dat toen ik in de eerste tijden van mijn verblijf te Athene naar de
zoo zuivere lijnen van dien berg keek, waar zoo weinig plantengroei te
zien was als in de oneindige woestijn, dat ik toen verbaasd mijzelven
afvroeg, wat er voor de bijen wel te halen mocht zijn op die verlaten
hoogten, waar de wandelaar slechts naakte rotsen ziet zonder eenige
struik of bloem. Ik zocht al sedert lang naar de oplossing van dat
raadsel, toen ik in een gesprek toevallig hoorde, dat die beroemde
honig eenvoudig perenstroop was, waar de bijen niets of zoo goed als
niets mee te maken hadden. Maar ik wil liever blijven gelooven, dat
de Hymettus van de Oudheid werkelijk bloemrijk was en dat de bijen
er een ruimen oogst van suikerhoudend sap konden vinden, want anders
zouden de dichters, die den berg hebben bezongen, en wat zijn ze
talrijk geweest, hun verbeelding de perken te buiten hebben laten gaan.
Terwijl ik mijn maal besluit, nieuwsgierig aangekeken door het kind
van den huize, dat met de beide handen op den rug vóór mij bleef staan
met wijd geopende oogen, zijn er nog een paar liefhebbers van de bruine
soep binnen gekomen en jagen de vogels weg, die puffend van de hitte,
een schuilplaats zijn komen zoeken onder de wankele tafeltjes. Er komt
geen geluid van buiten, behalve nu en dan een ongeduldigen voetstap van
een der paarden van mijn rijtuig, door een beest gestoken; de stoffige
weg brandt, en op het veld schroeien enkele magere grassprietjes. Wat
zal het hier zijn in den tijd van hoogsten zonnestand, als het in de
lente er reeds niet is uit te houden van de hitte als in een fornuis?
Vastbesloten, mij niet door de indolentie te laten overweldigen,
geef ik mijn koetsier een wenk, die al brommend, want het is middag en
dus het uur van rust, met zijn span het brok muur verlaat, waarachter
hij wat schaduw had gezocht. En weer zijn we op weg naar Mycene.
Pas zijn we de laatste huizen van Kharvati voorbij, of de weg loopt
door een kloof van indrukwekkende schoonheid. We hebben rechts van
ons een diep ravijn met de ruïnen van een brug uit den Cyclopentijd,
terwijl rondom ons hooge, steile rotsen zich verheffen, zoo steil,
dat ze onmogelijk op hun hellingen genoeg aarde kunnen vasthouden,
om nog zoo'n kleinen boom te kunnen voeden. Daar vertoonen zich veel
grijze steenen en puin en iets wat op fondamenten gelijkt. Het zijn de
ruïnen van de eigenlijke stad, die in het smalle dal zich uitstrekte,
waar ik nu ben. De stad werd verdedigd door een lijn van muren,
waarvan nog overblijfselen te zien zijn op de bergen links en langs
het verdroogde riviertje. Op den achtergrond, tegen den berg geleund,
in een echten kring van rotsen, aanschouw ik eindelijk de vervloekte
stad, rood in het licht der ondergaande zon.
Dit tooneel van de duistere heldendaden van het geslacht der
Atriden heeft wel een decoratie, die erbij past, en denkend aan de
verschrikkelijke drama's, hier afgespeeld, herinner ik mij plotseling,
bij Edmond About te hebben gelezen, dat hij diep was getroffen geweest
door de overeenkomst, bestaande tusschen het stroeve karakter van
de woeste streek en de herinneringen, die rondwaren op deze plaatsen
van sombere verschrikking.
Sedert de geruchtmakende opgravingen van den heer Schliemann dertig
jaren geleden, is de aandacht der archeologische wereld meer en
meer op Mycene gevestigd geworden, op de goudstad, zooals Homerus
haar noemde. Men heeft zoo goed losgemaakt wat er restte van de
bouwwerken der acropolis, dat de toeschouwer zich werkelijk een zeer
heldere voorstelling kan maken van het leven in die lang vervlogen
tijden. Ziehier eerst de prachtige cyclopenmuren, gemaakt van enorme
blokken van meer dan een kubieken meter, en op elkander gestapeld
tot een hoogte van zes meter. Ze omringen met hun imposante massa
de beroemde Leeuwenpoort, met den driehoekigen steen, waarop ruw
twee leeuwinnen zijn gehouwen, die tegenover elkaar op een zuil
leunen. Daardoor treedt men de vesting binnen.
Terstond begeef ik mij naar de agora, een cirkelvormig terrein met nog
de concentrische rijen steenen banken, waar de leden van den raad der
grijsaards plaats namen, die zoo dikwijls in de Ilias worden genoemd,
en onder welks grond de graven zijn ontdekt. De weduwe van den heer
Schliemann, die ik persoonlijk te Athene heb gekend, was nog diep
ontroerd, toen ze mij van die opgraving vertelde. Toen de deksels der
sarcophagen werden opgelicht, zag men geraamten, geheel bedekt met
bladgoud, maskers van goud om de schedels, gebeeldhouwde rustingen,
sieraden van de fijnste bewerking, schitterende diademen, en er ging
een gevoel van onbeschrijfelijke geestdrift door de aanwezigen. Mocht
men niet bezweren, dat men in de tegenwoordigheid was van de graven van
Agamemnon en zijn lotgenooten in het ongeluk, volgens de overlevering
in de acropolis begraven? Die hypothese heeft veel voor, en al zou
ze worden betwist, toch blijft het gewicht van deze mooie ontdekking
even groot en maakt van de zaal van Mycene in het museum te Athene
een der schitterendste archeologische verzamelingen uit Europa.
Over de treden van een monumentale trap aan den ingang van het paleis
van den koning der koningen, betreed ik een ruimte, waar nog de resten
van een ronden haard zijn te zien. In deze ruimten zijn de bloedige
tragedies afgespeeld, die door niets in gruwelijkheid kunnen worden
overtroffen en die mij op dit oogenblik met aangrijpende duidelijkheid
voor den geest komen. Met het hoofd vol oude homerische herinneringen,
vermengd met gedachten aan mijn schooljaren, ga ik weer door de
Leeuwenpoort, begeerig om nog, eer ik Mycene verlaat, de koepelgraven
te zien, die buiten de vesting zijn opgericht, waarvan er een, naar
men zegt, het lijk van Clytemnestra bevatte, die niet waardig werd
gekeurd, om te rusten binnen de omheining, die door haar was onteerd.
Wat vaststaat is, dat die koninklijke graven, die in de nabijheid zijn
aangelegd, van veel later datum zijn dan die uit de acropolis. Het
merkwaardigste er onder, bekend onder den naam van den Schat van
Atreus, is naar het zeggen van de aanvallers van den heer Schliemann
niet anders dan het echte graf van Agamemnon. Het is ver van mij,
partij te willen kiezen in deze oudheidkundige vraag, die niet tot
mijn competentie behoort, en waarvan de oplossing in den eenen of den
anderen zin niet toe of af doet tot het zeer wezenlijke belang van
dit grafmonument. Een mooie laan, geopend langs de helling van den
berg en door muren omringd, geleidt naar de poort van de onderaardsche
ruimte; zoodra ik die ben doorgegaan, bevind ik mij in een prachtige
zaal in den vorm van een bijenkorf, twaalf tot vijftien meter hoog en
verwonderlijk goed onderhouden. De steenen, die op elkaar waren gezet,
zijn daarna uitgehold, tot men de gewenschte bocht kreeg, en vervolgens
werden in de openingen tusschen de steenen een zeker aantal kleine,
spitse steenen gestoken, om aan het geheel de noodige stevigheid
te schenken. Thans bestaat dit bouwwerk bijna drie duizend jaren,
en ik weet niet, dat het ooit een reparatie heeft noodig gehad. Zou
men hetzelfde kunnen zeggen van de gewelven onzer kathedralen of van
andere bouwwerken, die nog moderner zijn en die zoo dikwijls verscholen
zijn achter steigers, voor den teleurgestelden toerist het eenige,
wat hij te zien krijgt?
Een tweede zaal, kleiner en lager, eenvoudig in de rots uitgehouwen
en totaal donker, diende als grafkamer, terwijl de groote, die rijk
versierd was, de offeranden bevatte, alsook de wapens en de sieraden
van den doode. Juist dezelfde schikking vindt men terug in een ander
van die koepelgraven, op enkele minuten afstands van het zooeven
beschrevene en dat gewoonlijk het graf van Clytemnestra wordt genoemd,
veel minder goed bewaard dan het eerste, en waar men slechts vrij
onbeduidende voorwerpen in heeft aangetroffen.
Ik ben nu aan het einde van het bezoek aan deze in nevelen gehulde
en prehistorische stad; nog eenmaal omvat ik met den blik alle steile
rotsen met hun vergeeld gras. Overal vertoont het zaaisel zijn kracht
in enkele donkergroene plekken; groote uitgestrektheden katoenboomen
en korenvelden, die al goudkleurig zijn, wisselen af met tabaksvelden;
de citadel van Argos steekt in de vlakte vooruit op haar rotskaap; de
cyclopische massa van Tirrhyns springt alleen naar voren uit de gele
velden, en heel in de verte ziet men Nauplia en zijn witte huizen, met
schaduw overtogen door de rots van Palamedes, die, van hier uit gezien,
door de steile helling gelijkt op de rots van Gibraltar, en eindelijk
in de verte de blauwe golf, waar lichte zeilen zich op vertoonen.
De weg is stoffig, en de hagen aan de zijden zijn geheel wit; op
de velden is het druk, want het oogenblik is reeds gekomen, waarop
haver en rogge moeten geoogst. Boerinnen gaan voorbij met de kruik
van roode aarde op den schouder; de sierlijke beweging van den arm,
die lichtelijk is gebogen, doet de vormen van haar lichaam onder
de lichte bedekking goed uitkomen. Met haar korte rokjes en op de
bloote voeten, gaan ze drinken brengen aan de arbeiders op het land,
lachend om het stof, dat ze opjagen en om den wind, die in de laatste
oogenblikken heviger is geworden en die haar loop vertraagt en haar
in het gezicht striemt. "Wees welkom onder ons", zoo roept mij een
der vrouwen toe met haar helderen blik, "en kom eens kijken naar het
werk der boeren van Argos!"
Er is daar juist een groep mannen bezig niet ver van den weg; het
is nog niet laat genoeg op den namiddag, om te weigeren aan die
onverwachte uitnoodiging te voldoen. Men komt om het rijtuig heen
staan, er worden mij warme en vochtige handen toegestoken en daar
ben ik onder de boeren verzeild, die vertrouwelijk en goedig zijn te
midden van de rijpe aren op den grond. Ze hebben hier een eigenaardige
manier van dorschen; ik had reeds opgemerkt, dat er langs den weg op
geregelde afstanden ronde, ruw geplaveide plekken waren, en ik vroeg
mijzelven af, waar die wel voor mochten dienen. Ik kreeg spoedig een
antwoord, toen ik mijn vrienden aan het werk zag.
Zoodra de halmen zijn afgesneden, gewoonlijk met de sikkel, brengen
kinderen ze naar den dorschvloer, waar ze worden uitgespreid. Twee
paarden, gespannen voor een soort van houten kist vol steenen, waarop,
ten einde het gewicht te vermeerderen en ook voor amusement, jongens en
meisjes zijn gezeten, loopen aanhoudend in een kring rond en dorschen
het graan. Als die bewerking is afgeloopen moet men, eer een nieuwe
voorraad koren op den vloer wordt gebracht, het graan zuiveren van de
onreinheden. Om dat te doen werpen vrouwen, voorzien van een soort
van houten schoppen, het koren omhoog in den wind, en weldra zijn
er twee hoopen gevormd, de eene van het kaf, dat eraf is gevlogen
en een andere van het zwaardere, in de buurt gevallen graan. Het is
een bewerking, die te verdedigen is, als de wind niet te hevig is,
maar als er een frissche bries waait zooals nu, bespeur ik, dat een
aanzienlijke hoeveelheid wegvliegt en dat de menschen op die wijze
een goed deel van hun oogst verliezen. Als men bedenkt, dat ondanks
de uitstekende hoedanigheid van sommige gronden in Griekenland de
opbrengst lang niet is, wat ze moest wezen, door de zorgeloosheid
en de weinige geldelijke hulpmiddelen, waardoor de boeren er niet
toe komen hun gronden te verbeteren, dan kan men nagaan, wat ervan
terechtkomt na zulk een weinig rationeele behandeling.
Maar de tijd is gevorderd onder deze overdenkingen; Argos is thans
vlakbij. Daar verrijst de kegelvormige berg van Larissa; de wind doet
van het witte klooster Panaghia op de helling klokketonen tot mij
overkomen, aankondigend, dat Christus is opgestaan, terwijl hooger
op den berg een frankisch kasteel in puin zijn vervallen kanteelen
toont. Aarden muren, gelijk aan die uit de oasen van Soedan, dragen
platte daken of terrassen. De café's uit de hoofdstraat zijn vol
menschen; boeren uit de vlakte en zelfs uit het binnenland van den
Peloponnesus doen er zaken, en daar ze allen nog al heftig zijn, gaat
het er luidruchtig toe. Maar het is gelukkig veel geraas en weinig
wol, en de vuile politieagent, die in zijn blauwe uniform rondwandelt,
kijkt zelfs niet om, als er aan zijn oor scherpe woorden klinken. Hij
weet wel, dat ze naar alle waarschijnlijkheid geen gevolgen zullen
hebben en dat er altijd nog wel tijd zal wezen, om, als het noodig
wordt, een mooi verzoeningsspeechje te houden.
De eerbied van den Griek voor woorden is slechts te vergelijken met
zijn liefde voor de mooie geste; de zinnen van het gewoonste gesprek
gaan bij hem altijd gepaard met betoogingen door handen of armen;
maar als hij in een twistgesprek is of zijn belang moet verdedigen,
stijgt die hartstocht voor bewegingen tot het hoogste; het lichaam
wordt voorover gebogen, de oogen puilen uit hun kassen, en men gaat
meenen, dat er een vuistgevecht ophanden is, terwijl een seconde later
alles tot de grootste kalmte is teruggekeerd. De opwinding heeft een
gewonen uitweg gevonden.
Veel van die vermakelijke tooneelen doen zich voor terwijl ik
door Argos loop, dat nu wel zeer vervallen is van zijn vroegere
grootheid. Een alleenstaand gebouw, de schouwburg, die aan de stad
door de Romeinen werd geschonken, is het eenig overblijfsel, dat
herinnert aan de rol, die de stad heeft gespeeld. Op de halfvergane
treden van dien schouwburg werd indertijd de eerste vergadering
gehouden, toen in den vrijheidsoorlog het nieuwe koninkrijk gesticht
was. Verschanst in de acropolis, hield Ypsilanti roemrijk stand tegen
het turksche leger, en dat verscheiden dagen achtereen. Argos bewaart
die kostbare herinneringen uit het mooiste gedeelte van de moderne
grieksche geschiedenis als iets kostbaars, en de ligging der stad te
midden van een vruchtbare streek in de nabijheid der zee moet haar
een waarborg zijn, dat er weer tijden van voorspoed zullen volgen.
De bergen werpen reeds groote schaduwen over de vlakte, die ik nu in de
volle breedte moet oversteken, om van Argos naar Tirrhyns te gaan. Twee
vermolmde houten bruggen zijn over de bedding der Charadros geslagen
en over die van de Inachos, waar nog een weinig water in is om dezen
tijd van het jaar. Dan passeeren we windmolens, die luidruchtig draaien
met hun groote wieken en gescheurde zeilen. Die bouwsels schijnen dan
toch te zeggen, dat de boeren hun oogst niet naar de vier windstreken
laten vliegen! Weldra houdt het rijtuig stil onder het afdak van een
kleine khani; ik ben aan den voet van de acropolis van Tirrhyns.
Deze hoogte, alleen staand te midden van de velden en zich niet hoog
boven de vlakte verheffend, ziet er niet zeer indrukwekkend uit. En
toch was het volgens, de legende hier, dat Menelaus al zijn huiselijk
leed ervoer. Terwijl ik door de bouwvallen dwaal, door de ruimten,
waar het huisaltaar stond, waar de slaven en bedienden woonden in dat
oude tijdperk van primitieve grootheid, moet ik mijzelven afvragen,
hoe de menschen zulke kolossale steenen omhoog hebben kunnen krijgen,
door welke hulpmiddelen zij ze op elkander hebben kunnen stapelen,
en ik ben verstomd van bewondering en verbazing.
De wind blaast door de spleten van de steenen en schudt de boompjes,
die met hun groene takken de resten overdekken van een voor altijd
ondergegane beschaving. Mycene rechts van mij is in den nevel bijna
niet te onderscheiden; de citadel van Argos vóór mij, die van Nauplia
links zullen alleen worden verlicht door de laatste stralen van
de ondergaande zon, die achter de bergen verdwijnt; een gevoel van
onbestemde somberheid en melancholie vervult mijn gemoed; het is of
het gehuil van den wind een klaagtoon is van al, wat hier gestorven is
in den loop der eeuwen. Het is mij, of de grootsche stem der natuur
protesteert tegen de tegenwoordigheid van den vreemde hier in deze
doodenstad van reuzen, wier eeuwigen slaap men niet moet storen. Ik
haast mij om uit dit neerdrukkende groote verleden weer voeling te
krijgen met mijn tijdgenooten, en met een echt kinderlijke vreugde
hervind ik in de khani den trouwen amaxa, die mij terug zal brengen
naar Nauplia.
Een officiëele landbouwschool, gesticht door Capo d'Istria, die hier
goed ter plaatse is te midden van de vruchtbare alluviale landerijen,
ligt aan onzen weg. Ik wenschte voor Griekenland, dat men erin slagen
mocht, geslachten van kundige boeren er te kweeken, die voor goed
zouden breken met de verouderde methoden, waar ik staaltjes van heb
gezien. Maar ik durf het niet vast te gelooven; de school bestaat
al meer dan zeventig jaren en ik vraag mij af, welk onderwijs de
leerlingen, die er zijn opgeleid hebben genoten en hoe ze het in
practijk hebben gebracht.
Nu komen de moerassige terreinen, grenzend aan de diepte van de Golf;
de weg, omzoomd met mooie platanen, loopt langs de zee; Nauplia,
in verdiepingen opgestapeld op de rotsen van den heuvel Itsch-Kalé,
kijkt in de vlakte van Argos; hoorngeschal klinkt uit het fort
Palamedes, dat, half gevangenis, half kazerne, als een zwaar blok
boven ons hangt. Wij gaan door den ringmuur der stad en dan door
een doolhof van straatjes, vol modderpoelen, waar mijn rijtuig met
totalen ondergang wordt bedreigd en bereiken eindelijk de haven en
het vreemdelingenhotel. Uit de vensters van de eetzaal bespeur ik de
Golf, welker water nu paars is, terwijl een lichtrose tintje nog op
de bergen hangt van Arcadië. De wind is bijna geheel gaan liggen,
en de laatste booten met witte en roode zeilen van verschillenden
vorm, komen de eene na de andere aanleggen aan de kade, waar reeds,
in afwachting van den nachtdienst van Paschen, de heele wereld van
Nauplia tusschen de blauwe uniformen der officieren van het garnizoen
heen en weer wandelt.
En terwijl ik mij vermaak met de gezellige drukte, merk ik op, dat
de mannen in het algemeen, voor zoo ver ze tot het volk behooren,
de roode fez dragen en de lage muilen. Er zitten er ook naast mij,
die kalm de narghilé rooken, die hun wordt gebracht geheel klaar,
zooals men in Europa de vertering brengt; anderen laten met de oogen in
het vage de grove kralen van den rozenkrans door de vingers glijden,
die in het Oosten zoo algemeen is, en welke machinale beweging meer
een tijdverdrijf schijnt dan een werkelijk gebed.
De nacht is warm en helder; de klok van een kerk begint te luiden met
versnelden pas; daar antwoorden andere met scherper of doffer klanken,
en het is een vreemde cacophonie, waarin zich zoo nu en dan de zware
tonen mengen van het carillon der kathedraal. Christus is opgestaan,
en de menigte vult de kerken. Ik ging binnen in die van den Heiligen
Geest, waar Capo d'Istria verraderlijk werd vermoord en maakte,
als iedereen, het teeken des kruises met de aaneengesloten drie
voorste vingers van de rechterhand, achtereenvolgens gebracht naar
het voorhoofd en naar de borst ter rechter en ter linker zijde. Het
heilige is als in alle byzantijnsche kerken gescheiden van het overige
gebouw door een wand, bedekt met vrome platen, die door de geloovigen
worden gekust onder aanhoudend maken van het teeken des kruises; in
het midden staat het altaar, overgoten van licht en zichtbaar door een
getraliede poort. De koorzangers zingen psalmen zonder begeleiding;
ze zijn als de priesters in een lang zwart gewaad gekleed met hoog
opgestoken haren onder de hooge cylindrische muts.
Maar daar komt de priester in zijn met goud geborduurd misgewaad; zijn
lange baard en zijn spierwitte haren omringen het patriarchengelaat
met de zachte en toch mannelijke trekken; hij zingt langzaam
enkele woorden, en de menigte knielt met het gelaat tot den grond
gebogen. Toen, terwijl het koor een litanie begint, die mij treft
door haar grootschheid, worden de kaarsen aangestoken in de handen
der geloovigen; daarboven in den toren worden de klokken heftig
bewogen; dit is het plechtige oogenblik; de deur van het koor wordt
geopend, de pope verschijnt in al zijn waardigheid met een gevolg
van geestelijken op den drempel: "Broeders," zegt hij met bevende
stem, "Christus is opgestaan, Christos anesti!" Dadelijk vallen de
geloovigen elkander in de armen en kussen elkaar op het voorhoofd,
terwijl ze met het koor meezingen het Paaschhalleluja. Buiten maken
de voetzoekers lawaai, vensters worden met bengaalsch vuur verlicht,
en de vreugde zal den ganschen nacht duren.
Die kreet van "Christos anesti", die door heel Griekenland
vandaag weerklinkt, wekt mij vroolijk te Nauplia, zoodra deze mooie
Paaschmorgen is aangebroken. De kellner van het hotel heeft terstond
behoefte, zijn geestdrift te uiten. De menschen omhelzen elkaar allen
onder de begroeting met dezelfde formule.
Een officier uit Athene had mij een brief van aanbeveling meegegeven
voor een van zijn kameraden te Nauplia, opdat ik toegang zou kunnen
krijgen tot de kazerne en de traditioneele Paaschfeestelijkheden
zou kunnen bijwonen. Eer ik mij naar hem toe begaf, werp ik een
blik op den obelisk aan de haven, opgericht ter herinnering aan
den daadwerkelijken steun, dien Frankrijk aan Griekenland verleende
in de epische tijden van den vrijheidsoorlog. Het moge waar wezen,
dat de Grieken babbelachtig en oppervlakig zijn, ik merk toch met
genoegen op, dat ze niet vergeten, en dat ze in hun geheugen de namen
bewaren van een Fabvier en een Maison. En nadat ik dan door de breede,
goed geplaveide straat heb geloopen met de rijen mooie platanen,
kom ik in een labyrinth van nauwe straten, waar uithangborden met
gevleugelde leeuwen aan de venetiaansche overheersching herinneren,
terwijl een huis met een door sierlijk traliewerk afgesloten balkon
de turksche regeering voor den geest roept.
Het fort Palamedes, dat ik natuurlijk moest bestijgen, is alleen
toegankelijk van den kant der stad. Een duizendtal treden, in de
rots gehouwen tusschen cactusstruiken door, voeren naar de wallen
der citadel. Van een torentje uit, dat letterlijk over de huizen van
Nauplia heen hangt, bewonder ik een oogenblik het prachtig panorama
aan mijn voeten. Op het binnenplein der kazerne dansen de soldaten,
en het feestrumoer der stad klinkt tot hier door. Daarachter het
schiereiland Itsch-Kalé, dat de haven beschermt tegen den zeewind. Door
de plechtigheid van het Paaschfeest ben ik verhinderd geworden,
om de noodige stappen te doen ter verkrijging van de machtiging
tot een bezoek aan de citadel; niet, dat ze zoo ingewikkeld zijn,
maar de plaatsbureau's waren dezen morgen verlaten, en ik heb den
dienstdoenden officier niet te spreken kunnen krijgen. Ik bekijk
het kasteel dus van den buitenkant. Het is door de Franken gebouwd,
versterkt door de Venetianen en voorzien van zeven redoutes, waarvan
twee de onverwachte namen dragen van Miltiades en Themistocles. Mijn
blikken bleven lang hangen aan de duizelingwekkende steilten,
afdalend naar de zee, waar in de diepte het eiland Spezzia lag,
terwijl tegenover mij Arcadië gloeide in de zon en rechts de groene
vlakte van Argos zich ontrolde naar de dorre eenzaamheid van Mycene.
Eindelijk begaf ik mij naar beneden en vond in de kazerne de
officieren en de soldaten nog bezig met de toebereidselen van het
Paaschmaal. Er brandden op het plein groote vuren, waar lammeren in
hun geheel op werden gebraden. Een groote stok, door hun lichaam
gestoken, rustte op twee kruiselings staande stokken, geplant in
de aarde aan weerszijden van het vuur, en een soldaat deelde aan
het primitieve toestel een zacht draaiende beweging mee, terwijl
de anderen hem aanmoedigden met gezang, en met welbehagen onderwijl
de geuren opsnoven van het gebraad. De tafels zijn klaargezet onder
groene priëelen, waar aanstonds de maaltijd zal beginnen. Behalve het
lamsvleesch, het hoofdgerecht, bestaat het menu uit harde eieren, brood
en sinaasappelen, alles besproeid met den harsachtigen wijn, waarvan
ik zonder smaak een glas drink op de gezondheid der soldaten. De
officieren meenen zeker, dat ik dien drank afschuwelijk moet vinden,
maar ze kunnen op mijn gezicht geen enkel teeken van afkeuring lezen,
en ze lachen er om op een manier, die mij niet weinig amuseert.
Den volgenden morgen werd ik door een telegram naar Athene en mijn werk
teruggeroepen; maar eenige maanden later was een gelukkige samenloop
van omstandigheden de oorzaak, dat ik een week verlof kon krijgen voor
een nieuwen tocht naar het Zuiden van den Peloponnesus. Het seizoen is
gunstig, om een reis van dien aard te ondernemen; niets wijst er nog
op, dat de herfst nabij is, maar de drukkende warmte van Juli heeft
plaats gemaakt voor prachtige Septemberdagen, zonnig en helder en op
deze breedte nog lang en warm, zoodat men zich in den vollen zomer
kan denken. Ik was enthoesiast over het vooruitzicht, niet langer
voor eenige dagen het scherpe stof van Athene in te ademen; ik droom
van groene wouden, waar beekjes murmelen, ik verlang naar de koelte,
naar de zuivere lucht, die ik in vier maanden niet heb genoten en
die ik hoop te vinden eerst op de zee en dan in het eenzame bergland.