een bron uit de rotsen en het stroompje brengt op zijn korten weg
naar de zee veel molens aan zijn oevers in beweging. Dan krijgen we de
moerassige terreinen, waarin de Erasinor en de Inachos zich verliezen,
hoogoprijzend gras, waar, naar het schijnt, veel wild is te vinden,
houten bruggen, die doorbuigen onder het gewicht van den trein, tot wij
eindelijk aan het zeestrand komen bij het station Myli, het Lerna der
Ouden. En terwijl we Nauplia bewonderen, dat daar beneden ligt aan de
golf, denk ik aan de legenden, die deze plek tot een der beroemdste
uit de Oudheid maakten, aan dien bekenden vijver, gevormd door de
bronnen en beken, die van den berg Pontinos komen, waar Hercules een
zijner twaalf werken verrichtte en die thans, door het groen omsloten,
door de vrouwen wordt gebruikt, om haar wasch te spoelen.
Weer een illusie, die verdwijnt in de droeve werkelijkheid van het
moderne leven! Hoewel al deze moerassen in het geheel geen slangen
meer herbergen, door helden te bedwingen, is hun nabijheid niet minder
gevaarlijk, vanwege de koortsuitwasemingen, die eruit opstijgen. En
wat buitendien te zeggen van die verschrikkelijke muskieten, die
ons beginnen te hinderen? Dit is wel een land, waar ik niet graag
zou willen wonen; ik heb te Athene te goed de kwellingen leeren
kennen van de slapelooze nachten en het wreede alternatief, waarin
ik mij dikwijls bevond, om of te stikken onder het muskietennet,
of dadelijk de prooi te worden van den vijand, als het instrument
even wordt opgetild, dan dat ik er spijt van zou hebben, dat we niet
langer blijven op een plek, waar men zooveel moet lijden.
De trein vertrekt weer en rijdt langs het haventje, waar eenige
kleine bootjes liggen te schommelen, en treedt dan bijna terstond
het bergland van Arcadië binnen. Niets dan kale steilten, bedekt
met ellendige heide of wild struikgewas. Is dit dan het gelukkige
land, dat door de dichters werd bezongen? Waar zijn dan de bronnen,
de boschjes, het tooneel der herderszangen, de bloeiende weiden en de
vreedzame bosschen? Nauwelijks vertoonen zich op de hellingen van den
Parthenion of den Ktenia, die de dalen met hun sombere grijze toppen
beheerschen, enkele roeden bebouwden grond; nauwelijks verbergen
enkele armoedige huizen hun ellende onder oasen van egelantieren, of
verlevendigen enkele schapen, die, gehoed door zwaarmoedige herders,
mij minder aan de helden van Theocritos doen denken dan aan mijn
makkers van den Taygetos, vandaag de eenzame plateau's!
Het landschap blijft hetzelfde, tot we in de vlakte van Tegea komen,
een dier te zeldzame en te kleine kommen in den Peloponnesus, waar aan
landbouw kan worden gedaan. Daar zijn waarlijk velden met bijna rijp
koren, wijngaarden, die er goed uitzien, en boomgaarden, die bloeien
en een goeden oogst beloven. Dan nog weer moerassen, die het gevolg
zijn van het ontbreken eener afvloeiing van de Saranda Potamos, en die
met de vochtigheid van Mantinea van deze plaats een der gevaarlijkste
centra van slechte lucht maken uit het geheele land. De leden van
onze School van Athene, die er twintig jaren geleden opgravingen
deden, weten daarvan mee te praten en moesten meermalen, overwonnen
door ziekten, den geregelden gang van hun arbeid staken. Dus waren
we verheugd, eindelijk te Tripolis te komen, de hoofdstad van de
provincie Arcadië, die tegenwoordig dank zij den spoorweg en de goede
ligging uit handelsoogpunt een zekere welvaart geniet.
Op het perron wemelt het van een schilderachtige en luidruchtige
menigte menschen, met veel kooplieden ertusschen, die aan de
reizigers de producten van hun industrie komen aanbieden. Hier
worden vervaardigd een gedeelte van die rood lederen voorwerpen,
die alle bazars van het Oosten vullen. Het zijn gordels, met figuren
opengewerkt, allerlei portretlijstjes, handtaschjes, tabakzakken,
pantoffels en muiltjes. Twee of drie verkoopers haasten zich,
onze coupé binnen te treden en werpen inderhaast op onze knieën
enkele van die kunstvoorwerpen, waarvan ze ons den prijs in de ooren
schreeuwen. Er wordt een twistgesprek begonnen; men onderhandelt, en
wanneer men ten slotte wat minachting aan den dag legt of een kalme
onverschilligheid, verkrijgt men gemakkelijk, ook met de hulp van
het naderend sein tot vertrek, een verrassenden afslag in den prijs.
En weer hervat de trein zijn loop door de kleine vlakte. Dit is
de plek, ingenomen door de drie antieke steden Pallantion, welker
overblijfselen hebben gediend, om Tripolis te bouwen, een stad,
die dus betrekkelijk modern was ten tijde van de verwoesting door de
Turken in 1825. Dadelijk daarna komen we weer te midden van bergland
en heuvels, die aansluiten bij de voorbergen van den Taygetos en te
midden waarvan Megalopolis is gelegen, waar we tegen vier uur in den
namiddag aankomen.
De eerste persoon, dien we bij het uitstappen ontmoetten, is de brave
Panayotti, die hier al gisteren is aangekomen, om voor ons rijtuigen
op te scharrelen en te huren. Hij heeft natuurlijk aan de heele stad
verteld, dat de gezant van Frankrijk er den volgenden dag zou aankomen,
zoodat een groote menigte het station vult. De vreemdelingen zijn
zeldzaam te Megalopolis, en dus begrijpt men, dat de nieuwsgierigheid
der menschen in sterke mate is gaande gemaakt, nu de tegenwoordigheid
zal zijn waar te nemen van een officiëel persoon van beteekenis,
en slechts met heel wat moeite, baant de eenige politieagent ons een
weg tusschen al die stijf tegen elkander dringende schouders door.
Op het kleine, stoffige marktplein met lage huizen er omheen wachten
ons twee zonderlinge voertuigen, waar ik vrees, dat ons een marteling
te wachten staat, die, hoewel verschillend, niet zal onderdoen voor
de gruwelijke kwellingen op den muilezel. Het zijn karren op twee
wielen, slecht hangend in roestige veêren, en waarvan de carrosserie,
schitterend rood en blauw gekleurd, van boven een galerij van kleine,
gele zuiltjes draagt. Als zitplaatsen twee houten planken, die er niet
op schijnen berekend, de schokken van den weg te matigen. Die soesta's,
zooals men de wagentjes noemt in het land, worden getrokken door een
klein, gezadeld paard, dat strakjes te drinken krijgt uit een blikken
emmer, die met een zak haver achter aan het voertuig is bevestigd. Wij
installeeren ons met ons drieën in elk der rijtuigen, die, ze mogen
dan al niet sierlijk of gemakkelijk zijn, toch het voordeel bieden,
dat ze van echt lokale kleur zijn. "Embros!" (Vooruit!) en daar
vertrekken we naar Karytena.
De eerste oogenblikken zijn afgrijselijk; diegenen onder mijn lezers,
die hun militairen dienst bij de artillerie hebben doorgebracht,
en die vele uren achtereen hebben moeten zitten op kanonnen, die
over het bouwland stoven in een galoppade, zullen beter dan iemand
begrijpen, wat wij moesten doorstaan. De weg is als naar gewoonte,
erbarmelijk afgebroken door diepe plassen, waar we in neerstorten,
vol losse steenen, die tegen de rijtuigen opspringen en dan zwaar
op den grond vallen, terwijl het vervelende drafje, dat aan den
wagen een aanhoudende schudding van voren naar achteren geeft, ons
volkomen radbraakt. En dan te weten, dat dit ten minste drie uren
moet duren! In welk een staat van ontwrichting zullen we ten slotte
in dat afgelegen Karytena aankomen?
Intusschen begint de avond te vallen, en dikke, zwarte wolken komen
op aan den nog helderen hemel. Zal dan mogelijk het weder toch het
succes van onze expeditie bederven en zal het ons verhinderen, morgen
te genieten van dat heerlijke licht, zonder hetwelk dit land, dat een
zonnevriend is, schijnt te slapen onder een grooten rouwsluier? De
weg, gelijk aan een onzer slechtste zandwegen, loopt om bergen,
die hier en daar bosschen dragen en gaat dan een klein dal binnen,
waar we eenig bouwland zagen. Tegen zeven uur, toen de bijna totale
duisternis ons belette, iets van het landschap te zien, begonnen
enkele regendruppels te vallen, en tegelijkertijd nam een hevige
rukwind mijn hoed mee en deed dien verdwijnen in een roggeveld.
Dit onbeteekenende voorval, dat zijn grappige zijde had, dreigt mij
met ernstige gevolgen; ik heb natuurlijk geen ander hoofddeksel
bij mij, en we komen in een streek, waar ik niet de geringste
hoop behoef te koesteren, den hoed, dien ik verloren heb, te kunnen
vervangen. Als ik dus niet drie dagen lang mijn hoofd wil blootstellen
aan de brandende zon en een doodelijken zonnesteek oploopen, moet ik
of mijn hoed opzoeken of de pet van een herder leenen. Daar ik dat
tweede alternatief niet dan met een zekeren schroom overdacht, haast
ik mij op den grond te springen en ga dan, geholpen door Panayotti,
op den tast aan het zoeken in de duisternis. Na eenige minuten vind
ik het gewenschte terug.
Eindelijk beginnen we onduidelijk een donkere massa te onderscheiden,
die de donkere berg moet wezen, gekroond door het versterkte kasteel
van Karytena; maar de slingerende weg maakt zooveel bochten, dat het
doel zich schijnt te verwijderen, naarmate we intusschen er dichterbij
komen. Plotseling wordt een vuur op den top ontstoken, dan volgt een
ander en daar doemen de oude kanteelen van het feodale kasteel helder
op in het licht der vlammen. Tegelijkertijd begeven honderden van
lichtjes zich op weg langs de hellingen, waar de huizen schilderachtig
over zijn uitgestrooid in boven elkaar gelegen reeksen. Een heele
menigte is op weg, om ons tegen te komen; de wegen zijn verlicht;
daar in de hoogte worden de groote vuren talrijker en bestralen al
spoedig het geheele land; een oud kanon, dat alleen op feestdagen
wordt gebruikt, dondert met korte tusschenpoozen en wekt de slapende
echo's in de verre bergen.
De boeren hebben den gezant van Frankrijk eer willen bewijzen, omdat
zijn naam al lang in Griekenland populair is geworden, en het is hun
gelukt, want deze nachtelijke ontvangst in het afgelegen land, bij het
dreigend onweêr en in het licht der toortsen, heeft een verrassende
uitwerking. Het is acht uur in den avond, als we aankomen aan den
voet der steilte; de bewoners wachten ons op ter hoogte van de eerste
huizen, en zoodra de soestra's uit de duisternis te voorschijn treden,
gaat er een luide kreet uit aller borst op van: "Zito o kyrios presvis,
zito i Gallia! Leve de Gezant, leve Frankrijk!" De burgemeester
treedt naar voren, richt tot graaf d'Ormesson eenige welkomstwoorden
en verzoekt hem met zijn gevolg in het burgemeesterlijk huis zijn
intrek te willen nemen. Panayotti, die meer of minder getrouw de kleine
toespraak heeft vertaald, is verrukt en opgewonden, trotsch, dat hij
de rol van tolk mag spelen tegenover de saamgestroomde menigte van
zijn landgenooten. En terwijl wij antwoorden met helder opklinkende:
"Zito i Ellas!" op de vreugdekreten der toortsdragers, begint de
beklimming van de lastige, steile straatjes. De geheele bevolking
begeleidt de rijtuigen, die in de golvende menigte verdwijnen; een
sterke harsgeur stijgt ons naar de keel, en onze schaduwen dansen
reuzengroot langs de gevels van de roodgekleurde huizen.
Vermoeid en doof van al het lawaai, komen we eindelijk aan de deur van
het huis van den demarchos, dat hooger is gelegen dan de andere huizen,
zooals past voor de woning van een gemeentelijk magistraatspersoon. We
worden eerst gebracht in een vrij groot vertrek, met witgekalkte
muren en nog al zindelijk onderhouden; een divan, die op een smalle
houten bank gelijkt, bedekt met een rood tapijt van inlandsch weefsel,
neemt één wand van het vertrek in, terwijl het sobere ameublement
verder bestaat uit een withouten tafel, een vermolmde commode, een
vettigen armstoel en eenige stoelen met matten zitting. Tegen den
muur hangen op een eereplaats twee chromo's, die Koningin Olga en
Koning George voorstellen; dan eenige gravures, die betrekking hebben
op den onafhankelijkheidsoorlog, een vrome schilderij, waarvoor een
kaars brandt.
"Kaloi crisete, weest welkom!" herhalen nog eens de burgemeester en
zijn vrouw, die in alle bescheidenheid ons de handen komt kussen,
en terwijl Panayotti onzen maaltijd gaat bereiden met behulp van een
walmende lamp, worden wij gebracht naar de beide vertrekken van het
huis, die ons welwillend voor den nacht worden aangeboden. Welke
hokken! We vinden er een opeenhooping van onnoembare dingen, van
voddige kleeren, die over de meubels hangen, alles van terugstootende
vuilheid. De muren hebben gaten, zoo groot, dat men er de hand in kan
leggen; de vloeren en de zolderingen zijn zwart; de bedden voorzien van
ruwe lakens, die men niet voor andere schijnt te zullen verwisselen,
en die door den nacht in een afgrijselijk mysterie zijn gehuld. Ons
besluit was dan ook weldra genomen; we zullen in de ontvangkamer
blijven, die thans onze eetzaal is en die dan in slaapzaal zal worden
veranderd, want hier zullen we beter in staat zijn, de ontberingen
van ons lot te dragen. Onze gastheer schijnt zeer verbaasd over dat
onverwachte besluit, en we hooren hem langen tijd met zijn vrouw
praten, terwijl die laatste haar zorgen wijdt aan een lamsgebraad,
dat straks ons menu van spijzen uit blikjes moet aanvullen.
Wij moeten het meest mogelijke nut trekken uit de aanwezige meubels,
die te onzer beschikking staan. De gezant, die zijn veldbed heeft
meegenomen, is al gered; dus blijven er voor ons vijven een tafel,
vier stoelen, een leunstoel en de ongemakkelijke divan. Het is er
nu om te doen, die ongelijksoortige dingen in bedden veranderen,
of ten minste in iets, dat er een beetje op gelijkt! De taak gaat
inderdaad boven onze krachten, en we moeten al spoedig afstand doen
van het vooruitzicht, een oogenblik gekoesterd, dat we een weinig
zouden kunnen uitrusten van de vermoeienissen der reis. De tafel,
waaraan we juist hebben gegeten, wordt toegekend aan mejuffrouw
d'Ormesson, die er zich op uitstrekt, in haar deken gewikkeld. De
beide andere jonge meisjes en ik nemen plaats op den divan, terwijl
de heer Benner zich in den armstoel installeert. Den geheelen nacht
brengen we zoo door bij het zwavelkleurige licht van bliksemstralen,
die voor een oogenblik telkens de huizen bestraalden van het aan onze
voeten in het donkere dal der Alpheus sluimerende dorp.
Om zes uur in den morgen waren we op, zonder dat het opstaan ons eenige
moeite kostte, ofschoon we veel vermoeider waren dan den vorigen
dag. De eenige waschkom uit het huis wordt op een steen vóór het
huis neergezet, en ik vermoed, te oordeelen naar de belangstelling,
die wij bij de inboorlingen gaande maken, dat het schouwspel van een
persoon, die zijn morgenwassching doet, en die een handdoek gebruikt,
iets zeer zeldzaams is hier. Weldra verschijnen de beide soesta's van
den vorigen dag bij een bocht van den weg. "Kalin antamosin, dat God
u een aangename ontmoeting bezorge!" klinkt het uit den mond van den
burgemeester, die daarbij ernstig zijn oogen ten hemel heft, en wij
herhalen dezelfde formule, zonder er iets bij te denken, terwijl de
beleefdheid ten overvloede nog eischt, dat we er bedankjes bij voegen
voor een gastvrijheid, die inderdaad niets beteekende. Daarna beginnen
wij langzaam de hellingen af te gaan, gevolgd door kinderen in lompen,
die op bloote voeten over de scherpe steenen draven op hoop van een
laatste aalmoes.
Het nachtelijke onweêr heeft de temperatuur in het geheel niet
opgefrischt en het is al broeiend heet nu in den vroegen morgen;
wat zilveren nevelen hangen in het dal, waaruit geblaat van
schapen weerklinkt; de hanen roepen elkaar hun morgengroet toe en
begroeten de eerste stralen der zon, die boven den Valtetso Voeni
verrijst. Langzamerhand trekt de nevel op; de oude huizen van
Karytena met hun houten balkons worden achtereenvolgens verlicht,
en het indrukwekkende kasteel, dat door Hugo de Brière werd gesticht,
en waar Kolokotroni weerstand bood aan het leger van Ibrahim Pacha,
teekent trotsch de kroon van zijn hooge gekanteelde muren tegen den
bleekblauwen hemel af, waar kleine wolkjes als rose vlokken in drijven.
Wij komen ten laatste aan de diepe bres, waarin de Alpheus bruist
tusschen twee kale, steile wanden; er is een mooie brug over den
stroom gebouwd en dan begint de weg te stijgen met groote kronkelingen
langs de berghelling. De kloof schijnt dieper te worden rechts van
ons, naarmate we hooger stijgen; de klank van de watervalletjes wordt
flauwer, terwijl de alleenstaande berg van Kalytena steeds majestueuser
oprijst boven de valleien, waar het rijpe koren reeds een gele tint
over legt. Nog een golving van den bodem, een laatste bocht van den
weg, en we verliezen de Alpheus uit het oog, die naar het Noorden
haar weg vervolgt. Het fort verdwijnt dan uit ons gezicht, omringd,
als het is door hoog oprijzende toppen.
Er komen dan een reeks van plateau's, nu eens mager beboscht met
dwergeiken, bloeiende heide en distels, dan weer rotsachtig en
onvruchtbaar of wel bedekt met armoedig bouwland. Het land is totaal
verlaten, en daar de weg toevallig niet al te slecht was, komen de
paarden vrij gauw vooruit. In de verte daagt de Khalasmeno Voeno op,
omringd door met groen overdekte hoogten aan den overkant van een
diep dal, waar we steeds langs rijden. Het oog rust op een chaos van
bergen, die op elkander gestapeld schijnen en waarop kudden geiten
loopen te grazen tusschen de struiken. Geen geluid van een vogel,
geen menschelijke stem! Die zware stilte begint wezenlijk drukkend te
worden, en toen we dan ook tegen tien uur bij een eenzame khani komen,
waar onze koetsiers water vinden voor de paarden, zijn we gelukkig,
dat we eindelijk eens uit de gruwelijke wagens komen, die sinds
gisteren onze ledematen hebben geteisterd, en eens enkele minuten
ons vrij kunnen bewegen.
Boeren, die ons tegemoet treden, schijnen erg verbaasd, die groep
van Europeanen te ontmoeten, die te voet onderweg zijn. Ze vragen
ons natuurlijk, wie we zijn en van waar we komen en blijven staan
nadenken, toen ze hooren van Frankrijk en Parijs. Inderdaad beschouwen
de Grieken, ook die niet, die tot de hooge kringen behooren, hun land
niet als deel uitmakend van Europa. Is dat een natuurlijk gevolg
van de ligging van het koninkrijk zoo dicht bij Azië, waar het uit
politiek, zoowel als uit sociaal oogpunt eigenlijk bij behoort? Of
komt het door het feit, dat het land niet met Europa verbonden is door
een spoorweg, of wel moet men die zonderlinge opvatting toeschrijven
aan de woeste bergen van Macedonië, die wel een waren slagboom vormen
tusschen Griekenland en de andere beschaafde landen? Ik weet het niet,
maar zeker is het, dat elken keer, dat een Helleen Athene verlaat,
om zich naar een der steden van het vaste land te begeven, hij nooit
zal zeggen, dat hij naar Frankrijk of naar Duitschland gaat, maar
eenvoudig, dat hij naar Europa vertrekt, en niemand komt het in de
gedachte, die manier van spreken zonderling te vinden.
Daarom zijn wij voor onze brave boeren eenigszins legendarische
personen, door geheimzinnigheid omringd; we zijn hen al lang
voorbijgegaan, als ze nog staan om te kijken, als vastgeworteld
op den weg, en eerst als we bij een bocht van den weg geheel zijn
verdwenen, zetten ze hun reis voort; ze hebben voor den geheelen dag
een onuitputtelijke bron van discours.
Iets verder treft ons oor een scherp geluid. Aan den anderen kant
van den weg is in de schaduw van een kromgegroeiden plataan, den
eenigen van zijn soort voor verscheiden honderden meters in het
rond, een herder gezeten, die langzaam een droevig liedje zingt, een
dier klaagzangen, handelend over liefde en oorlog, waarvan sommige
coupletten, in een klagend rhythme, dat aan het juk der Turken
herinnert, dikwijls heerlijk naïef zijn. Zijn metgezel begeleidt hem
op de fluit, terwijl de geiten, moe en loom van het zoeken naar het
magere voedsel tusschen steenen, versuft schijnen door de drukkende
warmte, waar de krekels zich over verheugen. Het is een bekoorlijk
tooneel, en we besluiten, hier te wachten onder het aanroepen van
de schim van Theocritus en Virgilius, tot onze rijtuigen komen, die
niet ver meer kunnen zijn. Daar komen ze dan ook al in galop aan in
een wolk van stof; we moeten ons thans haasten, als we vroeg genoeg
te Andritsena willen zijn, om in den namiddag het uitstapje te maken
naar Bassae. Dus werd het ontbijt maar in de soesta genuttigd, zoo
goed en zoo kwaad, als het gaat en het werd met moeite verteerd. De
paarden hebben een drafje aangenomen, en de bewegingen, die ze aan het
voertuig bijzetten, zijn zoo gesaccadeerd, dat het haast onmogelijk
is, een hapje naar den mond te brengen; glazen en flesschen, borden
en messen dansen in de kist van het rijtuig een dollen rondedans,
en het is een waar kunststuk, een slok te drinken, zonder bijna al
het vocht over zich heen te storten. Eindelijk is daar Andritsena,
liefelijk uitgespreid over de groenende hellingen der bergen, half
verborgen tusschen de boomen, die langs de bochtige oevers van een
paar riviertjes staan. De slanke cypressen, die zulk een kenmerkend
karakter aan de landschappen van Griekenland geven, steken in grooten
getale tusschen de platanen hun kruinen omhoog, als zooveel zwarte
fabrieksschoorsteenen, en olijfboomen vullen de tuinen, waar bronnen
murmelen en waar de roode daken der huizen in het groen schitteren.
De straten zijn zoo vol, dat onze soesta's zich slechts met moeite
een weg banen door de krioelende massa menschen, die toegestroomd
is, om ons te zien, en het is voor ons maar net mogelijk, aan
de deur van de herberg uit te stappen, waar de paarden wachten,
gezadeld en gereed voor het vertrek. Al die menschen lijken verbaasd,
schreeuwen en gillen en maken allerlei bewegingen als razenden. Er
worden uitroepen gehoord, opmerkingen van allerlei aard; men duwt
elkander, om beter te kunnen zien, en dat met het gevolg, dat wij
tegen den muur worden gedrongen. We gingen er toen ons maal gebruiken
met een versterkend kopje koffie. Eindelijk na veel onderhandelingen
en zuurzoete discussies tusschen Panayotti en de agoyaten, die het
niet eens kunnen worden over een billijke verdeeling van onze bagage,
na stroomen van woorden, die op niets uitloopen, komt onze karavaan
in beweging en veroorzaakt in de menigte, nu door nieuwsgierigheid
als versteend, een langdurige beweging, en dan begint de bestijging
langs een voetpad, dat onder hooge eiken loopt boven het lachende dal.
De lucht is bewolkt; het liefelijke landschap van Andritsena verdwijnt
om plaats te maken voor kale dalen en heuvels, waar we aanhoudend
moeten stijgen en dalen; daarbij steekt de wind op, zwarte wolken
drijven boven ons hoofd, alles versombert, en in de stilte weerklinkt
alleen de stem van de agoyaten, die elkaar wat toeroepen van het eene
naar het andere eind der karavaan. Ze zijn intusschen heel aardig en
hulpvaardig, maar ook nieuwsgierig en babbelachtig. Ze willen onze
namen en voornamen kennen, enkele gewone woorden in het Fransch hooren,
die ze dan grappig herhalen, en toen de jonge meisjes de bloemen aan
den weg bewonderen, haasten ze zich, haar die aan te bieden.
Wij stijgen steeds en beklimmen de hoogten van den Paleo Kastro, waar
enkele magere eiken, afschuwelijk vergroeid, en bijna bladerloos,
hun groote, kale takken uitspreiden. De stammen zijn hier afgeknaagd
door de geiten, daar verbrand door de vuren der herders, en ik kan
mij niets treurigers voorstellen dan die verspreide overblijfselen
van vroegere bosschen, op het punt van sterven, en nu gesleurd door
den hevigen wind. Nog een enkele snelle daling, een stijging door
een boschrijker gebied en eensklaps liggen daar beneden ons als een
verschijning uit een tooversprookje de zuilen van den tempel van
Apollo, vol majesteit uit den grond verrijzend.