Tegen tien uur moet ik op het oogenblik, dat de warmte verstikkend

wordt, door het dal trekken, om mij eerst naar Misthra te begeven

en dan door den Taygetos naar Messenië te dalen. Daar de wegen

over de bergen, naar het schijnt, niet volkomen veilig zijn,

hebben de autoriteiten mij nog een gendarme meegegeven, wiens

nietig uiterlijk niet geschikt is om mijn gevoel van veiligheid te

vergrooten; daarentegen is mijn agoyaat een stevige vent en tevens

door onze "symphonie" ook een goede verdediger. Hij heet Christo,

zooals zoovele van zijn mannelijke landgenooten, die, als ze

dezen voornaam niet dragen, stellig antwoorden op dien van Georgi,

Janni of Panayotti. En al pratend met twee metgezellen, die zonder

gewetensbezwaar en dat nog wel voor een vertegenwoordiger van het

gezag, de boomen van hun vruchten berooven, komen we in een uur aan

den voet van de majestueuse keten bij het tegenwoordige dorp Misthra,

gekroond door de indrukwekkende ruïnen van de middeleeuwsche stad.

Een catastrofe schijnt den berg over zijn geheele lengte te hebben

gescheurd, en de diepe kloof, die de Grieken "langada" noemen, daalt

in een chaos van rotsen van schitterende kleuren. Vrouwen zitten voor

haar armoedige huisjes, het hoofd bedekt met een zwarten sluier, die ze

op religieuses doet gelijken; ze spinnen in stilte, en heffen slechts

even de oogen op om ons te zien voorbijgaan. De helling van Meso-Khori

is weldra bestegen, en we houden stil in de schaduw van prachtige

platanen, waar een van die kleine turksche fonteinen onder springt,

die zoo dichterlijk zijn en waar het water te midden van arabesken te

voorschijn komt, om zachtjes neer te vallen in een steenen bekken,

dat geheel vochtig is van iriseerende droppels. Ik kan een kreet

van bewondering niet weerhouden; vóór mij, zeer hoog op de bergen,

liggen trapsgewijze en in een driehoek de ruïnen van het oude Misthra,

het frankische, door Villehardouin gesticht, die vorst van Morea, de

plaats, die om beurten daarna turksch of venetiaansch is geweest en

eeuwen lang de hoofdstad van Laconië was. Die stad der kruisvaarders,

die sedert de schepping van het koninkrijk verlaten werd voor het

moderne Sparta, maakt nu een droefgeestigen indruk van verval onder

het weemoedig toezien van haar drie oude cypressen, die reeds de

getuigen waren van haar oude grootheid.

En door nauwe straatjes, die als trappen zich door tuintjes kronkelen,

tusschen boogvormige arcaden door en binnenpleinen, waar in het

natte gras schildpadden slapen, klim ik omhoog tot de oude kerk van

Pantanassia, met de sierlijke zuilengalerij en met in het inwendige

een nis, waar de fransche leliën boven zijn gehouwen. Daar zijn kleine

gothische gebouwtjes en een grooter bouwwerk met hoogen gevel, door den

tijd verweerd en voorzien van talrijke vensters. Dat is het paleis van

Villehardouin met zijn gekanteelde torens en struikgewas aan den voet,

waar reptielen zich ophouden. Ik blijf nog stijgen, tot ik eindelijk

de citadel bereik, omgeven door versterkte muren, waarbinnen veel

puin ligt en waar waterreservoirs zijn aangebracht. Alles is thans

in de stad uitgestorven, die daar aan mijn voeten ligt in de ruïnen,

en alleen de wilde duiven, die in de verlaten ruimten rondvliegen,

zetten leven bij aan de indrukwekkende eenzaamheid.

Op een sarcophaag gezeten, van waar ik de groene vlakte van Sparta kan

overzien, die door de groote schaduw van den Taygetos wordt getroffen,

denk ik terug aan de verre tijden, toen onze voorvaderen over het

land regeerden; ik roep de herinnering aan onze beschaving op, die

ik hier, ver van het vaderland, terugvind in de bogen, de latijnsche

kruisen, de leliën; ik vergeet de byzantijnsche wereld, om door tijd en

ruimte te gaan tot den tijd van onze Middeleeuwen, welker heroïsme vol

edelmoedigheid geschreven staat op alle steenen van de ineenstortende

stad. Daar op eens begint de klok van de oude metropool, overblijfsel

van de grieksche stad, die ook al vervallen is, nadat ze gebouwd was

op het oudere puin van het kasteel onzer voorvaderen, te klinken;

een priester treedt uit het aartsbisschoppelijk paleis en achter

hem verdwijnen eenige vrouwen in de kerk, gelijkende op groote,

zwarte vogels, dwalend tusschen de graven.

Nu haast ik mij naar beneden, telkens struikelend over verbrokkelde

wapenschilden, waar de hagedissen hun zonnebad nemen, en ik treed

de kerk binnen, terwijl het gebed bijna is afgeloopen. Ik bezie een

oogenblik den groenen koepel, de ruwe fresco's aan de wanden en de

oude grieksche opschriften, die uit de veertiende eeuw afkomstig

zijn, en toen ik opnieuw den drempel overschrijd, verblind door de

felle helderheid van het licht, voegt de geestelijke zich bij mij

en zegt: "Sto kalo, wees gezegend!" en wenkt mij, want het kost mij

moeite zijn dialect te begrijpen. Hij voert mij mee tot aan het oude

aartsbisschoppelijk paleis, dat dicht in de buurt is, en waarvan de

muren de sporen dragen van de turksche verovering.

Die lagere grieksche geestelijken, die maar zoo weinig onderwijs hebben

genoten ondanks de pogingen en de milde giften van den rijken Rhizaris,

ontzeggen zich door te trouwen den toegang tot het episcopaat. De

niet gehuwde monnikken worden dus tot bisschoppen en aartsbisschoppen

benoemd, en de arme pappa's leven daar te midden van hun onbeteekenende

schaapjes in voortdurende onwetendheid. Nauwelijks hun godsdienst

kennend, niet in staat de dogma's er van te verklaren, onopgemerkt

door den staat, die hen niet betaalt, zijn ze wel genoodzaakt om,

ten einde in de behoeften van hun gezin te voorzien, uit alles geld

te slaan. Sommigen drijven handel, andere doen aan landbouw, allen

speculeeren op de lichtgeloovigheid van het publiek of laten zich

hun diensten zoo duur mogelijk betalen. En zoo ontmoet men dikwijls

de bleeke broeders met hun donker cylindervormig hoofddeksel, hun

lang zwart kleed en de haren in den nek tot een wrong opgestoken,

wandelend zonder eenig prestige onder groote parapluies, die hen

tegen de zonnehitte beschutten.

Mijn pappa uit Misthra maakt geen uitzondering op den regel, in geen

enkel opzicht. Zijn vrouw, een grove boerin, zeker nog onwetender dan

hij, gaat opstaan bij ons binnentreden, kust haar man de handen en

trekt zich bescheiden terug, alsof het niet bij haar rang zou passen,

bij ons plaats te nemen. Maar ze treedt een oogenblik later weer binnen

met een pot bessengelei, waarin wij ieder op zijn beurt ons houten

lepeltje moeten steken, om dan een glas te vullen met helder water,

dat mij wel zoo gepast lijkt bij deze temperatuur dan het gesuikerde

hapje, dat eraan voorafging.

Na enkele oogenblikken van een nog al traag vloeiend gesprek, wil

ik mijn gastheer voor zijn gastvrijheid bedanken en, de gewoonten

van het land kennend, laat ik een cadeau van enkele drachmen in

zijn hand glijden. Men moet aannemen, dat de offerande hem niet

onwelgevallig is, want ik begrijp uit de woorden, die onder een

stroom van dankbetuigingen schuilgaan, dat hij mij nog wel eens weer

tot gids wil dienen. Het helpt niet, of ik hem al zeg, of liever hem

toeschreeuw, want hij praat veel en luistert slecht, dat mijn bezoek

is afgeloopen en dat ik mijn muildier weer ga opzoeken, om mijn weg te

vervolgen, wat ik reeds op het punt was te doen toen ik hem ontmoette,

hij wil niet hooren, en, mij bij den arm nemend, sleurt hij mij naar

buiten en herhaalt onophoudelijk: "Pantanassia, Pantanassia!" Ik

moet er mij wel in schikken, hem te volgen naar het kerkje, dat

ik zooeven al heb gezien en waarvan hij mij in bijzonderheden de

merkwaardigheden verklaart; daarna treden we het naburige klooster

binnen, waar mij het graf van keizerin Theodora wordt getoond, de vrouw

van Constantijn Palaeologus, den laatsten byzantijnschen keizer. Maar

dat alles wekt veel minder mijn belangstelling dan het voorkomen van

de oude frankische stad, waar ik de herinnering aan onze voorvaderen

terugvind; de spraakzame pappa vindt die beleefd ook interessant en

laat mij eindelijk vertrekken, mij overladend met zijn zegeningen.

En nu begint de bestijging van de Taygetostoppen; in plaats van

dien avond in Trypi te slapen, waar we in een uur marcheerens kunnen

wezen, heb ik besloten, op raad van mijn agoyaat en na een verzoek te

hebben gericht tot den demarch of burgemeester van Sparta, die mij

volkomen veiligheid heeft gewaarborgd, den nacht in de bergen door

te brengen te midden van de herders. Weldra verdwijnt de heuvel van

Misthra, en we bereiken tegen drie uur de huizen van het dorp, die

hun roode daken verbergen onder prachtig, donker cypressenloof. Aan

alle zijden borrelen bronnen in de rotsen, en ik geniet een heerlijk

welbehagen na de hitte van de vlakte, nu ik de koele frischheid

mag voelen. Vrouwen wasschen haar linnen aan den rand der beken,

en ik denk aan de echtgenooten der homerische helden, handig in de

huishoudelijke plichten, maar met wie deze dames slechts heel in de

verte verwant zijn.

Maar daar gaapt aan een voetpad onder meidoorns in den berg een

wonderlijk hol. Dat is de langada van Trypi, in welker nabijheid men de

plaats heeft meenen te herkennen van de kloof van Caeadas, waar de oude

Spartanen de misdadigers in wierpen evenals de krijgsgevangenen. En

inderdaad van een voorgebergte boven den afgrond, kijk ik neer in

een spleet tusschen de rotsen, en de bodem schijnt er niet anders

te zijn dan een opeenhooping van menschenbeenderen en stof. Een

heftige indruk van afschuw doet mij die lugubere plek ontvluchten,

en langs een steenachtigen weg, die den loop van de Trypiotiko volgt,

daal ik af in het aangrenzend ravijn.

Plotseling verdwijnt de zon en de koude wind der hoogten slaat mij

onaangenaam in het gezicht. Ik moet een warmer jas aantrekken daar

tusschen de kale, roode rotsen, die er dreigend uitzien. Van Trypi af

was de weg steeds gestegen; nu hadden we het hoogste punt bereikt,

om dan weer tot de oppervlakte van het water te dalen. Christo

waarschuwt mij, dat ik moet afstijgen, want dat het pad gevaarlijk

begint te worden. Inderdaad lagen er groote marmeren steenen,

glibberig en vuil, waar men licht zou kunnen uitglijden en in den

afgrond storten. Terwijl ik langzaam voortloop, houdt de agoyaat den

teugel van het muildier vast, terwijl de gendarme den staart pakt, en

het arme dier, zoo opgehouden, loopt met moeite, dikwijls uitglijdend

en een massa steenen in de diepte werpend.

Ik heb werkelijk het gevoel, dat de dood van nabij dreigt, en met een

gevoel van groote verlichting bereik ik eindelijk de bedding van de

rivier, waar de weg overheen leidt, om aan den rechteroever weer te

stijgen. Maar de kalmte zou niet lang duren. Terwijl de Trypiotiko hoe

langer hoe meer onder ons wegzinkt, gaan we steil omhoog langs de rots,

die ten laatste zoo ver over de kloof heen hangt, dat wij het geluid

van den onstuimigen stroom zelfs niet meer hooren. Nu eens stijgend,

dan dalend langs dien gevaarlijken weg, gaat het verder, tot tegen

zes uur toen de schemering valt, we de rivier terugvinden, die nu

kalmer vloeit tusschen mooie platanen. De kale toppen boven ons,

roodgekleurd door de ondergaande zon, komen mij voor als een booze

droom. Daar klinkt een woedend geblaf niet ver van ons, en twee groote,

zwarte honden storten zich op onze karavaan. Christo en de gendarme

maken een beweging, alsof ze met steenen willen gooien, en dat is voor

het oogenblik voldoende, om die wilde beesten in bedwang te houden,

die verbazend woest kunnen zijn en die ik wel heb zien bijten in de

steenen, naar hen toegeworpen, of ze van woede met hun bek weer in de

lucht heb zien opgooien. Op hun achterpooten zittend en gereed om op

ons aan te vliegen, als we naderbij komen, maken die honden een geluid,

dat in het oneindige door de rotsen wordt weerkaatst. De aandacht

der herders, die in de buurt zijn, wordt eindelijk getrokken en daar

verschijnen eenige bergbewoners; op hun bevel houdt het geblaf op,

en Christo treedt alleen naar voren, om te onderhandelen.

Waarlijk, die menschen zien er niet aantrekkelijk uit. De groote bruine

mantel, dien ze over hun schouders dragen, hangt tot op de vroeger

witte slobkousen, die met een zwarten kouseband worden opgehouden. Hun

gebruind gezicht verdwijnt onder een ruwen baard; enkelen van hen

hadden lange haren, die rondom hun mutsen en petten uitstonden; allen

leunden op den langen, gebogen stok als een bisschopsstaf, dien ze

altijd bij zich hebben, en keken mij dreigend aan. Eindelijk was er

een overeenstemming getroffen en we begaven ons op weg naar het kamp,

ditmaal geëscorteerd door de honden, die schijnen te begrijpen, dat wij

nu burgerrecht hebben verkregen. Al spoedig wordt het schijnsel van

een vuur onder de boomen zichtbaar; we gaan een landelijke omheinde

ruimte voorbij, waar de schapekaas, die er wordt bereid in vaten van

geiteleer, een afschuwelijken stank verspreidt, en komen eindelijk

tegenover een reeks verblijven, die van een vlechtwerk van bladeren

zijn opgetrokken en waar de vloeren met dennetakken zijn belegd.

Die herders zijn een ware plaag voor de boomen in Griekenland, die

ze brutaal exploiteeren en waarvan hun schapen de jonge spruitjes

nuttigen. De bijl en het vuur doen geleidelijk heele bosschen

verdwijnen, die mogelijk door een nauwlettender toezicht gespaard

hadden kunnen blijven. Hier is de eerste oorzaak van de ontwouding,

die de droogte en de dorheid veroorzaakt, waar het land zoozeer onder

lijdt. Men moest die lieden doen begrijpen, dat hun eigen belang

meebrengt, dat ze de boomen eerbiedigen, dat het onvoorzichtig is,

ze te vroeg te vellen, hun zonder noodzaak de takken te ontnemen

of altijd maar weer onder de bescherming van hun stammen vuren aan

te leggen, die ze langzaam sloopen. Maar dat is een moeilijk uit te

voeren werk, want dit volk is totaal onwetend; men heeft wel getracht,

op sommige plaatsen nieuw bosch aan te leggen; maar de plantjes, die

ondanks de brandende zon en de droogte juist wat op streek begonnen

te komen, hebben al gauw gediend tot voedsel voor de geiten, en de

overige zijn van watergebrek omgekomen. En zoo gaat het van kwaad

tot erger, terwijl de openbare macht er nog niet in is geslaagd,

een middel tegen de kwaal te vinden.

Intusschen is het geheel donker geworden. Ik heb mij in mijn hut

geïnstalleerd, waarvoor een groot vuur brandt; Christo en de gendarme

hebben zich bij hun nieuwe vrienden gevoegd op eenige schreden afstands

en geven hun inlichtingen over mijn persoon en mijn reis; de oogen der

nu gekalmeerde honden schitteren in de duisternis. Er is vóór mijn hut

een flinke hoeveelheid hout opgestapeld, opdat ik het vuur zal kunnen

onderhouden, dat mij verwarmt, en bij het schijnsel waarvan ik thans

mijn maal gereed maak. Nu of nooit moet ik een paar van die blikjes

nuttigen, die met wat spiritus dadelijk gereed zijn te maken. En

terwijl ik op mijn kleine verwarmings-toestelletjes een heerlijke

portie kalfsvleesch met worteltjes klaar maak, en een niet minder

smakelijken ragoût van schapevleesch, komen de herders naderbij,

gaan in een kring om mijn vuur zitten, en een onuitsprekelijke

verbazing teekent zich op hun ruwe gelaatstrekken. Voor deze halfwilde

menschen is het gezicht van mijn vernuftige keuken iets geheel nieuws;

ze doen uitroepen, vragen, stooten elkaar met den elleboog aan en

lachen. Geen enkele mijner bewegingen ontgaat hun en altijd worden

er lange besprekingen over geopend. Voor mij is die omgeving ook

iets vreemds en nieuws, daar zoo in de bergen te zijn, ver van alle

beschavingsmiddelpunten, met deze roovers, wier oogen op mij gericht

zijn door den rook en het schijnsel van het vuur heen.

Zoodra mijn maaltijd is afgeloopen, gaan de leege blikjes van hand

tot hand; ik bied een sigaret aan, waarvan allen gretig profiteeren

en er begint een gesprek, waaraan ik maar gebrekkig kan deel nemen,

zoodat ik allen tijd heb, mijn zonderlinge makkers op te nemen, wier

gelaat en handen met een dikke laag vuil zijn bedekt. Nu herinnerde

ik mij, dat toen ik eens den Pentelicon beklom met een atheenschen

vriend, wij op den top een herder ontmoetten van het slag van deze

lieden, en dat hij ons had bekend, dat in zeven jaren, dat hij in de

bergen leefde, hij zich nooit gewasschen had. Die man had nog eenige

verontschuldiging, want het water is schaarsch in de omstreken van

Athene; maar wat te zeggen van zijn kameraden van den Taygetos, die,

terwijl er bronnen in de nabijheid zijn, evenmin als hij de behoefte

voelen met het verfrisschende water kennis te maken?

Weldra gaat ieder opstaan, niet zonder mij beleefd een goeden nacht,

kale nycta, te hebben gewenscht; ik werp op het vuur een nieuwen armvol

brandstof, want het is vinnig koud, en Christo heeft mij opgedragen,

het niet te laten uitgaan. We hebben afgesproken, slechts om beurten

te rusten, een maatregel, die gepast lijkt in onze omstandigheden.

Ongelukkig komt het uur om te waken nog al vroeg voor mij, en ik merk,

toen ik wakker word, dat het meer is gaan waaien; de groote boomen

om ons heen klagen luid, en de vlammen drijven telkens hun rook in

de hut. Er zijn veel onverwachte geluiden, en in de bergen hoor ik

klagelijk janken. Is het een hond, die de afnemende maan aanblaft,

of misschien een wolf, die voedsel zoekt? De nacht schijnt mij

eindeloos en onze houtvoorraad begint te verminderen. Ik wacht met

verlangen den morgen, dien ik nooit met zooveel vreugde heb begroet,

zoo drukkend is de eenzaamheid.

Daar is eindelijk een bleek licht, en omdat ik besloten ben vroeg op

te breken, wek ik Christo, die zich haast het muildier te zadelen. De

herders zijn al op, en de honden zijn aan het spelen, nat nog van

den dauw. Ik leg enkele geldstukken in de vereelte handen, die mij

worden toegestoken, en huiverend in den morgen wind, beklimmen we de

hoogte aan het eind der langada. Binnen een uur is de top bereikt,

juist op het oogenblik dat de roode zonneschijf de transen van den

Parnon bestraalt. De vlakte, waarin Sparta is gelegen, is nog donker

achter ons, terwijl de lijnen van den Taygetos achteruitwijken.

De wind blaast als een storm; het is koud en spoedig gaan we verder

naar Sitsova, waar we een half uur later aankomen. Bij Khania bereiken

we de vlakte, waarvan de rijkdom en de vruchtbaarheid wonderlijk

afsteken tegen de woeste eenzaamheid van den Taygetos. Hier zien

we citroen- en oranjeboomen, velden met tabak, waar moerbeiboomen

tusschen staan, en eindelijk daagt Kalamata voor ons op met zijn

door aloë's omzoomde tuinen en zijn mooie cactussen. In de straten is

het geducht warm, en ik veroorloof mij eenige uren van welverdiende

rust. Om acht uur in den avond vertrekt de boot naar Athene. Mijn reis

is afgeloopen, en als de schroef het kalme water begint te slaan in de

baai, groet ik voor de laatste maal de zwarte massa van den Taygetos,

die mij zulke onvergetelijke uren heeft bezorgd.

Er is een halfjaar verloopen, sedert ik den nacht heb doorgebracht

tusschen de herders van den Taygetos ter hoogte van bijna 2000 meter

boven de zee; de winterregens zijn voorbij en al sinds langen tijd zijn

de toppen van den Hymettus en den Parnassus van hun licht sneeuwkleed

ontdaan en worden in hun kaalheid geblakerd door de warme zon van

April. Nu de mooie lentedagen zijn teruggekeerd, die zoo helder en

vroolijk zijn in dit gezegende Oosten, ga ik opnieuw droomen van

heerlijke uitstapjes en lange ritten te paard in de dichterlijke

eenzaamheid van het bergland.

Waar zal ik anders heengaan, nu het continentale Griekenland mij

bijna volkomen bekend is, dan maar weer naar dien schilderachtigen

Peloponnesus, dien ik thans eens wil doortrekken van Korinthe af

naar de golf van Kyparissia? En nu treft het, dat juist onze gezant

te Athene, graaf d'Ormesson, mijn naaste chef, mij voorstelt, hem

op diezelfde reis te vergezellen. Zonder een oogenblik te verliezen,

maken wij toebereidselen voor een echte expeditie, waaraan ook drie

bekoorlijke jonge meisjes zullen deelnemen, wier tegenwoordigheid

wij met vreugde begroeten, mejuffrouw Yolande d'Ormesson, mejuffrouw

Boulard, haar vriendin, die voor eenige maanden in Griekenland vertoeft

en mejuffrouw de Cernowitz, dochter van den opperstalmeester van

Z. M. Koning George.

Wij besluiten, tot Megalopolis, dat midden in Arcadië ligt, met den

spoortrein te gaan, dan per rijtuig Andritsena te bereiken, om weer

te dalen langs den tempel van Apollo in de omstreken van Kyparissia,

waar we den spoorweg weer zullen treffen, die ons naar Olympia en

Patras zal brengen.

Spoedig is alles gereed; de muildieren en rijtuigen wachten ons;

de autoriteiten zijn gewaarschuwd, en ons troepje, versterkt met

een jong schilder van talent, den heer Many Benner, die zonder te

vermoeden, dat men hem zou uitnoodigen, deel te nemen aan den tocht,

zijn opwachting aan de legatie kwam maken, zal zich morgen op weg

begeven. De gezant neemt ook nog het factotum van zijn huis mee, een

zekeren Panayotti, die als tolk moet dienen en nu al in de drie jaren,

dat ik hem ken, mij dikwijls heeft geamuseerd. Die jongen, die zijn

Athene kent tot in de kleinste bijzonderheden, en wiens diensten in

dat opzicht werkelijk onschatbaar zijn, is wel een volkomen type van

den modernen Griek. Babbelachtig en demonstratief, nu eens onrustig

en verward, dan weer langzaam en lui, ook ietwat geslepen en met

zin voor straatslijperij, heeft hij als al zijn landgenooten, een

gebruind, olijfkleurig teint en een baard, even glanzig, als zijn

haren moeten zijn geweest in den tijd, toen hij die schoone kroon

nog op zijn hoofd droeg.

Hij heeft aan het gezantschap geslachten van gezanten en secretarissen

elkander zien opvolgen, en nu hij al zoo lang deel uitmaakt van het

personeel, komt men in de stad er toe, hem een zekere diplomatieke

waardigheid toe te schrijven. Het prestige, waarmee hij is getooid,

belet hem echter niet, nu en dan te vechten met den een of anderen

loustro, die zijn verontwaardiging heeft gaande gemaakt, en zoo heeft

hij al eens kennis gemaakt met het stroo van de gevangenis van zijn

land. Maar dat is zoo erg niet; "Dembirazi!" zooals hijzelf zegt,

zich den linker oksel wrijvend, wat hier een teeken is van de grootste

onverschilligheid.

Men moet hem hartstochtelijk zien disputeeren, hem allerlei fransche

woorden hooren gebruiken, die hij niet begrijpt en die over elkaar

struikelen in zijn mond, zooveel haast heeft hij, of hem zien

volhouden, dat hij gelijk heeft, door zijn beide armen tegen het

lichaam aan te drukken, terwijl de palmen van zijn magere handen,

geopend naar den ander toe zijn gekeerd, als om het welsprekende

woord te ondersteunen of zijn onmacht te betuigen, er nog een woord

meer aan te verspillen. Hoe vaak heb ik mij vermaakt met naar hem

te luisteren en hem over de straatsteenen naar mij te zien toekomen,

altijd gedienstig, lachend en goedmoedig. En ik denk vandaag, dat het

portret te schilderen van Panayotti, tevens is een in beeld brengen

van de grieksche volksziel, hetgeen voor mij een verontschuldiging

inhoudt van mijn vermetelheid, den lezer zoo lang te hebben bezig

gehouden met dit merkwaardig personnage.

Op een van die mooie morgens, waarop de feestvierende natuur den mensch

schijnt uit te noodigen, met haar in te stemmen, bereiken wij reeds

om zes uur het station van den Peloponnesus, terwijl het Parthenon

bloost onder de eerste stralen van de zon. Het zal warm worden

vandaag, en de stad weerklinkt reeds van het geroep der dragers,

die in zakken water van Amaroesi te koop aanbieden of coecoeria,

een soort van kleine, droge koekjes, gewoonlijk bedolven onder het

stof en door de menschen in hun koffie gedoopt. Toen alle leden der

karavaan langzamerhand waren gearriveerd, stapten wij in den trein,

waar onze bagage was opgestapeld; daar klinken de tonen van een

spoorklok, achterblijvers worden aangeroepen; nog wat gefluit, want

de grieksche treinen hebben heel wat moeite, om op dreef te komen,

en daar gaat de optocht heen in een wolk van stoom.

Daar is Eleusis weer, en Salamis duikt in de verte op en het witte

Megarae; dan de mooie witte kustweg, dien ik vroeger bewonderde

bij het gaan naar Korinthe en de groote vlakten van steenachtige,

roode aarde, waar donkere vlekken zich vertoonen door de dennen,

doorloopend tot de zee, die zoo blauw is, dat de hemel daarnaast

bijna bleek schijnt. Wij stoomen over het kanaal, rijden langs de

baai met haar sierlijk afgeronde bochten, en na Korinthe een groet

te hebben toegezonden, alsook aan de bergen, stralend in het licht,

verdwijnen we in de kloof, die naar Argos voert. Weldra is de trein in

de verstikkend heete vlakte en houdt als uitgeput stil bij het station

Argos, waar we den tak naar Nauplia zich links laten verwijderen.

Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 4 / 7 段