Mijn licht bundeltje is dan ook spoedig gesnoerd; verscheiden blikjes,

die vernuftig ter plaatse kunnen worden warm gemaakt, insectenpoeder,

een paar geneesmiddelen, die men moeilijk ontberen kan in warme landen,

zijn met het strict noodige, een deken en de getrouwe kodak, de lijst

van mijn hebben en houden.

Ik kom aan den Piraeus, waar de "Aphrodite", een boot van de

Panhelleensche Maatschappij, naar Marathonisi gaat vertrekken. In

de buurt van de eetzaal aan boord heerscht evenals op de "Haghios

Nikolaos", die mij vroeger naar Korinthe bracht, een walgelijke geur,

en, de kooien zien er al even weinig aanlokkelijk uit. Het zou wel

kunnen zijn, dat ik mij van nacht aan lastige gevechten zal moeten

wijden. Het is hier zoo vuil, dat ik mij afvraag, of het dek wel

ooit wordt schoongemaakt, terwijl een blik in de keuken genoeg is,

om iemand allen eetlust te benemen.

En ik zal hier achttien uren moeten blijven! Wij zouden om elf uur in

den morgen van den Piraeus vertrekken, maar het werd twaalf uur. De

kapitein verzekerde mij, dat we een prachtigen overtocht zouden

hebben. Trouwens de zeeziekte verontrust mij niet erg.

Daar roept de bel de passagiers naar de eetzaal. Ik moet mee aan

tafel, hoe weinig animeerend ook de keuken hier is door het gebruik van

schapevet. Na verloop van een half uur kan ik eindelijk op dek gaan, om

daar den namiddag door te brengen. Reeds wordt Aegina kleiner door den

afstand en laat ons van dezen kant zijn steile wanden zien, bedekt met

een donkeren plantengroei. Boeren zijn op het voorschip geïnstalleerd,

sommigen zittend op veelkleurige koffers, anderen op ruwe dekens van

roode wol; een van hen zingt onder begeleiding van een rustieke luit

volksliedjes; en de anderen praten over de kleine gebeurtenissen van

hun leven, steeds onder het aflezen van hun rozenkrans.

Bij het vulkanisch schiereiland Methana dringt de "Aphrodite"

binnen in de nauwe doorgang, die Poros van Argos scheidt, waar de

oranje- en citroenboomen beschut zijn door het prachtige scherm van

de bergen. Er worden toebereidselen gemaakt voor een landing in het

stadje, dat schilderachtig op de rotsen is gelegen en waar het eerste

maritieme arsenaal van het jonge koninkrijk werd gevestigd. Booten,

overvol met menschen, komen naar ons schip in groote wanorde. Pas

zijn de passagiers en de goederen overhaast aan boord gebracht, of de

schroef zet zich weer in beweging, terwijl ieder een plaatsje zoekt,

door de vertrekkenden open gelaten. Het zal intusschen niet voor lang

zijn, want deze menschen gaan naar het eiland Hyera, dat zich al gauw

vertoont, als we om kaap Skyli zijn gevaren, die aan den oostkant de

uiterste punt van den Peloponnesus vormt.

Een uur later gaan we Spezzia in open zee voorbij aan den ingang van de

golf van Nauplia; die haven is met Salamis de voornaamste oorlogshaven,

maar ze kunnen beide niet wedijveren met de groote oorlogshavens. Het

was een heerlijke avond aan boord, en het gezang van de eenvoudige

lieden uit het volk wiegde mijn gedachten aangenaam in zoete rust.

Een poging om beneden slaap te vinden liep op niets uit, en al spoedig

was ik weer aan dek, om daar den morgen af te wachten.

De dag brak aan, toen we de golf van Marathonisi voorbijvoeren en

den steven naar het Noorden wendden, om tegen acht uur aan de moderne

kade van de gelijknamige stad te landen. Daar word ik aan wal gezet

en wandel dadelijk de stad uit naar een weg over de rotsen langs de

zee, waar ik de "Aphrodite" een laatsten groet kan brengen, zooals

ze daar voor anker ligt achter in de baai; de hoeven van het muildier

slaan luide op de steenen, terwijl de schoenen van den agoyaat en van

den gendarme, van voren opgewipt als een voorsteven van een schip,

zacht voorschuiven. De brave militair ziet er niet bar uit in zijn

vuilblauwe uniform, en ik moet onderweg meermalen denken, dat, als ons

iets overkomt, zijn tegenwoordigheid mij van weinig nut zal zijn. Er

worden mij, sinds ik in Griekenland ben, zooveel verhalen verteld van

den moed der inwoners van dit land, dat ik geëindigd ben met er niet

veel van te gelooven en te denken, dat er weinig durf onder hen is

en dat in het bijzonder degenen, die mij vergezellen, wel in staat

zouden zijn, om in geval van gevaar met den vijand te heulen. Voor

het oogenblik stellen ze zich tevreden met het zingen van een lied;

om beurten heffen ze een couplet aan, en dat zal zeker wel duren tot

bij kaap Matapan. Dus heb ik alle gelegenheid, zwijgend het prachtige

land te bewonderen, dat we zijn binnengaan.

Een afgevaardigde naar de volksvertegenwoordiging, de Mavromichalis,

die reeds meermalen minister is geweest en die te Athene een geziene

staatkundige positie bekleedt, had mij dikwijls aangeraden deze reis

te doen; hij zei mij, dat de bewoners van dit smalle schiereiland

vreemde gewoonten hadden behouden in hun woeste schuilhoeken en

dat ze verdienden, dat men hen beter leerde kennen. Toen ik dan

ook besloten was, te gaan, zocht ik den heer Mavromichalis op, toen

minister van Binnenlandsche Zaken, en hij kondigde mijn reis niet

enkel aan de autoriteiten aan, maar moedigde zijn partijgenooten

aan, mij vriendelijk te ontvangen. Ik stelde die daad te meer op

prijs, omdat de gesprekken, die ik met den staatsman had gehad, mij

voldoende op de hoogte hadden gebracht van de sociale toestanden in

het zonderlinge land.

De Mainoten, die zich de rechtstreeksche afstammelingen noemen van de

Spartanen die voor de barbaren vluchtten, hebben van die vermeende

voorvaderen het onbuigzame karakter en de strenge zeden. Ze hebben

krachtig weerstand geboden aan de Turken, die hen nooit hebben kunnen

onderwerpen. Al den tijd van de ottomaansche overheersching was er

een aristocratie van familiehoofden, zooals de Mavromichalissen,

die tegenwoordig in hun salons te Athene de reeks hunner voorvaderen

in de kleeding der Palikaren vertoonen, en betwistten elkander het

bergland in een onophoudelijken strijd, bestaande in vendetta's, roof-

en moordpartijen. Toen we door het kleine dorpje Mavrovoeni reden,

merkte ik op, dat enkele huizen van schietgaten zijn voorzien. De

mannen kijken mij aan met een trotsch en vijandig voorkomen.

Al spoedig hebben we het riviertje de Vardoenia achter ons gelaten,

en op den Passaheuvel bespeur ik de overblijfselen van een kasteel,

dat oudtijds bestemd was, de aanhoudende opstanden in het land te

beteugelen, dan een ander, waar niemand zich vertoont, en we verlaten

de nabijheid der zee, om aan zijn voet het voorgebergte af te snijden,

dat in kaap Pagania uitloopt. Tusschen kleine eiken en wat heidekruid

loopt de weg, en aan alles is te merken, dat de streek weer armer

wordt.

In de schaduw van een niet uitgegroeiden den houden we stil en ik

gebruik een vluchtig ontbijt, terwijl mijn oog rust op de ingesneden

toppen van den Taygetos, wijkend naar het Zuiden nu onder den naam

van Kako Voeni, dat is "slechten berg". En inderdaad dit is een

somber land, een opeenhooping van steile rotsen onder de brandende

zon, met hier en daar kloven en afgronden, waarboven arenden en

gieren zweven. Den geheelen namiddag volgden we de hellingen van

dit reusachtige en woeste bergland, waarbij we slechts twee of drie

dorpen passeerden, arme gehuchtjes eigenlijk, en door afgelegen kloven

gingen met een dicht struikgewas en vele donkere grotten. Het gevoel

van eenzaamheid komt over mij; ook mijn metgezellen loopen zonder

spreken voort. Het begint duister te worden, als we Lagia passeeren,

en aan de zee is het volkomen nacht. Zij schittert, waar ze tegen

de rotsen slaat in het koude licht der maan, en met een gevoel van

echte verlichting bereik ik tegen zeven uur in den avond de eerste

huizen van Porto-Quaglio.

Terwijl de agoyaat bezig is een onderkomen te zoeken voor het muildier,

en de gendarme naar zijn collega's is gegaan, stap ik de zaal binnen

van de herberg, waar het lekker ruikt naar gebraden kwartels. We waren

juist in den tijd van den vogeltrek, waarbij dit geurige wild, dat

hier overvloedig is, komt uitrusten op de uiterste punt van Europa,

eer het zijn vlucht neemt naar Egypte. Ik profiteer dankbaar van

de gelegenheid; eenige harde eieren en de onvermijdelijke harswijn,

waaraan ik trouwens reeds gewoon raak, voltooien het geurige maal,

en dan ga ik opzoeken wat met een stoutmoedig euphemisme mijn bed zou

kunnen worden genoemd, een eenvoudige houten krib, goed voorzien van

stroo. Maar het kan mij weinig schelen, de vermoeienissen der beide

laatste dagen zijn zoo groot geweest, dat een diepe slaap, niet door

eenig onaangenaam gesteek afgebroken, dadelijk mijn oogleden sluit.

Om zes uur in den morgen wacht mijn muildier mij reeds, geheel

gezadeld, aan de deur van de eenvoudige herberg te Porto-Quaglio, waar

ik den nacht heb doorgebracht. Ik haast mij, het zadel te bestijgen. En

terwijl de schuine stralen der zon reeds de ontmantelde kanteelen

van het kasteel vergulden, dat de stad beheerscht, rijd ik den chaos

binnen van de granietbergen aan kaap Matapan; omgevallen menhirs,

grotten en holen, waar de zee bruisend binnen dringt, en een sterke

reuk van wier en zeegras in de holten tusschen de zwarte rotsen. Het

rijden is moeilijker geworden door de hevigheid van den wind, die

den voet der gesteenten met schuim omzoomt; daar is eindelijk het

uiteinde van het donkere voorgebergte, waar de zeemeeuwen met groote,

witte vleugels hun doordringend geschreeuw doen hooren.

De verlaten zee heeft overal witte koppen, en het kleine kapelletje

"ton hagion Asomaton", dat tegenwoordig op de plek staat van het

beroemde heiligdom, gewijd aan Neptunus, schijnt te hangen boven een

donkeren afgrond. En als ik mij verwijder, geheel onder den indruk van

de grootsche doodschheid van deze plaatsen, die getuigen waren van

zooveel zeerampen, maakt mijn agoyaat, wiens gevoelens met de mijne

schijnen samen te stemmen, devotelijk een kruis, met oogen vol afschuw.

Een uur later is opnieuw de voet van de landengte bereikt, en langs

een verschrikkelijk moeilijk voetpad stijgen we weer langs de westkust

omhoog, en gaan in de richting van kaap Grosso, die den horizon afsluit

met haar hoogen marmeren muur. Deze strook lands, ingesloten tusschen

de zee en de gekanteelde toppen van den Taygetos, is het merkwaardigste

deel van het land der Mainoten, een streek, bedekt met lage struiken

en myrten, waar het strand overal kleine kreken vertoont en veel

rotsachtige kapen vol holen, plaatsen, waar de zeeschuimers hun buit

verborgen. Het zijn door de zon geroosterde bergen, met veel woeste

kloven, waar zich, hangend boven afgronden, verborgen in de groeven

tusschen het gesteente, arme dorpjes verschuilen, echte arendsnesten,

schuilplaatsen van roovers, het tooneel van vendetta's met bloed en

tranen, en geboorteplaatsen van helden.

Overal ziet men versterkte kasteelen en torens met kanteelen,

pyrgoi geheeten, voorzien van schietgaten. Het verbaast mij nu

niet langer, dat het een dergelijk land is gelukt, door de eeuwen

zijn volkomen onafhankelijkheid te bewaren, en dat men er thans nog

de oorspronkelijke woestheid van land en bewoners aantreft. Alles

verraadt die bij de Mainoten, vanaf den trotschen trek van hun magere

gezichten, omlijst door wapperende haren en met een langen knevel,

waarboven de oogen fonkelen, tot de plechtige manier van loopen,

de groote physieke kracht en de wijze, waarop ze de wapens dragen,

die ze nooit afleggen. Te Kyparisso, te Alika, in alle dorpen die ik

doorreis, kijkt men mij vast aan, zonder nieuwsgierigheid, zooals een

man zijns gelijke aanziet, en dat is iets, waar mijn reizen mij niet

aan aan hebben gewend, sedert ik in Griekenland ben.

Wij houden stil om te ontbijten aan den rand van die groote hoogvlakte,

die zich uitstrekt van de kaap tot den voet der bergen, en terwijl

ik mijn blik laat weiden over het azuur van de golf van Koroni,

in de verte eindigend in kaap Gallo, die met haar zusters, kaap

Matapan en kaap Malée de laatste vormt van de drie vingerspitsen

dier grove hand, die de Peloponnesus is, herinner ik mij alles, wat

de heer Mavromichalis mij heeft verteld van zijn woeste kiezers. Ze

zijn dapper en trouw en hebben opgehouden, onder elkander, zooals

ze eertijds deden, bloedige gevechten te leveren; maar de politieke

strijd neemt nog onder hen een zoo heftigen vorm aan, dat men zich

midden in een barbaarsch land waant, zoodra de tijd der verkiezingen is

genaderd. In hun wezen rebellisch, wars van alle gezag, verdragen ze

slechts met moeite het stelsel van den verplichten militairen dienst,

en de afstammelingen van die helden uit den vrijheidsoorlog hebben

de grootste moeite, zich te schikken naar de tucht, hoe weldadig die

ook zij, van het regiment. Met den geest nog vol van het heidensch

bijgeloof, gelooven ze aan de godheden van de zee, aan die Nereïden,

die hun holen en grotten bewonen, aan de orakelspreuken, door de

rookende ingewanden van dieren gegeven, en als er een der hunnen

sterft, laten ze nooit na, onder in zijn doodkist, met proviand voor

de sombere reis, ook het kleine geldstukje te leggen, dat Charon van

hen zal eischen aan den oever van de Styx.

Hun zeden hebben de oude zuiverheid behouden, en de deugd der vrouwen

is enkel te vergelijken bij haar strenge schoonheid. De overspelige

vrouw wordt gedood door haar man, en haar medeplichtige wordt door

het volk met den dood gestraft. Wee dengene, die de vrouwen hier te

nadrukkelijk aanziet, wee hem, die een jong meisje compromitteert! Hij

moet haar onmiddellijk trouwen en als hij verdwijnt, zonder de zaak in

het reine te brengen aan het eind van de enkele weken, die de gewoonte

hem toestaat, is het met het ongelukkige kind gedaan, dat door de

ouders koelbloedig wordt gedood, liever dan dat ze haar schande haar

laten overleven. En zou men zich hier niet in de tijden van het oude

Sparta terugdenken, als men de moeders gevoelloos en met wilde gebaren

ziet in de tegenwoordigheid van de lijken van haar bij de vendetta's

gedoode zoons, als die laatste niet in de borst zijn getroffen?

Als ik dan ook, na Pyrgos te zijn voorbij gereisd, in den laten

namiddag aan de poorten van Areopolis kom, waar de geheele bevolking

met den burgemeester aan het hoofd is samengeloopen, om mij welkom

te heeten, en die brave lieden meen te moeten doen begrijpen, dat

ik als een goed Franschman hun edel en trotsch karakter bewonder,

dat ik een vijand ben van list en leugen, eindig ik mijn toespraakje,

dat ik met behulp van het woordenboek zorgvuldig had voorbereid, met

de geheiligde formule: "Evcharisto, adelphoi, zito Areopolis! Dank,

broeders, en leve Areopolis!" Toen weerklonken er eindelooze kreten en

toejuichingen, roode mutsen vlogen in de lucht, er werd geestdriftig in

de handen geklapt, het kruit liet zich hooren, en de scherper stemmen

van de vrouwen, die ik op mijn woord slechts tersluiks heb aangekeken,

mengen zich onder die der mannen, en duizendmaal herhaald klinkt het

vol enthousiasme: "Zito o Gallos, zito i Gallia! Leve de Franschman,

leve Frankrijk!"

Men ziet, dat de afgevaardigde uit de streek, meer nog dan de

minister van Binnenlandsche Zaken, het is geweest, die mijn doortocht

heeft aangekondigd, want ik kan geen voet verzetten, zonder dat

oogenblikkelijk een sympathiek gestemde menigte op mij toesnelt; men

ziet mij nieuwsgierig aan; in de herberg, waar ik ben binnengegaan,

om een glas ouzo, nationalen brandewijn, te drinken en eenige olijven

te gebruiken, zie ik de kinderen lachen en elkander aanstooten, toen

ik in uitstekend Grieksch om kafé kai loucoumia vraag, de geparfumeerde

olijven, die lang niet zoo lekker zijn als die uit Konstantinopel.

Het is overal ongewoon druk; groepjes in feestkleedij verzamelen zich

aan de deuren; de vrouwen hebben haar beste kleeding aangetrokken,

haar boezelaars, met schitterende kleuren geborduurd, haar witte

tunica's of de lange mantels zonder mouwen, die de armen laten zien

en een gedeelte van de borst; ze hebben het hoofd bedekt met mutsjes,

waar gouden versierselen op zijn aangebracht, meestal in penningen

bestaande, op de borst dragen ze allerlei zilveren en koperen sieraden,

en om den hals is een lange gazen sluier geslagen.

De mannen in de fustanella, schitterend van witheid, hebben hun

crêmekleurig buis aangehouden en de pantoffels met de rozetten van

blauwe wol, de vesten vol bonte arabesken en de gordels, waar degens

en patroontasschen aan hangen; of wel ze hebben gele laarzen van leder

aangedaan, met gouden figuren bestikt, die passen bij de versierselen

van hun overkleed. Er wordt mij verteld, dat een notabele gisteren zijn

dochter heeft uitgehuwelijkt; naar grieksche gewoonte is de pope laat

in den avond aan het huis der bruid gekomen, waar een voorloopig altaar

is opgericht; driemaal is de trouwring van de hand des bruidegoms

aan die van het jonge meisje gestoken; ze hebben van hetzelfde

brood gegeten en uit hetzelfde glas gedronken, om aan te duiden,

dat voortaan alles voor hen gemeenschappelijk moet zijn, en, gekroond

met oranjebloesem, zijn ze om het altaar heengegaan, gevolgd door de

bruidsmeisjes en de bruidsjonkers, terwijl de priesters en de ouders,

geknield in een kring, over de jonggehuwden de zegeningen des hemels

hebben afgesmeekt. En de bevolking heeft aan het feest deelgenomen;

ze is naar het hoogste deel der stad gegaan, waar er schapen voor hen

geslacht zijn geworden en waar wijn en confituren zijn uitgedeeld; er

is toen den geheelen nacht gedanst op de tonen van allerlei liederen.

Een rijstsoep, die nog al lekker is, olijven in pekel en een stuk

rhalva, soort van honingkoek met saffraan en anijs, vormen het menu

van het uitstekende maal, dat mij op een hoekje van een wankele tafel

wordt voorgezet door een zeer mooi meisje van het land, wier haren,

sierlijk in het midden gescheiden, op de schouders hangen. En dan word

ik naar mijn kamer gebracht, ditmaal in het geheel niet van een bed

voorzien, en waar dit meubel, dat men voor onontbeerlijk zou houden,

is vervangen door wat stroo, op den grond uitgespreid. In mijn deken

gewikkeld en doodop door de afschuwelijke duwen en stooten, waarop

mijn muildier mij zoo ruimschoots had getracteerd op de plaatsen

waar de wegen slecht waren, denk ik er slechts aan, nieuwe krachten

in te zamelen, om even dapper als vandaag de groote vermoeienissen

van morgen te verdragen.

Reeds om vier uur opgestaan, want ik moet ten einde des avonds

in Sparta te zijn, vijftien uren per muildier rijden, verlaat ik

het gastvrije plaatsje Areopolis, en terstond aan de zee den rug

toekeerend, begin ik de hellingen van den Taygetos te bestijgen, waar

een diepe insnijding mij een weg door zal banen naar Marathonisi. Voor

de laatste maal groet ik het schoone land, dat mij zulke nieuwe en

schoone indrukken heeft gegeven en verdwijn in de woeste kloof, waar

ik afwisselend eikenboschjes tref, hooge rotsen aan steile afgronden,

voetpaden, die nauwelijks te onderscheiden zijn in het rotspuin,

en bergwanden, die wonderlijk mooi verlicht zijn en in trotsche

majesteit verrijzen. Zoo bereik ik het dorp Karyopolis en zijn

ellendige hutten, in het bergland verloren. De menschen hier loopen in

lompen, en ik vraag mijzelven af, waar ze van leven op dezen grond,

waar de bebouwbare lagen ver te zoeken zijn. Maar ik heb geen tijd,

een economisch probleem te doorgronden; nog een paar inzinkingen

en daar is de zee weer, daar is het dal van de Vardoenia en spoedig

daarna Marathonisi.

Het is tien uur; ik neem, niet zonder eenige ontroering, afscheid van

mijn braven gaïdoeri en mijn beide metgezellen, die natuurlijk bij

de gewisselde handdrukken een toespraakje houden. En op een anderen

muilezel, geleid door een nieuwen agoyaat, begeef ik mij enkele

oogenblikken later weer op weg naar Sparta en het dal der Eurotas.

Gytheion vertoont op twee tweelingheuvels zijn wankelende stukken

muur tot aan den rand van den weg, die nauw wordt ingesloten tusschen

de zee en de bergen. Niet ver van daar springt een bron, waarvan

het gemurmel over de steenen mij heerlijk toeschijnt. Het is in

Griekenland zulk een zeldzaam schouwspel, dat ik er mij een poosje

ophoud, om mijn door de heete middagzon gloeiend hoofd af te koelen,

terwijl de agoyaat een rietstengel afsnijdt, om er een fluitje van

te maken. Dan volgt het in puin liggende fort Khaki-Skala, en dan

begint de weg de hellingen van den Taygetos te bestijgen, namelijk

het voorgebergte Vardoeno Khoria, waar de Eurotas, die uit de vlakte

van Sparta komt, zich een weg doorheen moet banen.

Weldra onttrekt een eerste pas Marathonisi aan ons oog en we gaan

verder met stijgen door boschrijk bergland, van waar de vlakte van

Helos te overzien is en waar Cytherae zich aan den zuidelijken horizon

vertoont. Nog een laatste stijging, en bij het dorp Levetzova begint

de daling naar de vlakte van Sparta, die daar voor mij ligt in een

goudgeel waas van rieten daken. Een rij laurieren en platanen wijst

den loop van de Eurotas aan, die hier en daar fonkelend straalt langs

den prachtigen muur van den Parnon, terwijl de hooge keten van den

Taygetos zijn reeks van indrukwekkende toppen tegen de lucht afteekent.

Hoewel de zon snel begint te dalen, is het in de diepte van de kom

ondragelijk warm; de bleeke olijven, de vijgeboomen en de moerbeiboomen

met hun donker groen, dat ongelukkig onder een laag stof schuil

gaat, de oranje- en citroenboomen, met gouden vruchten beladen,

omringen de velden, waar reeds het zaaisel voor het volgend jaar is

uitgestrooid. Dit is Laconië, een mooie en rijke provincie met veel

landbouw, waar sierlijke dorpen zich in het groen verbergen en op den

achtergrond waarvan zich in den vallenden avond achter de acropolis

van Amyclae de heuvels van Sparta in flauwe omtrekken vertoonen, waar

ik eindelijk om acht uur in den avond aankom, uitgeput van warmte

en vermoeienis.

Door tuinen omringd, liggen de witte, lage huizen van de moderne stad,

die door koning Otto in den loop van zijn kortstondige regeering

werd gesticht, tegen een heuvel aan, waar broodboomen en heide

den grond bedekken. Ze waren reeds verdroogd door de zon, wat ik

opmerkte toen ik den volgenden morgen een tocht ondernam door de

breede, rechte en eentonige straten aan den voet van den kolossalen

Taygetos. Groote zwarte cypressen, ook al weer onder een laag stof,

rezen er ten hemel. Onder luifels etaleerden de winkels van den bazar

op gevlochten rietmatten de mooie vruchten van Laconië, meloenen

en fluweelige vijgen, en boeren, gekleed in een lang, rood gewaad,

met een koord om het midden, loopen af en aan onder het gehinnik van

hun paarden, de sandalen door touwen vastgebonden aan hun gebronsde

enkels. Ik ontmoet vrouwen in ruime hemden, met mooi, laag voorhoofd,

energieke kin, en terwijl ik moet erkennen, dat ze waard zouden wezen

door haar physiek de afstammelingen te zijn der oude Spartanen, kom

ik over een grasvlakte bij de plek, waar enkele overblijfselen de

plaats der antieke stad aanduiden; resten van graven, fondamenten

van muren, ruïnen van een schouwburg, die naar de strenge wetten

van Lycurgus alleen bestemd was voor lichaamsoefeningen. Hier,

beweert men, is het overblijfsel van Leonidas' graf, het stadion,

waar de jongelieden zich in wedloopen oefenden, en wat verderop,

een door de Eurotas gevormd eilandje, waar de rivier zich splitst,

een boomgroep, waar de moderne Lacedemoniërs hun openbare wandelplaats

hebben aangelegd. Het is de Platanistas, waar men onder het oog der

grijsaards oudtijds de kinderen sloeg, om ze aan pijn te gewennen,

waar de jongelieden elkander geregelde gevechten leverden en zonder

een klacht in den dood gingen. En ik bereik weer de nieuwe stad door

moerbeiboschjes en denk aan al die ruwheid uit het verleden, aan de

woeste geestkracht, die hier aan den dag werd gelegd, aan die ruwe

zeden, die aan de Spartanen, met de verachting van den rijkdom, tevens

een diepe minachting inboezemden voor de onsterfelijke kunstwerken.

Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 3 / 7 段