1) Gevangenis. 2) Verbergt. 3) Op schotafstand.

Permentier had even een korte aarzeling. Zijn verkleurde lippen

bibberden, zijn verwilderde oogen staarden strak ten gronde, als op een

gruwelijk tafereel gevestigd. Maar eensklaps slaakte hij een woeste

vermaledijding, en met een ruk zijn makker het geweer afnemend, verdween

hij er mee onder de donkere sparren.

Buck, den rand van zijn hoed neergeslagen, verwijderde zich ijlings in

de tegenovergestelde richting.

* * * * *

Verscholen onder braamstruiken in een droge sloot op den hoek van de

laan, de keel droog, het hart bonzend, de van koorts gloeiende oogen

strak vóór zich uitstarend, wachtte Permentier te vergeefs den ganschen

dag de komst van zijn vijand af. Gedurende die eindelooze uren, in

't midden van die uitgestrekte, dood-eenzame bosschen, waar geen ander

leven verneembaar was dan dat van insecten, gevogelte en wild, ontwaarde

hij slechts een oud kreupel vrouwtje, dat kort na middaguur vóór het

vermolmde Veronica's Kruis kwam bidden; en, een paar uren later, een oud

ventje, dat op een krassenden kruiwagen een lading takkebos vervoerde.

Hij zag ook twee hazen, spelend en rondspringend op een zonneplekje in

het midden der allee, soms zoo héél dicht bij hem voorbijwippend, dat

hij van uit zijn schuilplaats de kleur hunner rond-verwilderde oogen en

de vaalrosse haartjes onderaan hun bruine gespitste ooren kon zien. Maar

hij voelde niet den minsten lust ze te schieten, en toen Buck, die

evenmin den jachtopziener ontmoet had, zich gluipend in de schemering

met zijn nieuw geweer bij hem kwam vervoegen, slaakten zij beiden een

kreet van woedende wanhoop:

- Nondedzju, we zijn verloren; de sloeber zal direkt noar de stad 'n

klacht zijn goan indienen!"

Zij raadpleegden elkaar een oogenblik, als verslagen. Toen deed Buck een

voorstel. Hij zou onverwijld naar Wangeren--het naast gelegen kleine

station,--snellen, en daar pogen te vernemen of de jachtopziener dien

middag met den trein stadwaarts gereden was. Intusschen zou Permentier

een verkenningstocht rondom de wouden ondernemen, rusteloos zwerven

langs lanen en paden, alles doen wat mogelijk was om den vijand te

ontmoeten. Tusschen tien en elf uur zouden zij elkaar aan den voet van

Veronica's Kruis terugvinden.

Met zijn schorre, sombere stem keurde Permentier het voorstel goed, en

opnieuw namen zij afscheid.

* * * * *

De nacht was gansch gevallen, een kille noordwestenwind was na

zonsondergang opgestoken, van lieverlede harder blazend in de

klagend-buigende dennenkruinen. Men voelde de wolken zwaar en laag,

schuinvlottend in chaotische gevaarten, welke soms de lucht als kool zoo

donker maakten.

En Permentier, na het vertrek van zijn makker alleen gebleven in het

midden der allee, wist niet meer langs welken kant zich te wenden. Hij

voelde zich bepaald verloren, hij wanhoopte in de uitgestrektheid der

sombere bosschen den vijand te ontmoeten, dien hij den ganschen dag

vruchteloos had liggen te beloeren. Een ontzenuwende smart liet hem

gansch moedeloos en zwak, de razende wraaklust, die hem acht of tien

uren achtereen met hamerend hart en knarsende tanden in de sloot op

wacht hield, had tijdelijk zijn krachten uitgeput: hij voelde zich zoo

lam en zwak dat hij had kunnen huilen.

Wat zou er nu van hem worden....? In nare vizioenen ontstond in zijn

brein het schrikbeeld van het onvermijdbare. Hij zag zich weer vóór de

rechtbank zitten, op het bankje der beschuldigden ditmaal, met tegenover

hem de vadsig op hun stoelen scheef-gezakte rechters, en achter zijn rug

twee brutale gendarmen, de reusachtige haren muts tot op de oogen,

't geweer zijlings over den schouder. Hij vernam het eentonig,

onbegrijpelijk woordengemompel van den voorzitter met zijn bleek,

flets-opgezwollen gezicht en zijn puntigfletse bakkebaarden; hij voelde

de gendarmen hem de boeien om de handen wringen en hem mee naar de

gevangenis sleuren, wie weet voor hoelang nu...

Voor hoelang....! voor gansch zijn leven, zeker! De eenmaal uitgestane

onrechtvaardigheid had onuitroeibaar deze meening in zijn brein gegrifd:

nu hij weer naar de gevangenis moest, en wel voor een gepleegd misdrijf,

zou hij er niet levend meer uit komen. Hij zou niet meer in vrije lucht

de zon zien schijnen; hij zou zijn vrouw en kinderen niet meer

wederzien. Hij zou daar sterven; dat wist hij, dat voelde hij.

Werktuigelijk was hij enkele schreden verder gegaan, langs den rand der

donkere, in den toenemenden wind luider ruischende boschlaan. Na enkele

oogenblikken hield hij nogmaals stil, het hoofd in somber nadenken

gebukt, bruisend van folterende gewaarwordingen en gedachten. En

eensklaps scheen hij een besluit te willen nemen. Eensklaps wendde hij

zich om, keerde denzelfden weg terug, liep haastig voorbij het thans

onzichtbaar, in den wind geschudde kruis, sloeg rechts een andere, nog

donkerder boschlaan in.

IJlings, ijlings liep hij nu. Een wondere kracht stuwde hem

onweerstaanbaar vooruit, naar een intuïtief doel, dat hij zelf nog niet

kende. Hij volgde de laan tot het einde, sloeg een tweede in, links. En

dwars door 't hart der wouden heen liep hij maar altijd verder, klein

als een kabouter tusschen de reusachtige boomen, steeds sneller en

sneller vooruitgestuwd door den wind die hem nu in den rug blies, die

hem scheen te vergezellen, te leiden in het klagend geschommel der

zwarte dennenkruinen. Zijn adem hijgde, het klamme zweet bedekte zijn

gelaat. Koortsachtig peilden zijn oogen de duisternis van den

onweersnacht.

Plotseling, op een hoek van het woud bleef hij palstil staan. Schuins

vóór hem, op een paar honderd meters afstands, blonk een geel licht in

den nacht. Een schorre zucht steeg uit zijn keel; hij aarzelde een

oogenblik, de oogen fonkelend, 't gehoor gespitst. Toen liep hij dwars

over de laan, en sloop, het lijf gebogen, als een panter, langs den

somberen boschrand voort, in de richting van het licht.

Na enkele minuten, kwam hij op een breeden, ten allen kante door hooge

boomen en donkere bosschen omlijsten kruisweg** terecht. Hij kroop links

in een sloot, staarde naar het licht, dat nu vlak tegenover hem was.

Zijn hart bleef een seconde stilstaan, terwijl hij, uit de sloot

kruipend, onder het struikgewas van den boschrand verdween.

Vlak vóór hem, enkel van hem gescheiden door de breedte van de laan,

stond het huisje van den jachtopziener waar hij 's morgens reeds geweest

was, met de beide nog niet toegeblinde vensters van de keuken, helder

verlicht door de lamp welke daar binnen brandde.

* * * * *

Permentier, onder de ruischende sparren ineengekrompen, verademde een

oogenblik. Zijn hart was weer wild begonnen te jagen, zijn adem stokte

in zijn toegeschroefde keel, die telkens, in een zenuwachtig hikken,

droog slikte. Toen kroop hij een weinig over het mos naar voren, en,

plat ten gronde uitgestrekt, onder de klagend-schommelende kruinen,

staarde hij naar het tafereel.

Achter de heldere vensters, in het midden van de tamelijk ruime keuken

met haar eiken zoldering en haar enkele schelgekleurde

jachtchromolithografieën aan de witgekalkte wanden, zaten, aan een

vierkant tafeltje, vier personen bij het schijnsel der op een kast

geplaatste lamp, kaart te spelen.

Een van de vier, een man, keerde den rug naar het venster. Permentier

herkende hem niet. Hij zag enkel van achter het hoofd, dat met een

groote bonte muts bedekt was, en den rug, breed en hoekig, in zwarte

omtrekken, met een iewat** scheef-hellenden linkerschouder, tegen het

wit van den achterwand duidelijk afgeteekend.

Aan de linkerzijde van dien man, om den linker hoek der tafel, zat,

zijlings, een jongeling van een twintigtal jaren, een frisch, blozend

gezicht, met blond krullend haar. Die herkende hij. Het was de zoon van

een der jachtopzieners van den burggraaf d'Hailly van Roosevelt, een

eigenaar uit het omliggende.

Aan de rechterzijde, om den rechter hoek der tafel, en insgelijks

zichtbaar van profiel, zat de vrouw van den huize, die Permentier 's

morgens reeds gezien had, een jonge mooie vrouw, met een regelmatig,

matbleek gezicht en groote zwarte oogen, onder een weelderigen,

gitzwarten, van voren rechtopstaanden haarbos.

En eindelijk, aan den vierden hoek der tafel, recht tegenover

't venster, doch half aan Permentier's gezicht onttrokken, door den man met

de bonte muts en breede schouders die naar hem den rug toekeerde, zat de

jachtopziener zelf, zijn uniformpet met rood bandje achterover op het

hoofd, zijn waaiervormigen rossen baard in het schijnsel der lamp als

met goud begoten, zijn hooggekleurd gelaat uitstralend in een glimlach

van vrede en genoegelijk welzijn.

Op een hoek der tafel stond een kruik met bier en glazen; tegen den

achterwand, naast de eetkast, was een oude Vlaamsche klok met langzaam

heen en weer zwaaienden slinger en moeilijk te ontcijferen zinken

uurplaat.

* * * * *

Permentier's hart hamerde voordurend met korte, vlugge bonsjes, alsof er

in zijn binnenste, met onverpoosde gejaagheid**, een folterend mechanisme

aan het werk was.

Steeds roerloos uitgestrekt over het gladde mos onder de

klagend-schommelende kruinen, den loop van zijn naast hem liggend geweer

krampachtig in de rechterhand gekneld, en de oogen fonkelend in zijn

ontsteld gelaat, ging hem geen enkele bijzonderheid van 't vreedzaam

tafereel verloren. En, naarmate hij het aanstaarde, stegen, met

toenemende kracht, al de onstuimige, in de vermoeidheid van zijn lichaam

een oogenblik verzwakte gevoelens van haat en wraak, uit zijn binnenste

weer op.

Dáár zat hij dus vóór hem, de vijand die stellig nu over zijn vrijheid

en zijn leven reeds beschikt had; de verfoeide gegaloneerde, een der

verwenschte steunpilaren der verwenschte dwingelandij, welke op

duizenden en duizenden manieren den geringen man uitbuitte en verdrukte!

Ongetwijfeld was hij zelf ter stad de klacht in handen van 't gerecht

gaan indienen; dat was hem aan te zien in zijn plunje, aan zijn beste

pak, dat blonk in 't licht der lamp, aan het wit hemdsboordje en het

zwartzijden dasje, die nog boven op de eetkast lagen. Over Permentiers**

lot was reeds onwederroepelijk beslist, en hij, die er de schuld van

was, vermaakte zich nu vreedzaam in den schoot van zijn gezin, gelukkig

en gerust dat hèm de straf niet wachtte die hij aan zijn evenmensch

berokkend had, 't gemoed verhelderd, geklommen in zijn eigen achting,

door het besef van zijn gestreng, maar rechtvaardig volbrachten plicht.

Een grijnslach van wreedheid zweefde op Permentier's lippen. Zijn mond,

half open, ontblootte, in den donkeren onweersnacht, zijn witte tanden,

terwijl zijn rechterhand nog krampachtiger den kouden loop van het

geweer omknelde. En werktuigelijk, als onbewust, kroop hij voortdurend

langzaam over 't mos weer naar voren, naar den woudrand.

Oh! die groote rosse reus, wat haatte hij hem! Hij zag hem drinken,

lachen, rooken, de kaarten schudden; hij vernam soms het geluid zijner

autoritaire stem; en telkens, in een woedesiddering van heel zijn

lichaam, overweldigde hem weer feller en feller de herinnering der

eenmaal uitgestane onrechtvaardigheid en de wilde begeerte zich te

wreken; het wild, hartstochtelijk verlangen naar de nog nooit genotene

voldoening eenmaal íets in de bestaande maatschappelijke orde om te

werpen, eenmaal hoog en machtig op te heffen wat altijd zwak was en

vernederd, eenmaal te vernederen en te verpletteren wat immer sterk en

machtig en hoogmoedig was. En telkens en telkens kroop hij onbewust

enkele centimeters verder, onweerstaanbaar voortgestuwd, onweerstaanbaar

aangetrokken door iets vreeselijks, door een macht, een obcessie, een

hallucinatie die hij in overweldigende rillingen uit de geheimste

diepten van zijn wezen voelde opstijgen.

Plotseling zag hij, in de helder verlichte keuken, den man met de bonte

muts, die hem den rug toekeerde, opstaan en zijn plaats verlaten.

Het was iets korts en vlugs, als een subiet weerlicht van openbaring.

In eens zag Permentier den rossen reus aan het uiteinde der tafel

zitten, zonder iets dat tusschen hem en zijn vijand de vrije ruimte

verhinderde. En, tegelijkertijd, als bij den flits van 't zelfde

openbaringsweerlicht, zag hij zijn wraak, zijn onmiddellijk, onfeilbaar

te volbrengen wraak.

In een werktuigelijken schok, zonder zelf te weten wat hij deed, richtte

hij zich op zijn knieën, schouderde zijn Lefaucheux, mikte, dwars over

den weg, dwars door het raam, op de volle, breede borst.

En op dat uiterst oogenblik was het, dat de afschuwelijke

zinsverbijstering plaats greep....

Op dat uniek, afschuwelijk moment, op dat onbegrijpelijk moment der

schier volbrachte wraak, deed iets almachtigs, iets

monstrueus-almachtigs het wapen rechts afwijken....

Rechts... volop naar 't hoofd der jonge, zijlings zittende moeder. En te

gelijk steeg weer, uit de sombere diepten van Permentier's

gedesequilibreerde ziel, de eertijds reeds vlijmend gevoelde, thans,

op dit schriklijk moment alles-overweldigende aandrift om ook eens een

onrechtvaardigheid te plegen, om ook eens een monstrueuse, wraakroepende

misdaad te begaan.

't Was een krankzinnigheid. Zijn oogen sloten zich; hij schudde woest

zijn hoofd. En met een bovenmenschelijke inspanningskracht, als had hij

een overmachtigend gewicht verplaatst, trokken zijn armen 't wapen weer

naar links, naar de breede, kloeke borst. Hij opende weer zijn

verwilderde oogen, mikte opnieuw....

En voor de tweede maal, ondanks zijn wil, ondanks den schorren

afschuwkreet, die plotseling uit zijn boezem bruisde, trok de fatale

macht het wapen nogeens rechts, naar 't hoofd der kloeke jonge moeder.

Toen bleef hij een halve seconde roerloos, als in steen veranderd. En

toen... juist op het oogenblik, dat de man met de bonte muts terug kwam

om zich neêr te zetten... toen trok de fatale macht, de macht welke niet

meer de zijne was, den haan van het geweer over....

Als een donderslag, gemengd met een verward gedruisch van in scherven

vliegende ruiten en van angstgehuil, knalde 't schot in 't loeien van

den onweersnacht. Permentier zelf sprong huilend als een gek over de

sloot, bleef eene wijl huilend in het midden der allee stilstaan, zijn

uit hun holten gepuilde oogen op de dreunende, in plotselinge duisternis

gedompelde keuken gevestigd. Toen nam hij de vlucht als een bezetene.

Hij rende niet verder dan een vijftigtal passen. Plots bleef hij

stilstaan, rende een tiental schreden terug, hield nogmaals stil,

opnieuw luidkeels schreeuwend, de vuisten op zijn slapen.

Men kwam uit het huisje gestormd.

Een man ijlde hem woest voorbij, hield plotseling stil, keerde zich om,

schreeuwde hijgend, in de duisternis zijn geweer op Permentier mikkend:

- Wie zijë gij? Hêt-e gij mijn vrauwe vermeurd?"

- Joa ik, verdome! Het schot knalde, doch miste Permentier. Hij voelde

enkel een paar hageltjes op zijn linkerwang, gelijk een korten

zweepslag.

Hij maakte wild een zijsprong, kwam eensklaps, met een razende

verwensching, op den koddebeier los:

- Ah, gij sloeber! gij sloeber!"

Het waren zijn laatste woorden. Een tweede schot knalde, de lading trof

hem volop in 't gezicht.

Hij stortte neêr en slaakte een afgrijselijken vloek, met beide handen

zijn vermorzeld, lauw-bloedend gelaat bedekkend. Een oogenblik voelde

hij onuitsprekelijke pijn: de pijn als van een hagelslag, die hem dwars

door het hoofd zou boren. En dan was 't als een laatste, reusachtige

duizeling door zijn hersenen, een ruischend en dwarlend geluid van

loeien, dat zich in het loeien van den onweersnacht versmolt.

Hij keerde zich nog eens half om op het mos, rekte zich uit, als moede,

en maakte geen beweging meer.

Hij had zich gewroken!

Te Lande · 第 27 / 32 题