos, vandaag de eenzame plateau's!

Het landschap blijft hetzelfde, tot we in de vlakte van Tegea komen,

een dier te zeldzame en te kleine kommen in den Peloponnesus, waar aan

landbouw kan worden gedaan. Daar zijn waarlijk velden met bijna rijp

koren, wijngaarden, die er goed uitzien, en boomgaarden, die bloeien

en een goeden oogst beloven. Dan nog weer moerassen, die het gevolg

zijn van het ontbreken eener afvloeiing van de Saranda Potamos, en die

met de vochtigheid van Mantinea van deze plaats een der gevaarlijkste

centra van slechte lucht maken uit het geheele land. De leden van

onze School van Athene, die er twintig jaren geleden opgravingen

deden, weten daarvan mee te praten en moesten meermalen, overwonnen

door ziekten, den geregelden gang van hun arbeid staken. Dus waren

we verheugd, eindelijk te Tripolis te komen, de hoofdstad van de

provincie Arcadië, die tegenwoordig dank zij den spoorweg en de goede

ligging uit handelsoogpunt een zekere welvaart geniet.

Op het perron wemelt het van een schilderachtige en luidruchtige

menigte menschen, met veel kooplieden ertusschen, die aan de

reizigers de producten van hun industrie komen aanbieden. Hier

worden vervaardigd een gedeelte van die rood lederen voorwerpen,

die alle bazars van het Oosten vullen. Het zijn gordels, met figuren

opengewerkt, allerlei portretlijstjes, handtaschjes, tabakzakken,

pantoffels en muiltjes. Twee of drie verkoopers haasten zich,

onze coupé binnen te treden en werpen inderhaast op onze knieën

enkele van die kunstvoorwerpen, waarvan ze ons den prijs in de ooren

schreeuwen. Er wordt een twistgesprek begonnen; men onderhandelt, en

wanneer men ten slotte wat minachting aan den dag legt of een kalme

onverschilligheid, verkrijgt men gemakkelijk, ook met de hulp van

het naderend sein tot vertrek, een verrassenden afslag in den prijs.

En weer hervat de trein zijn loop door de kleine vlakte. Dit is

de plek, ingenomen door de drie antieke steden Pallantion, welker

overblijfselen hebben gediend, om Tripolis te bouwen, een stad,

die dus betrekkelijk modern was ten tijde van de verwoesting door de

Turken in 1825. Dadelijk daarna komen we weer te midden van bergland

en heuvels, die aansluiten bij de voorbergen van den Taygetos en te

midden waarvan Megalopolis is gelegen, waar we tegen vier uur in den

namiddag aankomen.

De eerste persoon, dien we bij het uitstappen ontmoetten, is de brave

Panayotti, die hier al gisteren is aangekomen, om voor ons rijtuigen

op te scharrelen en te huren. Hij heeft natuurlijk aan de heele stad

verteld, dat de gezant van Frankrijk er den volgenden dag zou aankomen,

zoodat een groote menigte het station vult. De vreemdelingen zijn

zeldzaam te Megalopolis, en dus begrijpt men, dat de nieuwsgierigheid

der menschen in sterke mate is gaande gemaakt, nu de tegenwoordigheid

zal zijn waar te nemen van een officiëel persoon van beteekenis,

en slechts met heel wat moeite, baant de eenige politieagent ons een

weg tusschen al die stijf tegen elkander dringende schouders door.

Op het kleine, stoffige marktplein met lage huizen er omheen wachten

ons twee zonderlinge voertuigen, waar ik vrees, dat ons een marteling

te wachten staat, die, hoewel verschillend, niet zal onderdoen voor

de gruwelijke kwellingen op den muilezel. Het zijn karren op twee

wielen, slecht hangend in roestige veêren, en waarvan de carrosserie,

schitterend rood en blauw gekleurd, van boven een galerij van kleine,

gele zuiltjes draagt. Als zitplaatsen twee houten planken, die er niet

op schijnen berekend, de schokken van den weg te matigen. Die soesta's,

zooals men de wagentjes noemt in het land, worden getrokken door een

klein, gezadeld paard, dat strakjes te drinken krijgt uit een blikken

emmer, die met een zak haver achter aan het voertuig is bevestigd. Wij

installeeren ons met ons drieën in elk der rijtuigen, die, ze mogen

dan al niet sierlijk of gemakkelijk zijn, toch het voordeel bieden,

dat ze van echt lokale kleur zijn. "Embros!" (Vooruit!) en daar

vertrekken we naar Karytena.

De eerste oogenblikken zijn afgrijselijk; diegenen onder mijn lezers,

die hun militairen dienst bij de artillerie hebben doorgebracht,

en die vele uren achtereen hebben moeten zitten op kanonnen, die

over het bouwland stoven in een galoppade, zullen beter dan iemand

begrijpen, wat wij moesten doorstaan. De weg is als naar gewoonte,

erbarmelijk afgebroken door diepe plassen, waar we in neerstorten,

vol losse steenen, die tegen de rijtuigen opspringen en dan zwaar

op den grond vallen, terwijl het vervelende drafje, dat aan den

wagen een aanhoudende schudding van voren naar achteren geeft, ons

volkomen radbraakt. En dan te weten, dat dit ten minste drie uren

moet duren! In welk een staat van ontwrichting zullen we ten slotte

in dat afgelegen Karytena aankomen?

Intusschen begint de avond te vallen, en dikke, zwarte wolken komen

op aan den nog helderen hemel. Zal dan mogelijk het weder toch het

succes van onze expeditie bederven en zal het ons verhinderen, morgen

te genieten van dat heerlijke licht, zonder hetwelk dit land, dat een

zonnevriend is, schijnt te slapen onder een grooten rouwsluier? De

weg, gelijk aan een onzer slechtste zandwegen, loopt om bergen,

die hier en daar bosschen dragen en gaat dan een klein dal binnen,

waar we eenig bouwland zagen. Tegen zeven uur, toen de bijna totale

duisternis ons belette, iets van het landschap te zien, begonnen

enkele regendruppels te vallen, en tegelijkertijd nam een hevige

rukwind mijn hoed mee en deed dien verdwijnen in een roggeveld.

Dit onbeteekenende voorval, dat zijn grappige zijde had, dreigt mij

met ernstige gevolgen; ik heb natuurlijk geen ander hoofddeksel

bij mij, en we komen in een streek, waar ik niet de geringste

hoop behoef te koesteren, den hoed, dien ik verloren heb, te kunnen

vervangen. Als ik dus niet drie dagen lang mijn hoofd wil blootstellen

aan de brandende zon en een doodelijken zonnesteek oploopen, moet ik

of mijn hoed opzoeken of de pet van een herder leenen. Daar ik dat

tweede alternatief niet dan met een zekeren schroom overdacht, haast

ik mij op den grond te springen en ga dan, geholpen door Panayotti,

op den tast aan het zoeken in de duisternis. Na eenige minuten vind

ik het gewenschte terug.

Eindelijk beginnen we onduidelijk een donkere massa te onderscheiden,

die de donkere berg moet wezen, gekroond door het versterkte kasteel

van Karytena; maar de slingerende weg maakt zooveel bochten, dat het

doel zich schijnt te verwijderen, naarmate we intusschen er dichterbij

komen. Plotseling wordt een vuur op den top ontstoken, dan volgt een

ander en daar doemen de oude kanteelen van het feodale kasteel helder

op in het licht der vlammen. Tegelijkertijd begeven honderden van

lichtjes zich op weg langs de hellingen, waar de huizen schilderachtig

over zijn uitgestrooid in boven elkaar gelegen reeksen. Een heele

menigte is op weg, om ons tegen te komen; de wegen zijn verlicht;

daar in de hoogte worden de groote vuren talrijker en bestralen al

spoedig het geheele land; een oud kanon, dat alleen op feestdagen

wordt gebruikt, dondert met korte tusschenpoozen en wekt de slapende

echo's in de verre bergen.

De boeren hebben den gezant van Frankrijk eer willen bewijzen, omdat

zijn naam al lang in Griekenland populair is geworden, en het is hun

gelukt, want deze nachtelijke ontvangst in het afgelegen land, bij het

dreigend onweêr en in het licht der toortsen, heeft een verrassende

uitwerking. Het is acht uur in den avond, als we aankomen aan den

voet der steilte; de bewoners wachten ons op ter hoogte van de eerste

huizen, en zoodra de soestra's uit de duisternis te voorschijn treden,

gaat er een luide kreet uit aller borst op van: "Zito o kyrios presvis,

zito i Gallia! Leve de Gezant, leve Frankrijk!" De burgemeester

treedt naar voren, richt tot graaf d'Ormesson eenige welkomstwoorden

en verzoekt hem met zijn gevolg in het burgemeesterlijk huis zijn

intrek te willen nemen. Panayotti, die meer of minder getrouw de kleine

toespraak heeft vertaald, is verrukt en opgewonden, trotsch, dat hij

de rol van tolk mag spelen tegenover de saamgestroomde menigte van

zijn landgenooten. En terwijl wij antwoorden met helder opklinkende:

"Zito i Ellas!" op de vreugdekreten der toortsdragers, begint de

beklimming van de lastige, steile straatjes. De geheele bevolking

begeleidt de rijtuigen, die in de golvende menigte verdwijnen; een

sterke harsgeur stijgt ons naar de keel, en onze schaduwen dansen

reuzengroot langs de gevels van de roodgekleurde huizen.

Vermoeid en doof van al het lawaai, komen we eindelijk aan de deur van

het huis van den demarchos, dat hooger is gelegen dan de andere huizen,

zooals past voor de woning van een gemeentelijk magistraatspersoon. We

worden eerst gebracht in een vrij groot vertrek, met witgekalkte

muren en nog al zindelijk onderhouden; een divan, die op een smalle

houten bank gelijkt, bedekt met een rood tapijt van inlandsch weefsel,

neemt één wand van het vertrek in, terwijl het sobere ameublement

verder bestaat uit een withouten tafel, een vermolmde commode, een

vettigen armstoel en eenige stoelen met matten zitting. Tegen den

muur hangen op een eereplaats twee chromo's, die Koningin Olga en

Koning George voorstellen; dan eenige gravures, die betrekking hebben

op den onafhankelijkheidsoorlog, een vrome schilderij, waarvoor een

kaars brandt.

"Kaloi crisete, weest welkom!" herhalen nog eens de burgemeester en

zijn vrouw, die in alle bescheidenheid ons de handen komt kussen,

en terwijl Panayotti onzen maaltijd gaat bereiden met behulp van een

walmende lamp, worden wij gebracht naar de beide vertrekken van het

huis, die ons welwillend voor den nacht worden aangeboden. Welke

hokken! We vinden er een opeenhooping van onnoembare dingen, van

voddige kleeren, die over de meubels hangen, alles van terugstootende

vuilheid. De muren hebben gaten, zoo groot, dat men er de hand in kan

leggen; de vloeren en de zolderingen zijn zwart; de bedden voorzien van

ruwe lakens, die men niet voor andere schijnt te zullen verwisselen,

en die door den nacht in een afgrijselijk mysterie zijn gehuld. Ons

besluit was dan ook weldra genomen; we zullen in de ontvangkamer

blijven, die thans onze eetzaal is en die dan in slaapzaal zal worden

veranderd, want hier zullen we beter in staat zijn, de ontberingen

van ons lot te dragen. Onze gastheer schijnt zeer verbaasd over dat

onverwachte besluit, en we hooren hem langen tijd met zijn vrouw

praten, terwijl die laatste haar zorgen wijdt aan een lamsgebraad,

dat straks ons menu van spijzen uit blikjes moet aanvullen.

Wij moeten het meest mogelijke nut trekken uit de aanwezige meubels,

die te onzer beschikking staan. De gezant, die zijn veldbed heeft

meegenomen, is al gered; dus blijven er voor ons vijven een tafel,

vier stoelen, een leunstoel en de ongemakkelijke divan. Het is er

nu om te doen, die ongelijksoortige dingen in bedden veranderen,

of ten minste in iets, dat er een beetje op gelijkt! De taak gaat

inderdaad boven onze krachten, en we moeten al spoedig afstand doen

van het vooruitzicht, een oogenblik gekoesterd, dat we een weinig

zouden kunnen uitrusten van de vermoeienissen der reis. De tafel,

waaraan we juist hebben gegeten, wordt toegekend aan mejuffrouw

d'Ormesson, die er zich op uitstrekt, in haar deken gewikkeld. De

beide andere jonge meisjes en ik nemen plaats op den divan, terwijl

de heer Benner zich in den armstoel installeert. Den geheelen nacht

brengen we zoo door bij het zwavelkleurige licht van bliksemstralen,

die voor een oogenblik telkens de huizen bestraalden van het aan onze

voeten in het donkere dal der Alpheus sluimerende dorp.

Om zes uur in den morgen waren we op, zonder dat het opstaan ons eenige

moeite kostte, ofschoon we veel vermoeider waren dan den vorigen

dag. De eenige waschkom uit het huis wordt op een steen vóór het

huis neergezet, en ik vermoed, te oordeelen naar de belangstelling,

die wij bij de inboorlingen gaande maken, dat het schouwspel van een

persoon, die zijn morgenwassching doet, en die een handdoek gebruikt,

iets zeer zeldzaams is hier. Weldra verschijnen de beide soesta's van

den vorigen dag bij een bocht van den weg. "Kalin antamosin, dat God

u een aangename ontmoeting bezorge!" klinkt het uit den mond van den

burgemeester, die daarbij ernstig zijn oogen ten hemel heft, en wij

herhalen dezelfde formule, zonder er iets bij te denken, terwijl de

beleefdheid ten overvloede nog eischt, dat we er bedankjes bij voegen

voor een gastvrijheid, die inderdaad niets beteekende. Daarna beginnen

wij langzaam de hellingen af te gaan, gevolgd door kinderen in lompen,

die op bloote voeten over de scherpe steenen draven op hoop van een

laatste aalmoes.

Het nachtelijke onweêr heeft de temperatuur in het geheel niet

opgefrischt en het is al broeiend heet nu in den vroegen morgen;

wat zilveren nevelen hangen in het dal, waaruit geblaat van

schapen weerklinkt; de hanen roepen elkaar hun morgengroet toe en

begroeten de eerste stralen der zon, die boven den Valtetso Voeni

verrijst. Langzamerhand trekt de nevel op; de oude huizen van

Karytena met hun houten balkons worden achtereenvolgens verlicht,

en het indrukwekkende kasteel, dat door Hugo de Brière werd gesticht,

en waar Kolokotroni weerstand bood aan het leger van Ibrahim Pacha,

teekent trotsch de kroon van zijn hooge gekanteelde muren tegen den

bleekblauwen hemel af, waar kleine wolkjes als rose vlokken in drijven.

Wij komen ten laatste aan de diepe bres, waarin de Alpheus bruist

tusschen twee kale, steile wanden; er is een mooie brug over den

stroom gebouwd en dan begint de weg te stijgen met groote kronkelingen

langs de berghelling. De kloof schijnt dieper te worden rechts van

ons, naarmate we hooger stijgen; de klank van de watervalletjes wordt

flauwer, terwijl de alleenstaande berg van Kalytena steeds majestueuser

oprijst boven de valleien, waar het rijpe koren reeds een gele tint

over legt. Nog een golving van den bodem, een laatste bocht van den

weg, en we verliezen de Alpheus uit het oog, die naar het Noorden

haar weg vervolgt. Het fort verdwijnt dan uit ons gezicht, omringd,

als het is door hoog oprijzende toppen.

Er komen dan een reeks van plateau's, nu eens mager beboscht met

dwergeiken, bloeiende heide en distels, dan weer rotsachtig en

onvruchtbaar of wel bedekt met armoedig bouwland. Het land is totaal

verlaten, en daar de weg toevallig niet al te slecht was, komen de

paarden vrij gauw vooruit. In de verte daagt de Khalasmeno Voeno op,

omringd door met groen overdekte hoogten aan den overkant van een

diep dal, waar we steeds langs rijden. Het oog rust op een chaos van

bergen, die op elkander gestapeld schijnen en waarop kudden geiten

loopen te grazen tusschen de struiken. Geen geluid van een vogel,

geen menschelijke stem! Die zware stilte begint wezenlijk drukkend te

worden, en toen we dan ook tegen tien uur bij een eenzame khani komen,

waar onze koetsiers water vinden voor de paarden, zijn we gelukkig,

dat we eindelijk eens uit de gruwelijke wagens komen, die sinds

gisteren onze ledematen hebben geteisterd, en eens enkele minuten

ons vrij kunnen bewegen.

Boeren, die ons tegemoet treden, schijnen erg verbaasd, die groep

van Europeanen te ontmoeten, die te voet onderweg zijn. Ze vragen

ons natuurlijk, wie we zijn en van waar we komen en blijven staan

nadenken, toen ze hooren van Frankrijk en Parijs. Inderdaad beschouwen

de Grieken, ook die niet, die tot de hooge kringen behooren, hun land

niet als deel uitmakend van Europa. Is dat een natuurlijk gevolg

van de ligging van het koninkrijk zoo dicht bij Azië, waar het uit

politiek, zoowel als uit sociaal oogpunt eigenlijk bij behoort? Of

komt het door het feit, dat het land niet met Europa verbonden is door

een spoorweg, of wel moet men die zonderlinge opvatting toeschrijven

aan de woeste bergen van Macedonië, die wel een waren slagboom vormen

tusschen Griekenland en de andere beschaafde landen? Ik weet het niet,

maar zeker is het, dat elken keer, dat een Helleen Athene verlaat,

om zich naar een der steden van het vaste land te begeven, hij nooit

zal zeggen, dat hij naar Frankrijk of naar Duitschland gaat, maar

eenvoudig, dat hij naar Europa vertrekt, en niemand komt het in de

gedachte, die manier van spreken zonderling te vinden.

Daarom zijn wij voor onze brave boeren eenigszins legendarische

personen, door geheimzinnigheid omringd; we zijn hen al lang

voorbijgegaan, als ze nog staan om te kijken, als vastgeworteld

op den weg, en eerst als we bij een bocht van den weg geheel zijn

verdwenen, zetten ze hun reis voort; ze hebben voor den geheelen dag

een onuitputtelijke bron van discours.

Iets verder treft ons oor een scherp geluid. Aan den anderen kant

van den weg is in de schaduw van een kromgegroeiden plataan, den

eenigen van zijn soort voor verscheiden honderden meters in het

rond, een herder gezeten, die langzaam een droevig liedje zingt, een

dier klaagzangen, handelend over liefde en oorlog, waarvan sommige

coupletten, in een klagend rhythme, dat aan het juk der Turken

herinnert, dikwijls heerlijk naïef zijn. Zijn metgezel begeleidt hem

op de fluit, terwijl de geiten, moe en loom van het zoeken naar het

magere voedsel tusschen steenen, versuft schijnen door de drukkende

warmte, waar de krekels zich over verheugen. Het is een bekoorlijk

tooneel, en we besluiten, hier te wachten onder het aanroepen van

de schim van Theocritus en Virgilius, tot onze rijtuigen komen, die

niet ver meer kunnen zijn. Daar komen ze dan ook al in galop aan in

een wolk van stof; we moeten ons thans haasten, als we vroeg genoeg

te Andritsena willen zijn, om in den namiddag het uitstapje te maken

naar Bassae. Dus werd het ontbijt maar in de soesta genuttigd, zoo

goed en zoo kwaad, als het gaat en het werd met moeite verteerd. De

paarden hebben een drafje aangenomen, en de bewegingen, die ze aan het

voertuig bijzetten, zijn zoo gesaccadeerd, dat het haast onmogelijk

is, een hapje naar den mond te brengen; glazen en flesschen, borden

en messen dansen in de kist van het rijtuig een dollen rondedans,

en het is een waar kunststuk, een slok te drinken, zonder bijna al

het vocht over zich heen te storten. Eindelijk is daar Andritsena,

liefelijk uitgespreid over de groenende hellingen der bergen, half

verborgen tusschen de boomen, die langs de bochtige oevers van een

paar riviertjes staan. De slanke cypressen, die zulk een kenmerkend

karakter aan de landschappen van Griekenland geven, steken in grooten

getale tusschen de platanen hun kruinen omhoog, als zooveel zwarte

fabrieksschoorsteenen, en olijfboomen vullen de tuinen, waar bronnen

murmelen en waar de roode daken der huizen in het groen schitteren.

De straten zijn zoo vol, dat onze soesta's zich slechts met moeite

een weg banen door de krioelende massa menschen, die toegestroomd

is, om ons te zien, en het is voor ons maar net mogelijk, aan

de deur van de herberg uit te stappen, waar de paarden wachten,

gezadeld en gereed voor het vertrek. Al die menschen lijken verbaasd,

schreeuwen en gillen en maken allerlei bewegingen als razenden. Er

worden uitroepen gehoord, opmerkingen van allerlei aard; men duwt

elkander, om beter te kunnen zien, en dat met het gevolg, dat wij

tegen den muur worden gedrongen. We gingen er toen ons maal gebruiken

met een versterkend kopje koffie. Eindelijk na veel onderhandelingen

en zuurzoete discussies tusschen Panayotti en de agoyaten, die het

niet eens kunnen worden over een billijke verdeeling van onze bagage,

na stroomen van woorden, die op niets uitloopen, komt onze karavaan

in beweging en veroorzaakt in de menigte, nu door nieuwsgierigheid

als versteend, een langdurige beweging, en dan begint de bestijging

langs een voetpad, dat onder hooge eiken loopt boven het lachende dal.

De lucht is bewolkt; het liefelijke landschap van Andritsena verdwijnt

om plaats te maken voor kale dalen en heuvels, waar we aanhoudend

moeten stijgen en dalen; daarbij steekt de wind op, zwarte wolken

drijven boven ons hoofd, alles versombert, en in de stilte weerklinkt

alleen de stem van de agoyaten, die elkaar wat toeroepen van het eene

naar het andere eind der karavaan. Ze zijn intusschen heel aardig en

hulpvaardig, maar ook nieuwsgierig en babbelachtig. Ze willen onze

namen en voornamen kennen, enkele gewone woorden in het Fransch hooren,

die ze dan grappig herhalen, en toen de jonge meisjes de bloemen aan

den weg bewonderen, haasten ze zich, haar die aan te bieden.

Wij stijgen steeds en beklimmen de hoogten van den Paleo Kastro, waar

enkele magere eiken, afschuwelijk vergroeid, en bijna bladerloos,

hun groote, kale takken uitspreiden. De stammen zijn hier afgeknaagd

door de geiten, daar verbrand door de vuren der herders, en ik kan

mij niets treurigers voorstellen dan die verspreide overblijfselen

van vroegere bosschen, op het punt van sterven, en nu gesleurd door

den hevigen wind. Nog een enkele snelle daling, een stijging door

een boschrijker gebied en eensklaps liggen daar beneden ons als een

verschijning uit een tooversprookje de zuilen van den tempel van

Apollo, vol majesteit uit den grond verrijzend.

Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 5 / 7 段