Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
OM EN DOOR DEN PELOPONNESUS.
Naar het Fransch van B. de Jandin.
Als men voor de eerste maal in een onbekend land aan wal stapt,
volkomen verschillend van de streken die men kent, gebeurt het niet
zelden, dat de indrukken uit den eersten tijd het levendigst zijn
en ook het meest juist blijken, omdat ze volkomen natuurlijk en
spontaan zijn. Zoo is mijn indruk van de aankomst te Athene, waar ik
de betrekking van attaché bij onze legatie zou waarnemen, diep in mijn
geheugen gegrift. Ik was inderdaad bewogen door de oneindige majesteit
van de ruïnen en de grootschheid der mij omringende herinneringen aan
het verleden, maar veel dieper troffen mij nog de troostelooze dorheid
van Attica, die cirkel van bergen, op welker kale toppen geen aasje
van plantengroei zichtbaar is, de aanblik van die vlakte, uit niets
dan stof en steenen bestaande, waar enkele vergroeide olijven hier en
daar een plekje schaduw werpen, de dorre beddingen van de Kephisos
en Ilissus vol brandend heete steenen en de droeve verlatenheid van
een natuur die wonderlijk wel harmoniëert met de wankelende gebouwen
der doode beschavingen.
Daarentegen viel er te bewonderen de verrassende helderheid der
atmosfeer, waardoor men met het bloote oog heel in de verte de minste
oneffenheden van het terrein, de verschillende berggroepen en de
minste bochten der rivier kan volgen. Dat mooie licht van het Oosten,
die vlammengloed der zon, schept de heerlijke kleuren van zacht rose
tot geel, van geel tot rood, tot violet en donkerblauw, die leven
bijzetten aan het antieke marmer der tempels en over de witte,
schitterende gebouwen van het moderne Athene een glans spreiden,
waardoor ze passen bij het warm getinte geheel.
De meeste Hellenen, aan wie ik mijn gewaarwordingen meedeel, vertellen
mij, dat er in hun land streken zijn, waar de natuur zich minder
zuinig toont met haar goede gaven dan in de buurt der hoofdstad. "Ga
naar den Peloponnesus," voegen ze mij toe, "daar zult ge platanen
vinden en eiken bij duizenden; ge zult door provincies reizen, waar
ge slechts met moeite u door de planten een weg kunt banen, ge zult
wouden aantreffen van moerbeiboomen en olijven, en ge zult er de
vreemdste indrukken krijgen van een beschaving, die nog primitief is,
gevoegd bij de genietingen, u verschaft door de stralende zuiverheid
van onzen hemel en de pracht van onze ruïnen."
En ziehier hoe het komt, dat ik na een vol jaar verblijvens in Athene,
moe van het woestijnachtige landschap, besloot om, zonder mij te
bekommeren om de overdrijving, eigen aan het grieksche volkskarakter,
waardoor ze alles bekijken in een licht, dat wel wat lijkt op dat van
hun neven te Marseille, in Morea eens te zien of werkelijk Griekenland
geen vervolg is op de Sahara in Europa. Ik verkreeg gemakkelijk van
mijn chef verlof, eenige dagen op reis te gaan, en zoo ben ik op een
stralenden lentemorgen op weg naar den Piraeus, waar ik de boot zal
nemen, die mij naar Korinthe zal voeren.
Het is Goede Vrijdag, op het uur, waarop de menigte der geloovigen
te Athene en in den Piraeus naar de byzantijnsche kerken begint te
stroomen, die gewoonlijk microscopisch klein zijn en waar al gauw
de ondragelijke waslucht zich vermengt met slechte odeurs en een
verstikkende hitte. Het is nog geen zeven uur, en reeds zitten de
café's aan de haven vol menschen. Sommigen slurpen met kleine teugjes
de beroemde donkere koffie uit het Oosten, die op elk uur van den
dag en den nacht welkom is; anderen stellen zich tevreden met een
glas frisch water; de meesten gebruiken in het geheel niets of rooken
rustig hun narghilé, die op het trottoir staat.
Want werkelijk wordt hier een café beschouwd als een openbare plaats,
waar ieder vrij mag binnengaan, zonder daarom gehouden te zijn, er
iets te gebruiken. Het is de moderne agora, waar de Griek, die in dat
opzicht de overlevering der Ouden heeft behouden, langen tijd kan
zitten in de drukte van hartstochtelijke politieke discussies. De
plaatselijke bladen of de couranten van de hoofdstad zijn in aller
handen, en luidruchtig laat men de vragen van den dag die voor
het oogenblik de openbare aandacht boeien, over de tong gaan. Het
geknoeide papier gaat van de eene hand in de andere; hier uit er
een zenuwachtig zijn verontwaardiging, daar slaat er een ander de
bloedige daden van Bulgaren en Macedoniërs aan den schandpaal, en
ginds roept er een de regeering ter verantwoording, wier vrienden en
vijanden elkander met felle woorden te lijf gaan. Die menschen worden
werkelijk dronken van hun eigen woorden; hoe minder ze drinken, des
te opgewondener worden ze. Hoe zou het wel zijn, als ze al den tijd,
dien ze aan hun tafeltjes doorbrengen evenals in het Noorden velerlei
soorten van gegiste dranken gebruikten!
Intusschen heeft het rijtuig mij afgezet bij de aanlegplaats in den
Piraeus, welke pier vernuftig is gebouwd bij de uitmonding van een
riool. De kleine schoenpoetsers of loustroi, die in Griekenland uit
het plaveisel zelf schijnen op te komen, dringen om mij heen in de
hoop, mijn schoeisel onder handen te mogen nemen, dat toch volkomen
vlekkeloos is, en de roeiers betwisten elkaar onder een concert van
vloeken de twijfelachtige eer, mij naar het schip te brengen. Enkele
riemslagen bevrijden mij van die ondernemende lieden en weldra beklim
ik de wankele trap, hangend langs de zijde van de Haghios-Nikolaos,
op het punt van naar de landengte te vertrekken. Daar de overtocht
maar kort zal duren, behoef ik mij gelukkig niet te bekommeren om het
krijgen van een hut, als men dien naam mag geven aan de ongemakkelijke
hokjes van het tusschendek rondom de algemeene tafel en daarvan alleen
gescheiden door een gordijn. Snel loop ik door de bonte menigte,
die in de gangpaden staat en begeef mij naar het dek, waar ik hoop
te ontkomen aan de verschillende uitwasemingen om mij heen.
Helaas, ik ontvlucht de menschen, om bij de dieren aan te
landen! Honderden schapen en lammeren, die al sedert den morgen
aan boord zijn, worden met ons naar Korinthe vervoerd, om er
den volgenden dag te worden geslacht en het Paaschmaal te vormen
voor de Palikaren. Onmogelijk een plaatsje te vinden te midden
van de kudde, die het dek in een viezen, stinkenden poel heeft
veranderd. Vastbesloten, zooveel mogelijk van den overtocht te
profiteeren, bespeur ik daar tot mijn groote vreugde een ledig vat,
dat door een gezegend toeval in een hoek is blijven staan. Ik baan mij
een doortocht door de dichte groepen van mijn zonderlinge reisgezellen,
en dan mijn valies achter in de ton zettend, kruip ik in die grappige
schuilplaats en ben daardoor beveiligd tegen een hinderlijke buurschap,
terwijl de geest van Diogenes om mij waart.
Al spoedig begint de schroef te wentelen; langzamerhand beginnen de
praatjes. Men wijst elkaar met den vinger den Gallos, den Galliër, die
daar zit uit te kijken, en ik kan wel gissen, dat ze mijn denkbeeld
vreemd vinden, om zoo den overtocht van drie uren te doen. Maar
dat kan mij niet schelen; ik ben nu in de beste luim en geniet van
de schoonheid van het tooneel rondom mij. Badend in de morgenzon,
wordt de vlakte van Athene al kleiner achter ons. Op den achtergrond
van den kring van Parnassus, Pentelicon en Hymettus teekent zich de
voorgevel van het Parthenon schitterend af tegen het blauw van den
hemel, terwijl rechts de verlaten en rotsachtige oevers van Salamis
voorbijgaan en links het eiland Aegina, beheerscht door de zuilen van
zijn beroemden tempel, als een vooruitgeschoven post den weg naar de
Cycladen verspert. De lucht is ijl, en het diepe donkerblauw van de zee
vertoont hier en daar sierlijke zuilen of rookpluimen van stoombooten.
Reeds gewonnen door de glanzende schoonheid van de oostersche natuur,
begin ik onder de bekoring te komen van een groote intellectueele
rust. Hoe heerlijk is het, met niet anders dan een paard, een valies en
een goede deken door de wijde ruimten te trekken, te kunnen stilhouden,
waar men wil, te slapen, waar de nacht u overvalt, te droomen onder
olijven aan den oever van een zingend beekje, terwijl een boer in de
buurt langzaam het grieksche lied neuriet, dat den grooten strijd
voor de onafhankelijkheid in het geheugen roept. De hitte van den
middag doet zelfs het snerpend gepiep van de krekels zwijgen, en
onderwijl treden ons voor den geest de Oudheid met haar legenden,
de Middeleeuwen en de fransche heldenzangen van een Villehardouin
en Champlitte. Men ontmoet bij iedere schrede het onverwachte, ja,
waarlijk hier is stof, die hart en geest in feeststemming brengt van
dengene, die, als ik, gezonde en sterke ontroering zoekt en ze hoopt
te vinden in dit land, dat vroeger werd verhelderd door burgerdeugd
en moed en door den eenvoud van zeden der Spartanen, wier stoïsche
lijdzaamheid het, tusschen twee haakjes, goed zal zijn na te volgen.
Terwijl ik zoo aan het droomen ben, passeeren wij de westpunt van
Salamis; op groote hoogte gaat langs de berghelling een trein van
de lijn Patras-Athene; de rook teekent de duizenden bochten van de
steile oevers en blijft lang zichtbaar in de stille lucht. Dan wordt
de kust lager; we komen bij de landengte in het gezicht van Kalamaki,
een ellendig visschersdorp, bij den ingang van het kanaal, waar we
eenige oogenblikken moeten stoppen voor de vereischte formaliteiten
van de doorvaart.
Van hier gezien, maakt het kanaal van Korinthe werkelijk een
zonderlingen indruk. Twee wanden, zoo loodrecht, dat de breedte der
spleet boven bijna niet breeder is dan beneden, ter gemiddelde hoogte
van 50 meter, begrenzen den zes kilometer langen doorgang, die 22
meter breed is en door den gelen, onvruchtbaren grond loopt tusschen
de Saronische Golf en die van Lepanto aan de andere zijde, daarginds
waar men het uitzicht heeft op de bergen van Phocis. Alles is rustig,
alleen wordt de stilte verbroken door het geblaat van de lammeren,
die te Kalamaki wachten op het voorbijgaan van de eene of andere boot
en hun smart schijnen mee te deelen aan de trieste collega's van de
Haghios Nikolaos.
Eindelijk gaat de stoomfluit; de rechten zijn geïnd, wij varen het
kanaal binnen; plotseling verdwijnt de zon, alsof er een gordijn
voor werd getrokken; we gaan met zeer langzame schroefslagen vooruit,
want de diepte van het kanaal is zoo gering, dat men ieder oogenblik
moet vreezen, aan den grond te raken. Ik heb later zelfs vernomen,
dat tijdens de vaart het verstandig is te zwijgen, terwijl de fluit
zich niet mag laten hooren, en dat wel om de weinige stevigheid
van de wanden, die, in vrij losse aarde aangelegd, de bedoelde
steile afsluitingen vormen en met het oog op de zuinigheid zoo zijn
gebouwd. Alles aan deze onderneming trouwens verraadt de zorg, die men
had, om geen te groote kapitalen aan te spreken. Het faillissement van
de maatschappij, die reeds in 1822 met de werkzaamheden was begonnen,
onder de leiding van den hongaarschen generaal Türr, onlangs gestorven
na een leven van buitengewone avonturen, heeft zeker de helleensche
maatschappij voor oogen gestaan, toen ze eindelijk, zoo goed en zoo
kwaad, als het ging, het denkbeeld volvoerde van de doorboring van
de landengte, dat Nero al koesterde.
De zaak is inderdaad altijd treurig geweest en is dat nog; er gaan
niet veel schepen door, want het gevaar van vastraken maakt het voor
schepen van niet al te weinig tonneninhoud onmogelijk, zich te wagen
aan de doorvaart van die slecht onderhouden en zelden uitgebaggerde
wateren. Ze geven er altijd de voorkeur aan, als ze zich van de eene
zee naar de andere willen begeven, den Peloponnesus om te varen
en de meerdere uitgaven goed te maken door een lading van grooter
waarde zonder gevaar voor stranding en zonder tolrechten. Zoodat de
onderneming moeite heeft, rond te komen, haar agenten te betalen,
voor de verlichting van haar vuurtorens te zorgen en de andere kosten
te dragen en dat ieder vooruitzicht op verbetering, dat noodzakelijk
kosten mee moet brengen, moet worden ter zijde gesteld op straffe
van dadelijk faillissement.
Intusschen gaat de Haghios Nikolaos voorzichtig verder. Daar hebben
we de brug, waar de spoorweg naar Korinthe over gaat; wij kunnen
enkele herders over de leuning zien hangen, om in de diepte te kijken
en ons nieuwsgierig te beschouwen, want de aanblik van een schip,
dat door het kanaal vaart, is zeldzaam genoeg, om de aandacht te
trekken. Eindelijk wordt het scherm, dat ons van de wereld afscheidt,
lager; de betrekkelijke duisternis, waarin wij gedompeld waren,
maakt langzamerhand plaats voor helder licht en weldra voor den
fellen zonneschijn, toen ons schip uit de kloof te voorschijn kwam,
om zich dadelijk links te wenden naar het dichtbij zijnde Korinthe.
Die eertijds zoo beroemde stad maakt van hier een klagelijken indruk;
ik zie, naarmate we nader komen, een opeenhooping van lage huizen,
die een 4000 of 5000 menschen kan herbergen, eenige straten zonder
trottoirs, een ellendig station, alles grijs en somber van tint. De
omstreken van de landengte aan dezen kant van het kanaal zijn al even
woestijnachtig als aan de zijde van de Saronische Golf. Tegenover
Korinthe verrijst een groote, akelig kale berg, aan welks voet Loutraki
ligt; achter de stad naar het Zuiden staat de indrukwekkende rots
van den Akrokorinth. Maar de kust naar het westen is groen, want daar
beginnen de wijngaarden, waar men binnen enkele maanden de heerlijke
korinthische druiven zal oogsten, de kleine, die als krenten het
hart van iedere goede angelsaksische huishoudster verheugen. Het is
elf uur in den morgen; de boot gaat nu niet meer vooruit dan met de
reeds verkregen snelheid, en ofschoon we nog niet geheel stil liggen,
kan het koeltje uit zee maar juist genoeg de hitte temperen van de
in Griekenland reeds brandende Aprilzon. Wat zal het zijn, als ik
straks den Akrokorinth zal bestijgen?
Plotseling klinkt een geluid van het ontrollen van een ketting;
men heeft het anker uitgeworpen; dus wordt het tijd, dat ik mijn vat
verlaat. Ik stap over de poelen van het dek en daal af naar de lagere
terreinen, waar de gewone luidruchtigheid heerscht, die bij elke
lading in dit land voorkomt. Ieder haast zich naar de veelkleurige
zakken en pakken, die in vuile poelen en vet rondslingeren, van
alle kanten hoort men uitroepen, en de buitensporigste bewegingen
doorklieven de lucht. Men baant zich een weg en duwt zonder omslag
ieder, die het ongeluk heeft u in den weg te komen. Ik doe als de
anderen, maar rustiger, en eindelijk ben ik daar, waar de booten
wachten op passagiers, om hen naar den wal te brengen. En weer zijn
er hevige disputen te midden van de onontwarbare roeiriemen, die hun
best doen, om zoo dicht mogelijk tot de scheepsladder te naderen,
dienstaanbiedingen met de hand op het hart, smeekende "kyrie's", in
één woord de strijd om de drachmen in al zijn rauwe werkelijkheid. Een
bonte menigte vult de booten, en na enkele oogenblikken ben ik aan
land ten prooi aan een wolk van loustroi of dragers, die mij alles
ontnemen zouden, wat ik bij mij heb, als ik er mij niet met hand en
tand tegen verzette.
Het door mij gekozen hotel leek nog al goed, en de eigenaar, die een
beetje Fransch brabbelt, meent mij te moeten ontvangen met vurige
betuigingen van toewijding, die ik afsnijd door terstond naar den
Akrokorinth te vertrekken, voorzien van eenig proviand, dat ik onderweg
denk te gebruiken.
Ik neem plaats in een van die ouderwetsche landauers, met wapens
overdekt, waarmeê men zegt, dat de Duitschers een groot deel van
de krenten, die ze koopen, betalen. Die ongelukkige voertuigen,
die ongetwijfeld in hun jeugd de menschen hebben gereden die men tot
de grooten der aarde rekent, hebben inderdaad hier op de gruwelijke
wegen van Griekenland, waar ze spoedig geruïneerd zijn, een treurig
einde. En terwijl ik bij het rijden door de stad aan dien droevigen
loop der dingen hier beneden denk, wordt mijn aandacht plotseling
getrokken door een gebouw van bescheiden voorkomen met groote
staven voor de vensters. Het schijnt de gevangenis van Korinthe te
wezen, maar men moet het mij uitdrukkelijk zeggen, eer ik het kan
gelooven. Achter de tralies staan halfnaakte mannen te kijken naar
de kleine voorvallen op straat; ze schelden op de voorbijgangers,
die ze kennen, en vragen aan de vreemdelingen om aalmoezen. In de
vuile, donkere zalen zijn sommigen bezig in de afschuwelijk slechte
lucht kleine houten voorwerpen te maken, anderen, die luier zijn,
rooken kalm hun sigaret, hun door vrienden gebracht. En de ambtenaar,
die het toezicht heet te houden over deze interessante wereld, wandelt
onverschillig heen en weer; hij heeft zijn geweer binnen neergezet en
maakt nu en dan vóór zijn wachthuisje een praatje met de gevangenen,
den elleboog leunend op de vensterbank. Dat lijkt al heel weinig op
een repressiemaatregel, als men zoo'n vrijheid toelaat, en ik vermoed,
dat de bedreiging met deze gevangenis niet veel indruk zal maken op
het gemoed van de lieden. Het moet erkend, dat het juist zoo gaat
bij bijna alle volken van het Zuiden, waar alles huiselijk toegaat in
die dingen, en waar het met de zedelijkheid toch niet zooveel erger
of beter is gesteld dan in onverschillig welk noordelijk land.
We bevinden ons enkele oogenblikken later op den weg, die naar
het sombere plaatsje voert, dat Paleo-Korinthos heet, en waar een
aardbeving in het midden van de vorige eeuw groote verwoestingen
aanrichtte, waarna het tegenwoordige Korinthe aan zee is gebouwd. Van
de grootheid uit veel vroegeren tijd is niets meer over; de stad van
300 000 inwoners, wier roem de gansche wereld vervulde, al viel er
misschien wel wat op af te dingen, is door de aanvallen der barbaren,
Franken en Turken, zoo goed als met den grond gelijk gemaakt, zoo dat
enkel een paar zuilen van een tempel, die, denkt men, aan Aphrodite
gewijd was, nog een rest zijn van oude glorie.
Daar draait mijn koetsier, mijn amaxa, zich om, ten einde er mij
opmerkzaam op te maken, dat we nu op het plateau komen; plotseling
zie ik de roode zuilen van den tempel te voorschijn komen met den
machtigen Akrokorinth op den achtergrond. De gekanteelde muren, die van
beneden zichtbaar zijn, steken tegen den vlammenden hemel af: "Poly,
poly aureo, zeer, zeer mooi!" roept mij de waardige Helleen toe, met
alle teekenen van een echte geestdrift, die inderdaad gevoeld wordt,
en waarin de hartgrondige wensch zich uit, dat ik zijn kinderlijke
bewondering voor de nationale schoonheden moge deelen.
Ik heb vaak opgemerkt, dat de Griek, tot welke klasse van de
maatschappij ook behoorend, vast overtuigd is, dat alles, wat er op
den bodem van zijn geboorteland te vinden is, prachtig en heerlijk is,
zonder weerga, en dat, als de vreemdeling het daar niet mee eens is,
hij zich schuldig maakt aan de misdaad van Hellenisme-schennis. Dat
is een zeer lofwaardig vaderlandsch gevoel, gevoegd bij een
kinderlijkheid, die een der kenmerken is van het ras. Mijn gids is zich
zonder twijfel maar zeer flauwtjes bewust van de redenen, die hem in
opwinding brengen; maar hij geeft er zich heel goed rekenschap van,
dat hier een vreemdeling is en dat die man volstrekt in geestdrift
moet worden gebracht en dat hij daar duidelijk blijken van moet geven.
Het landschap is trouwens van zulk een woeste schoonheid, dat het
mij geen oogenblik moeite kost, om in den toon te blijven; ik stap
uit het rijtuig en wachtend tot het paard, dat mij aanstonds het
steile pad van den Akrokorinth zal opvoeren, is aangekomen, zet ik
mij er toe, om eer aan te doen aan de harde eieren, mij door mijn
hoteleigenaar meegegeven. Overal zie ik heidestruiken, waaronder zich
graven en doodengrotten verbergen; ik koos een der heuveltjes uit,
mogelijk wel dat, waar Paulus volgens de overlevering zijn Brief
aan de Korinthiërs heeft geschreven. Die hadden, naar het schijnt,
behoefte aan een zedepreekje, om hen in hun weelde wat in toom te
houden. De Korinthiërs van tegenwoordig zouden niet veel hebben aan
een dergelijke toespraak. Over dat alles dacht ik bij mijn frugaal
ontbijt onder het gesjirp der krekels, die dronken waren van den
zonneschijn en het warme heidekruid.
De velden zijn bijna geheel verlaten; alleen ploegen twee ossen,
gespannen voor een primitieven ploeg, een armoedig stukje grond;
overal elders is het land verlaten. De landverhuizing, die de hooge
plateau's van den Peloponnesus ontvolkt, begint hier ook al haar
uitwerking te doen gevoelen; de economische crisis, die de laatste
jaren op de druiven van Korinthe heeft gedrukt, heeft reeds een deel
van de noordkust ontvolkt. En toch is de bodem hier minder dor en
onvruchtbaar dan in de streken van het midden, waar de grond zijn
bewoners niet kan voeden, zoodat ze in massa hun land verlaten,
om naar Amerika te gaan in de hoop, daar een spaarduitje te kunnen
maken. Ze houden verblijf in de groote steden van het Noorden en
houden er zich bezig met de kleine bedrijven, bij voorbeeld dat
van bloemenverkoopers. Daar ze zeer matig zijn en weinig behoeften
kennen, bovendien verstandig en zuinig, gebeurt het niet zelden, dat
ze na een vijf- of tiental jaren terugkomen met de enkele duizenden
drachmen, waarvan ze zullen kunnen leven. Want al die emigranten, in
tegenstelling met Italianen en Angelsaksers, keeren terug; men zal ze
zelden of nooit zich zien vestigen in het vreemde land; hun familie
blijft in Griekenland en niets is roerender te zien dan het geduld,
waarmee de vrouwen en kinderen en de grijsaards hopen op den terugkeer
van dengene, die hun droevig lot van ontbering zal verbeteren.
In dien tusschentijd kwijnen de stumpers in ellende; het lijkt wel, dat
in sommige dorpen geen enkel valide man is overgebleven; de velden zijn
verlaten en de landen blijven braak liggen, ook als er zeer goed iets
op kon worden verbouwd. Het gaat maar net, om een vergadering van den
gemeenteraad te vullen of een stembureau, als er een verkiezing voor
de vertegenwoordiging moet plaats hebben. Die toestand is ongetwijfeld
nadeelig voor de normale werking van de instellingen van het rijk;
maar hij heeft nog veel nadeeliger gevolgen uit economisch oogpunt,
want meer en meer blijkt, dat niet het aantal over de welvaart beslist,
maar het gebruik, dat van de natuurlijke hulpbronnen van een land
wordt gemaakt.
De grieksche regeering heeft wel getracht, maar te vergeefs, door
de wetgeving die beweging tegen te houden, maar ze moest, om tot
eenig resultaat te komen, liever de levensomstandigheden verbeteren,
den ondernemingsgeest aanmoedigen, kapitalen tot zich trekken. Maar
allen, die in Griekenland zijn geweest, zullen met mij moeten erkennen,
dat die taak boven haar krachten gaat, ten minste voor het oogenblik,
en ik zie nog geen afdoend middel in het verschiet tegen de plaag der
landverhuizing, die verwoestend werkt, nu ze niet door overbevolking
noodzakelijk is, en die een ramp wordt voor den Peloponnesus en vele
andere provincies van het rijk.
Terwijl ik zoo aan het mijmeren ben, verschijnen mijn paard en
zijn agoyaat, die het dier geleidt en er ook meestal de eigenaar
van is; hij blijft erbij al den tijd, dat de verhuring duurt en
brengt het dan naar het punt van vertrek terug. "Kalimera sas,
kyrie, goeden dag, Mijnheer!" roept de nieuw aangekomene mij toe
en reikt mij de hand, want dit democratisch land is er ook een van
vriendschapsbetuigingen. En hij begint een lang gesprek, dat nog
voortduurt terwijl we al lang onderweg zijn.
Deze manier van reizen, waarmee ik reeds kennis had gemaakt
het vorig jaar in het vastelandsche Griekenland, is al bijzonder
ongemakkelijk. Men stelle zich een zadel voor, dat in sommige opzichten
gelijkt op het toestel, dat voor de circuspaarden in gebruik is, maar
dan minder vlak, bestaande uit een samenstel van stukken gebogen hout,
die, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, het lichaam van het muildier
omsluiten, met een duidelijke helling van den hals naar achteren. De
breedte is zoo groot, dat de beenen buitengewoon ver van elkander
zijn, wat op den duur lastig wordt; men zit op een roode deken van
grof weefsel en steunt de handen op de beide steunende handvatsels,
die bevestigd zijn aan den boog van het zadel boven den hals van
het paard, de voeten rusten in strikken van touw, die stijgbeugels
verbeelden, en zoo laat men zich schudden over de slechte wegen op het
martelinstrument en naar het welgevallen van een dier, dat nooit zich
erin schikt ergens te loopen, waar het niet verkiest te gaan. Ik kan
zonder overdrijving zeggen, dat twee uren van zulk rijden voldoende
zijn om iemands ribben te breken. Hoe is het mij gelukt, het tien
en zelfs vijftien uren achtereen vol te houden? Dat zijn inderdaad
heldendaden geweest, die voor de stevigheid van mijn organisme pleiten.
Na een uur stijgens over een in de rots uitgehouwen weg, langs weinig
geruststellende afgronden, kom ik, zonder dat het uitzicht mij is
benomen door een enkelen boom, die dien naam verdient, op het plateau,
dat ter hoogte van bijna zeshonderd meter boven de zee de zonderlingste
opeenhooping van gebouwen draagt, die ik ooit heb gezien. Dat komt
doordat sinds de vroegste tijden tot de gedenkwaardige gevechten van
den vrijheidsoorlog dit plateau beurtelings tot schuilplaats heeft
gediend voor de Pelasgen, de Franken, de Venetianen en de Turken.
Er is daar een ware chaos van ruïnen uit allerlei tijden;
venetiaansche muren, tegenwoordig nog in zeer goeden staat, staan naast
overblijfselen van christelijke kerken, opgericht in de oudste tijden
van het christendom met de materialen van de heidensche tempels. Iets
verder vindt men de versterkingen van den Islam, fondamenten van
paleizen en moskeeën, op hun beurt gebouwd van antieke resten uit de
christenkerken. Ik ga voorbij de beroemde fontein, waarop Bellerophon
Pegasus aangrijpt; die later alle leidingen vulde, nu half verstopt,
die men overal ontmoet binnen de muren van de vesting. Van hoeveel
woelingen en omwentelingen verhalen aldus de steenen, die getuigen
waren van zooveel plechtigheden, zooveel losbandigheid ook en mogelijk
deel hadden aan zooveel heldendaden! En daar te midden van de ruïnen,
die, om zoo te zeggen, de ver teruggeweken eeuwen grijpbaar maken,
doet zich plotseling een tooneel uit het moderne Griekenland aan mij
voor. Een oude vrouw zie ik, gekleed in den langen witten mantel zonder
mouwen, die veel gelijkt op dien, welken de montenegrijnsche vrouwen
dragen, een doek over het hoofd, het benedengelaat op zijn Turksch
gesluierd; zij trekt een ezel aan een touw, die een kleinen voorraad
hout voor haar draagt. De oogst is zoo gering, want er zijn haast
geen boomen hier, en de vrouw schijnt in de algemeene verlatenheid al
even arm als het land dat ze moet bewonen. Dat treffende beeld van
de economische moeilijkheden van het moderne Griekenland, waarop ik
nog van tijd tot tijd zal moeten terugkomen, voegt zich bij de vorige
indrukken en in vrij melancholieke stemming hijsch ik mij van steen
tot steen omhoog tot het hoogste punt van de acropolis.
De ligging van den Akrokorinth tusschen twee zeeën op den drempel van
den Peloponnesus en op de grenzen van het vastelandsche Griekenland
maakt, dat men van de hoogte daar een wonderlijk feëriek schouwspel
geniet. Aan mijn voeten de witte vlakte, waarop in een wolk van
stof het oude en het nieuwe Korinthe liggen; hier en daar enkele
groene plekken, olijvenbosschen of wijngaarden, de smalsporige lijn
van den ijzeren weg, die aan den eenen kant naar Kalamata en aan den
anderen naar Patras gaat, dan de blauwe wateren van de beide golven,
gescheiden door den gelen drempel van de landengte, en verder de
rechte lijn van het kanaal, dat die laatste doorsnijdt. Meer op den
achtergrond de bergen van Phocis, Boeotië en Dorië, de Kitheron, de
Helicon en de top van den Parnassus, die om dezen tijd nog wit is en
dien ik reeds heb bezocht bij mijn tocht naar Delphi, zoodat ik hem
een vriendschappelijken groet van herkenning toezend.
Naar het Oosten de Saronische Golf en de Aegeïsche Zee, bezaaid met
eilanden, die nu door de naar den kant van Patras dalende zon met licht
worden overgoten; ze rijzen uit zee in een feest van stralenden glans,
kaal en dor, maar in zoo zuivere lijnen en zoo sober, dat ze bij die
ongeloofelijke helderheid der atmosfeer een uitstraling schijnen der
schoonheid zelve. Daar is Aegina, herkenbaar aan den kegelvormigen
top, Salamis, dat den ingang afsluit van de baai van Eleusis en
gedeeltelijk met het vasteland samenhangt. Boven de kale bergen van
het eiland zie ik de bekende Pentelische hoogten; ik kan de wittere
plekken onderscheiden van de schitterende marmeren gebouwen van de
acropolis van Athene en de bontheid van de kapel van den Lycabettus;
de kust van Attica rekt zich als een eindeloos voorgebergte naar den
kant van Azië, naar die nog niet bevrijde deelen van de helleensche
wereld, die in den vuurtoren van kaap Sunium een baken kunnen zien,
dat hun vertrouwen in de toekomst geeft, omdat hij den reeds vrijen
grond van het vaderland aanwijst. Achter mij verrijzen in onrustige
gelederen de bergen van den Peloponnesus, de hoogten van Argos,
die ik morgen zal bereizen, die van Achaja en Arkadië, door tallooze
dalen doorsneden, die al donker zijn, en heel in de verte de grootsche
bergen van den Taygetos en den Erymanthos, waar de blik wordt gestuit.
Intusschen is mijn agoyaat gekomen; hij raakt mijn schouder aan, en
mij wijzend op de ondergaande zon aan den horizon, tracht hij mij te
doen begrijpen onder een dolzinnig gelach, dat het hem noodig schijnt
om het voorbeeld van rust te volgen. En inderdaad het is drie uur en
ik wil nog, eer ik naar Korinthe terugkeer, een blik werpen op de
oude necropolis. "Embros, vooruit!" zeg ik tot mijn gezel, en daar
zijn we weer te midden van de waggelende steenen, waarboven de wind
klagelijk door de toppen van armelijke dennen suist. Weldra is de
laatste muur gepasseerd; daar is de weg weer met de rollende steenen,
die nog lastiger zal wezen bij het dalen, dan hij reeds was bij het
stijgen; ieder oogenblik glijdt mijn ezel met de vier pooten uit op
een al te gladden steen, en ondanks al, wat men mij heeft gezegd te
Athene over de vertrouwdheid van die dieren, meet ik met al grooter
wordende ongerustheid bij elken misstap de diepte van den afgrond,
waarlangs we rijden en waarin ik mijzelven al zie neerstorten.
Maar aan alle ellende komt een einde; een uur later hebben we het
rijtuig weer bereikt, dat te Palaeo-Korinthos op mij had gewacht en
dat mij over Hexamilia en Isthmia naar Korinthe moet terugvoeren. Ik
zeg mijn muilezel vaarwel en groet den geleider, na aan dien laatste
in de herberg een glas raki te hebben gepresenteerd, een soort van
brandewijn, die heel uit de verte aan onze anisette herinnert, maar
veel sterker is en minder lekker. Men gebruikt dien drank met een
paar olijven in olie, en hij is ten minste eenigszins drinkbaar. Dat
kan ik tot mijn spijt niet zeggen van de afschuwelijke brouwsels,
die men mij nu en dan in den loop van mijn reis heeft voorgezet. De
raki was dan in die moeilijke omstandigheden, als ik vóór alles zorg
moest dragen de gevoeligheid van de brave lieden niet te kwetsen,
een uitkomst, de gemakkelijke drank, die mij altijd in staat stelde
mijn glas te ledigen op de gezondheid van mijn gastheeren en op de
glorie van Hellas.
Een oogenblik later rijd ik naar Hexamilia, een ellendig gehucht, dat
men bereikt na den spoorweg te zijn overgegaan, die van Nauplia in de
laatste jaren voortgezet is door den geheelen Peloponnesus tot Sparta
en Kalamata. Op een der heuvels, die zich in grooten getale rechts en
links van mijn weg verheffen, rijst op vier palen een landelijk hutje
hoog boven den grond. Het dient om de herders voor de barheid van
het weder te beschutten en maakt den indruk van een dier primitieve
constructies, bedacht door de inboorlingen van Centraal-Afrika, om
zich voor nachtelijke aanvallen van wilde dieren onbereikbaar te maken.
De velden langs den weg bevatten alle graven, waarin men zooveel
van die mooie aardewerkfiguurtjes heeft gevonden, die bij ons
onder den naam Tanagrabeeldjes bekend zijn; er is geen wijngaard,
geen stuk gronds, waar men niet van die uitgegraven plekken ziet en
dat wel over een afstand van bijna tien kilometer tot aan de plaats
der oude isthmische spelen, die alle drie jaren werden gehouden in
den tijd der korinthische grootheid, binnen de groote heiligdommen
van Poseidon. Ongelukkig is mijn archeologische kennis gering en
een beetje verward, wat mij niet belet, belang te stellen in die
ingestorte tempeldeelen en die resten van theaters, die zelf al lang
verdwenen zijn onder venetiaansche bouwwerken en turksche, op hun beurt
weggevaagd. In de verte zie ik de plaats, waar de haven Kenkhreus lag
aan de Sardonische Golf, oudtijds vereenigd met die van Lechaion achter
in de golf van Lepanto door een vernuftig stelsel van houten rails,
waarover men de booten kon laten glijden, die de landengte wilden
passeeren. De scheepvaart in het moderne kanaal moge vol hinderlagen
wezen, ze is dan toch een vooruitgang op die manier van vervoer,
al ontbrak daar geen verrassende originaliteit aan.
Het was bijna geheel avond geworden toen ik te Korinthe aankwam,
dat op dezen dag vol hing met reukjes van uien en gebak, vermengd met
allerlei nog minder aangename geuren. De orthodoxe vasten is inderdaad
zeer streng en wordt over het algemeen trouw in acht genomen, niet
enkel in de weken, die aan Paschen voorafgaan, maar ook in den tijd
van Kerstmis en Maria-Hemelvaart. Zoo hebben de Grieken drie perioden
van boete, die te zamen misschien strenger zijn dan bij de Katholieken
de laatste dagen der Heilige Week. Ik heb nog niet begrepen, waarom
deze geloofsinrichting, die echtscheiding toelaat en die bij gevolg
veel minder streng is uit het oogpunt van de leer dan de katholieke
godsdienst, aan haar volgelingen zulke zware lasten oplegt, die niet
passen bij de leer.
Hoe het zij, de verschillen van de beide kalenders veroorloven het mij,
de onthouding van het vasten te ontgaan en integendeel voldoende eer
te bewijzen aan het maal, dat de hotelhouder had laten klaar maken en
dat zeer smakelijk was. Geen nationale schotels, maar een compromis
tusschen een keuken, die op de spijskaart pompeus als fransch wordt
aangeduid, en napolitaansche ragouts. Een lekker wijntje van Cephalonië
besproeide het geheel. Er waren met mij aan tafel eenige Amerikanen,
die uit Olympia komen, en een koopman uit Patras, die morgen naar
Athene gaat en die ons veel vertelde over druiven en druivenoogsten.
Om den welbesteden dag goed te besluiten, ga ik nog op het plein,
waar voor twee duizend jaar de priesteressen van Aphrodite haar
dienst hadden, de nachtelijke processie zien van Goeden Vrijdag. De
menigte vult reeds de breede en stoffige straten met flauw verlichte
winkels. De kleine balkons, die aan geen huis ontbreken, zijn
zwart van toeschouwers, die met een kaars in de hand wachten op
het voorbijgaan der heiligenbeelden. Ik sla den weg naar de kerk in,
waaruit de stoet juist is vertrokken, voorzien, als iedereen, van mijn
kaars; al spoedig stippelen duizenden kleine lichtjes de duisternis;
de jongens laten voetzoekers knappen te midden van de menigte; hier
en daar wapperen blauw en wit gestreepte vlaggen aan de vensters,
waar af en toe bengaalsch vuur wordt afgestoken. Daar hoort men de
tonen van een fanfare en de processie nadert. Aan het hoofd de muziek
van het garnizoen, die treurmarschen speelt; dan volgen de priesters
in hun kerkgewaden, de vierkante muts op het hoofd, van wie sommigen
Christusbeelden aan het kruis dragen en anderen een groot wit laken,
dat een zweetdoek voorstelt.
De ernstige stemmen van de geestelijken mengen zich onder de
treurige tonen van het koper en de vroolijke geluiden en verwekken
een vreemde dooreenwarring van een kerkelijke plechtigheid en
een volksfeest. Eindelijk komen de burgerlijke autoriteiten en de
militaire, de prefect en de kolonel van het regiment, die ook de
traditioneele kaars dragen; dan de menigte in dichte gelederen,
onverschillig voor de wasdruppels, die van de balkons vallen, en
blij gestemd door het licht en de muziek. Veel ernst bespeur ik niet
onder de menschen, al zijn de Grieken een volk, dat graag zijn gevoel
naar buiten toont; het karakter van deze groote kinderen leent zich
nu eenmaal niet tot uitingen van droefheid, die toch eigenlijk bij
de omstandigheid zouden passen. Het is niet zeer waarschijnlijk,
dat de bewoners van het antieke Korinthe zulke harde bedden hebben
gehad om op te slapen, als dat waarop mij de hotelhouder uit het
moderne Korinthe tracteerde, anders zou hun naam van verwijfdheid al
heel weinig verdiend zijn. Ik geloof eerder, dat dit dunne plakje van
paardehaar, dat dadelijk op de planken rust en waarin men moeilijk de
samenstellende deelen van een matras herkent, een der eigenaardigheden
is van het moderne Griekenland en dat men vermoeienissen als die,
welke ik ondervond bij het bestijgen van den Akrokorinth, moet hebben
doorstaan, om er behoorlijk op te kunnen slapen. Maar mijn nacht werd
dan ook niet gestoord door eenigen onwelkomen beet, en zeer verkwikt
werd ik wakker, klaar om weer op weg te gaan.
De zon staat al hoog aan den hemel als ik bij het station kom,
waar spoedig de trein verschijnt, die mij naar Mycene zal voeren,
een vroeger beroemde stad en die thans haar naam geeft aan een
onbeduidende halte van den spoorweg van Athene naar Kalamata. Zoo is de
werkelijkheid van het moderne helleensche leven op het nauwst verbonden
met de grootsche herinneringen aan de oudheid, en ik moet bekennen, dat
de aureool, waarmee onze beschaving al wat grieksch is omgeeft, wel te
lijden heeft van die vereenzelviging. Wij zeggen in Frankrijk, dat het
belachelijke doodend is; gelukkig, dat dit aphorisme niet gangbaar is
in Griekenland, want dan zou er tegenwoordig niet veel overblijven van
al die beroemde helden, van die legenden en heldendaden, welker namen
de menschheid slechts met eerbiedige aandoening uitspreekt. Sedert ik
een waschman en een bediende heb gehad, die respectievelijk Alcibiades
en Pericles heetten, kan ik niet zonder een glimlach het beeld van hun
beroemde peten mij voor den geest roepen, en ik begrijp uitstekend,
dat de spotzucht van een About of een Offenbach door die amusante
tegenstellingen is gewekt.
Maar de trein komt in beweging; die kleine spoorwegen, die Griekenland
beginnen te doorkruisen, loopen wanhopig langzaam. Een veertigtal
kilometers scheiden Korinthe slechts van Mycene, en we zullen bijna
twee uren noodig hebben, om dien afstand af te leggen. Ik moet
echter zeggen, dat het terrein nog al effen is, dat er talrijke
en scherpe bochten zijn te maken; maar dat alles verhindert niet,
dat men gemakkelijk tijd kon winnen, als de weg goed was aangelegd,
het materiaal solieder en het personeel beter geoefend was. Maar daar
is altijd in Griekenland die lastige geldquaestie, die elke ernstige
verbetering tegenhoudt. In zijn geheel is het land arm en weinig
bevolkt; de opbrengsten van de spoorwegen, die buiten enkele tijden
van het jaar zoo goed als niets vervoeren, zijn zoo problematisch,
dat vele maatschappijen moeite hebben om rond te komen. In die
omstandigheden kan er van vooruitgang geen sprake zijn, omdat men
eerst, om daartoe te komen, den ondernemingsgeest zou moeten wekken
en den economischen toestand van het land zou moeten verbeteren.
In dit opzicht is het nog mogelijk, dat de spoorweg, die pas geopend
is van Athene naar de turksch-grieksche grens, tot goede resultaten
leidt, vooral als de aansluiting bij het europeesche spoorwegnet
eindelijk werkelijkheid wordt. De nieuwe lijn, ondersteund door de
oostenrijksch-hongaarsche regeering, die den Piraeus in gemeenschap
met Middel-Europa zal brengen, zou zeker een staat van zaken scheppen,
die, daar ben ik van overtuigd, weldadig zou terugwerken op het geheele
net van de helleensche spoorwegen. Maar ik vrees, dat de laatste nog
lang hun slechten naam zullen verdienen, die op dit oogenblik voor
mij zoo duidelijk wordt gedemonstreerd door de vervelende halten van
de kleine locomotief, waarmee ik naar Argos word gebracht.
En inderdaad, na door Hexamilia te zijn gereden, dat ik gisteren per
rijtuig passeerde, komen we in een bergpas met een kloof, in welker
diepte een stroom moest bruisen en waar ik niet anders zie dan gele
steenen. Evenwijdig met den weg van de spoorlijn loopt een onduidelijk
pad vol diepe plassen en losse steenen; dat schijnt een rijksweg. Wat
moeten dan de gemeentewegen zijn in dit land! We rijden enkele kleine
ezels voorbij, waar mannen op zijn gezeten met de beenen terzij. Ze
dragen de fustanella of het korte rokje en slaan met de vrij hangende
beenen de maat op den buik van hun rijdieren, om die sneller te doen
gaan, maar zonder eenig succes meestal. Zeker hebben ze vrienden
in den trein, want men hoort, ondanks het lawaai van den stoom,
stukken van zinnen en gelach aan het adres van een compartiment naast
het mijne. Spoedig daarna komen we op een klein plateau, waar enkel
dennen en heide groeien en hier en daar toefen reeds verdroogd gras,
hoewel we nog maar April hebben. Het klokje van een eenzame geit doet
zich hooren, maar ik kan het dier niet te zien krijgen, zoo weinig
steekt het af tegen den bruinen grond.
Daar zijn we eindelijk op de hoogte, de machine zwijgt, de optocht gaat
wat sneller, we beginnen te dalen naar de kloof van Longopotamos. Ik
bespeur links een of twee huizen, tegen de helling van den berg
geleund, niet ver van de ruïnen van een kasteel, dat stellig uit
de Middeleeuwen stamt. Dat zijn sedert Hexamilia de eerste huizen,
die ik ontmoet, en deze weg is een der economische hoofdaders van
het verkeer in Griekenland! Dan wordt de pas nauwer, de grond lijkt
minder onvruchtbaar, want ik zie enkele tuberozen in de diepte van
een ravijn. Dus moet er water in de buurt zijn, en inderdaad daar
verschijnt vlak naast het station Dervenaki, waar de trein stilhoudt,
een khani, herberg, bekoorlijk gelegen, aan den oever van een ruischend
beekje in de schaduw van prachtige moerbeiboomen, waarvan het donkere
groen heerlijk samenstemt met het zachte rose van andere bloemen. Het
schouwspel komt zoo onverwacht, is zoo nieuw voor mij, dat ik een
kreet van bewondering niet kan onderdrukken. Men moet als ik zoo langen
tijd beroofd zijn geweest van het rustgevend gezicht van een rijk en
frisch plantenleven, om te begrijpen wat ik gevoel. Het lijkt mij,
of ik uit een woestijn kom; daar zijn dan eindelijk boomen en water,
een weldadige vochtigheid, die het groen doet ontluiken, gras, dat
het vocht vasthoudt, hetwelk zoo noodig is voor het leven. Het is,
omdat Griekenland geen bosschen heeft, dat er geen water is te vinden;
het is omdat een onvoorzichtige ontwouding al sinds jaren de bergen
heeft beroofd, dat nu de bronnen niet meer vloeien en de rivieren
droog zijn. Geen bosschen zonder water en geen water zonder bosschen,
dat is een waarheid, welker miskenning den treurigen toestand heeft
verwekt voor den landbouw, waaronder het land nu zoozeer lijdt, en
waaraan het thans zoo moeilijk is, doeltreffend een einde te maken,
zooals ik later nog gelegenheid zal hebben, in het licht te stellen.
Maar de trein is weer vertrokken; het land wordt dadelijk weer kaal,
terwijl het dal breeder wordt; we komen in de vlakte van Argos,
beheerscht door de kale bergen, die over den weg heen hangen; nog
enkele minuten en daar is het station Phyktia-Mycene, waar het rijtuig
mij wacht, dat ik uit Nauplia heb laten komen.
In Griekenland wil het gebruik, dat als men een voertuig huurt,
het zij een wagen, een paard of een muildier, dat men dan met den
koetsier of geleider een, wat men noemt, symphonie sluit, die daarin
bestaat, dat het programma van den rit wordt vastgesteld, dat de
prijs tusschen de beide partijen wordt besproken en dat men het eens
is geworden, wat nooit het geval is zonder lange beraadslagingen. Als
die symphonie is gesloten, houdt de Griek zich er angstvallig aan,
al is hij anders niet juist bekend om de stiptheid waarmee hij zich
houdt aan eenige afspraak. Hij zal wel op het oogenblik, dat de prijs
wordt vastgesteld, trachten zooveel mogelijk voordeel te trekken van
de kans, die zich hem biedt, maar hij zou zich schamen, wanneer hij
na afloop van den rit een enkele lepta te veel vroeg. Het moet echter
erkend, dat hij zich schadeloos stelt bij de ongeoefende toeristen,
die onvoorzichtig genoeg zijn geweest, niet vooraf een contract met
hem te sluiten, en dat hij er geen bezwaar in zal zien, hen twee-
of driemaal de waarde van den rit te doen betalen. Ze zullen op dat
oogenblik natuurlijk nog kunnen protesteeren, maar het zal hun moeite
kosten een afslag te krijgen, gelijk aan wat ze zouden hebben gedaan
gekregen, als ze vooraf hadden geaccordeerd.
Natuurlijk zorg ik wel, geen inbreuk te maken op den algemeenen regel,
en volle vijf minuten besteed ik in den brandenden zonneschijn aan het
verdedigen van mijn belangen met al de scherpte, waartoe mij de nog
zeer rudimentaire toestand van mijn kennis van het Nieuw-Grieksch
in staat stelt. Eindelijk wordt mijn reiszak opgeladen, en een
half uur later kom ik te Kharvati, waar ik zal ontbijten. Ik heb
zelden iets ellendigers gezien dan dat droevige gehucht met zijn
huizen van gedroogde aarde, waar enkele vrouwen in lompen zitten te
weven aan primitieve weefstoelen, waarop ze grove katoenen stoffen
vervaardigen. De herberg deelt in de algemeene sjofelheid; onder het
groote strooien afdak, dat de algemeene zaal slecht beschut tegen de
brandende zon, woelen zwarte varkens in het vuil; binnen zitten eenige
dorpelingen aan een waggelende tafel; de gewitte muren zijn gescheurd,
een vloer is er niet, en er hangt een keukenlucht van schapevet,
die iemand allen eetlust moet benemen.
Ik verheug mij, dat ik te Korinthe vóór mijn vertrek wat mondkost
heb meegenomen, want het menu bestaat slechts uit een soort van soep,
waarin vettige vezels drijven in een bruin en schuimend vocht. Voor
niets ter wereld zou ik dat gerecht willen proeven, en ik stel mij
tevreden met mijn koud gerecht, dat ik besproei met den harsgeurigen
wijn, door het huis verstrekt. Toen ik de eerste maal dat vocht
proefde, dacht ik waarlijk, dat men mij bij vergissing een medicijn
voorzette. Het was te Delphi het vorige jaar, waar ik in het gezelschap
was van een lid van onze school van Athene, die al aan Griekenland
gewend was, en zich wel wachtte mij te waarschuwen. Het was mij,
of ik terpentijn dronk. De beginselen van de wijnfabricage zijn
in Griekenland nog zoo weinig bekend, dat men, om den wijn eenige
jaren te kunnen bewaren, in het vat een stuk hars werpt, dat er een
afschuwelijken smaak aan geeft. Vooral de roode wijn, dien de Grieken
mavro crassi noemen of zwarten wijn, heeft allen natuurlijken smaak
verloren door de rare toevoeging en krijgt iets scherps, dat zich voegt
bij de zwaarte, die aan de zuidelijke wijnen eigen is. Voorwaar het is
geen pretje, zulk een drank, die zelfs niet de verdienste heeft versch
te zijn, in die warmte in een vuile herbergkamer te moeten drinken,
en ik twijfel eraan, of de oude Grieken, voor wie het druivennat
nectar was, zoo weinig kieskeurig zijn geweest, om hun gehemelte,
aan goede en lekkere dingen gewend, te onderwerpen aan de proef van
dezen harswijn, die mij al tot de minst wenschelijke nieuwigheden
schijnt te behooren, door het moderne Griekenland ingevoerd.