2) Hoort.

Hij eindigde den volzin niet, hij vergenoegde zich er bij te voegen:

„Ge verstoa wa da'k zeggen wil, e-woar, Permentier?" en vertrok met een

brusken "goên dag" den boereman als verpletterd op zijn spade geleund

latend.

* * * * *

't Was de genadeslag, de stormklok van den opstand.

Het nauwelijks ontkiemend werk van verzoening met de wereld werd in den

knop gedood: al de herlevende goede instincten gingen bij Permentier

weêr onder; al de slechte en boosaardige kwamen boven.

Hij voelde eensklaps dat hij geen uur rust in zijn leven meer zou

hebben; dat het wantrouwend oog van den jachtopziener hem onophoudelijk

en overal zou achtervolgen; dat de argwaan en de weerwraak op hem zouden

drukken na ieder in de bosschen nieuw gepleegd jachtmisdrijf. 't Was het

noodlot welk er hem toe gedreven had de rust te willen zoeken in een

oord dat juist voor hem vol gevaren was. En in zijn

puëriel-barbaarsch**, hem door de uitgestane onrechtvaardigheid

ingeboezemd begrip der Wet, twijfelde hij niet meer of de gruwel van

zijn leven zou zich nu verwezenlijken: op een gegeven oogenblik zou die

rosse reus hem zonder uitleggingen bij den kraag grijpen, hem voor een

tribunaal sleuren, voor dat zelfde tribunaal waar kerels in zwarten

mantel en wit slabbetje in scheefgezakte dronkaards-houdingen op hunne

zetels zaten, en waar, na een eentonig gemompel van onverstaanbare

klanken, twee gendarmen hem de boeien om de handen zouden wringen, en

hem, voor 't overige zijner dagen, in de gevangenis gooien.

En bij dat akelig visioen bruisde 't in hem van woesten, ontoombaren

opstand. Zeker, onfeilbaar zeker dat de ramp op hem zou neerstorten,

wilde hij ze ditmaal tenminste verdiend hebben.

Hij staakte den arbeid, keerde huiswaarts, kwam gedurende drie dagen

niet meer buiten. Hij zat ineengedrongen in een hoekje van den haard, de

starre oogen brandend, 't gelaat verkleurd, tot niemand van zijn

huisgezin een woord richtend, in diepe, sombere gepeinzen weggezonken.

En, op een morgen, stond hij reeds vóór den dageraad op, nam een roestig

geweer dat aan de zwartgerookte zoldering hing, voorzag zich van hagel

en kruit, verliet zijn woninkje en rende met stuggen moedwil de bosschen

in.

Het was de eerste maal dat hij er een voet in zette, de eerste maal dat

hij het oude wapen hanteerde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . .. . . . . . . . .

In een geritsel door de braamstruiken sprong een wild konijntje vóór

zijn voeten uit, vlug zigzageerend over 't mos, tusschen de gladde

stammen. Bleek, de tanden op elkaar gesloten, schouderde Permentier zijn

wapen,.... mikte,.... schoot. De knal klonk onheilspellend ver en luide

door de weergalmende bosschen, terwijl Permentier, den mond door een

wreedaardigen grijnslach verwrongen, het nog spartelende dier ging

oprapen.

Het was de eerste maal zijns levens dat hij een stuk wild doodde.

En hij hield niet meer op. Hij leefde in de bosschen, gelijk een

Corsikaansch bandiet in den makis**, doodend het wild, meer nog om het

bitter genoegen van het te verdelgen, dan om het zich tot buit te maken;

slapend onder een gewelf van dooreengestrengelde braamranken, op een bed

van dorre bladeren, in den bodem van de droge sloten, zijn steeds

geladen geweer aan zijn zijde. Nooit meer kwam hij in 't klare daglicht

uit, nooit meer werkte hij op zijn akker: alleen des nachts sloop hij

somtijds voor enkele uren in zijn hutje, weigerde alle uitlegging

aangaande zijn onheilspellend leven aan zijn wanhopige vrouw en

kinderen, en vertrok reeds vóór het krieken van den dag, voorzien van

kruit en hagel, een linnen tasch met roggebrood en gerookt zwijnevleesch

onder den arm.

En reeds op 't einde van den vierden dag had hij in 't bosch een

ontmoeting gehad: Buck, den onverbeterlijken wilddief, sluipend langs

den rand van een dennenwoud, waarin Permentier zich verborgen hield. Hij

had hem stil bij zich geroepen en samen hadden zij den ganschen nacht

doorgebracht, op de loer naar wild, halfluid van vele dingen sprekend,

schielijk vrienden met elkaar geworden in die solidariteit van bestendig

gevaar en opstand tegen de gehate Wet.

En, sinds dien avond, ontmoetten zij elkaar haast elken dag. Hun

bijeenkomstplaats was, met de schemering, aan den oever van een eenzamen

vijver, omringd van kubieke stapels doorgezaagd brandhout, die zich

vaagbleek afteekenden tegen den zwarten nacht der diepe sparrebosschen.

Zij waren daar in 't hart der wouden, op verren afstand van de

menschen-woningen, in volle eenzaamheid en vrijheid. Zij raadpleegden

elkaar een oogenblik, alleen gestoord door 't krassen van de raven in de

hooge boomen, kozen hun richting, plaatsten samen hun vallen en

strikken. Toen gingen zij op zoek naar een verblijfplaats voor den

nacht.

Buck, die door en door de uitgestrekte bosschen kende, had er sinds lang

een uitmuntende ontdekt. Het was, in 't diepste van het woud, een soort

spelonk onder de wortels van een reusachtigen olm, die aan den rand van

een nauwe, letterlijk met door elkaar gestrengelde braamranken en

slingerplanten overdekte sloot stond. Buck had die schuilplaats gevonden

eens toen hij door de koddebeiers van den baron duchtig werd nagejaagd,

en ze zich naderhand tot een soort van logies ingericht. Hij had het hol

aanzienlijk verbreed en verdiept, den bodem er van bedekt met mos en

droge bladeren; er zelfs, met takkenbos, hooi en oude zakken, een echte

brits in gemaakt, ruim genoeg om er zich met tweeën op uit te strekken.

En aan de boomwortels, die het lage gewelf bekleedden en tevens stutten,

had hij met touwen allerhande voorwerpen gehangen: levensmiddelen en

gedood wild, geweer en kruit, tot zelfs kleedingstukken en enkele

kaarsen, alles met één woord wat op den vochtigen bodem beschadigd of de

prooi van ratten en veldmuizen had kunnen worden.

Dáár was hun gewone verblijfplaats, waar zij, in rustieke gezelligheid,

soms lange uren fluisterend bleven praten. In hun verbitterde harten

trilde geen snaar meer van zachte ontroeringen, was er geen plaats,

zelfs geen verlangen meer voor een toekomst van verzoening en van hoop;

er was niets meer dan solidaire haat en angst: de angst van 't rusteloos

vervolgde dier; de haat tegen die welke hen najoegen, tegen de

vervloekte macht die bestendig hun treurige vrijheid van outlaws

bedreigde: de woeste haat der Wet.

De Wet...! Buck trotseerde die openlijk, met verachtend-uitdagende

vermetelheid. Permentier beefde er voor, voelde zich als vernield onder

haar geheim alvermogen. Buck dorst bij helder daglicht met zijn geweer

de velden intrekken, zoowel bekwaam dit af te vuren op den gendarm of

jachtopziener die hem zou durven aanhouden, als op den haas die vóór

zijn voeten zou uitspringen. Permentier, na zijn eerste opwellingen van

opstand, ging weder met voorzichtigheid te werk, voelde zich telkens

weer door een gruwelijken angst bekropen.

Hij wist dat de jachtopziener van den baron reeds iets vermoedde. Op een

nacht dat hij in zijn hutje terugkwam, waren zijn vrouw en kinderen

schreiend vóór zijn voeten gevallen, hem smeekend zijn ellendig leven te

veranderen, hem waarschuwend dat de lange rosse kerel daar onophoudend

voorbijzwierf om hun huisje te bewaken. Doch verre van hun bede aan te

hooren was Permentier, door de overmaat zelve van zijn angst weer dapper

geworden, onmiddellijk naar de bosschen teruggetogen, en had aan Buck de

dreigende nabijheid van 't gevaar bekend gemaakt.

Deze had er om gejuicht. De lange rosse! o, kon die maar eens op hen

los komen! Zonder een oogenblik te aarzelen, alvorens de kerel het zich

bewust zou worden wat er gebeurde, zou Buck, dat zwoer hij, hem met een

schot in den buik neervellen.

Zooveel besliste onversaagdheid had Permentier van lieverlede weêr

versterkt en opgebeurd; en, lange uren roerloos-stilzwijgend, luisterde

hij bewonderend naar de woorden van zijn niets-vreezenden makker. Er

bestond geen wet voor Buck, evenals er voor hem geen privaat eigendom

bestond. Je moest maar doen wat je wilde, nemen wat je noodig had,

doodslaan wie je in den weg stond. Hij kwam hem groot, rechtvaardig

voor; hij minachtte zichzelf in vergelijking met hem om zijn opwellingen

van schrik en wankelmoedigheid. En naarmate hij in nauwere gemeenschap

met hem leefde, zijn moed en zijn haat stalend aan den moed en den haat

van den roover, werd vlijmender en vlijmender in hem 't gevoel van de

geleden onrechtvaardigheid, de folterende herinnering aan zijn vier

maanden gevangenisschap. Dat raakte hem soms plotseling als een oorveeg,

dat deed hem knarsetandend in zijn hol overeind springen, dat werd een

toenemend verscherpende gruwel, die zich uitbreidde en vertakte, die

werd als een reusachtig net van ontelbare, eindelooze

onrechtvaardigheden, allen gepleegd door de machtigen en de rijken, die

de wetten, _De Wet_ maakten; allen geleden door de armen en de zwakken,

die geen erkend recht noch doelmatig verdedigingswapen bezaten. Toen

stikte hem de adem in de keel, toen bonsde zijn hart schier hoorbaar

onder zijn borst, toen stonden zijn handen krampachtig in de mulle aarde

der spelonk geklauwd, terwijl zijn starre oogen in de duisternis

fonkelden.

Zoo brachten zij gewoonlijk een groot deel van den nacht door. Maar

gewoonlijk ook, lang vóór den dageraad, had Buck het hok verlaten, en

liep hij door de zwarte bosschen, een zak met wild over den schouder, op

weg naar de verafgelegen stad, waar hij aan een verheler** zijn buit zou

verkoopen.

En Permentier, die nu haast nooit meer huiswaarts keerde, strekte zich

op de brits van mos en droge blaren uit, op de terugkomst van zijn

makker wachtend.

* * * * *

Op een morgen dat hij, uitgeput van vermoeidheid, aldus sliep, werd hij

plotseling, door een ruwen stoot op zijn voeten wakker geschrikt.

Hij trok die instinctmatig in, voelde zich heel en al wakker worden,

zette zich brusk in zijn hok overeind en staarde naar buiten, door een

schielijk besef van gevaar overweldigd.

Hij slaakte dof een kreet en greep ijlings naar het aan zijn zijde

liggend geweer, terwijl de bramen die zijn schuilplaats overdekten uit

elkaar geslingerd werden en een woeste stem luide riep:

- Ala, keirel, komt uit ou hol, ge zij gevangen!"

En eensklaps, alvorens zelfs Permentier den tijd had zich om te keeren

en zijn wapen te schouderen, stortte de reusachtige, rosse koddebeier in

de spelonk op hem neer, en vatte hij hem met ruwe handen bij de keel,

luid schreeuwend:

- Ah, sloeber, ge zoedt ou nog durven weiren, geleuf ik!"

Permentier, onverhoeds verrast, smoorde een kreet. Hij herkende zijn

gehaten vijand, slaakte een vloek, wendde een razende poging aan om zich

uit zijn klauwen los te spartelen.

Maar de andere was sterk als een herkuul. Hij trok met geweld

Permentier het geweer uit de hand, gooide het over de sloot, wierp er

twee, in de spelonk liggende doode hazen achter, die dof-dreunend op het

mos neerploften. En dan, met één enkelen, machtigen ruk, haalde hij den

wildstrooper zelf uit het hol, gooide hem bij het wapen en de hazen,

sprong er zelf achter en greep hem opnieuw bij den kraag.

Toen poogde Permentier niet langer tegenstand te bieden. Ineengekrompen

van schrik bleef hij even roerloos naast zijn verwoeste schuilplaats

staan, terwijl de jachtopziener met zijn vrij gebleven hand, haastig het

geweer en de hazen opraapte.

Zwijgend, beiden bleek en de tanden op elkaar geklemd, stapten zij snel

vooruit. Zij volgden lange breede lanen, vol ontwakend vogelengezang in

de prachtige boomenkruinen; zij kwamen na een twintigtal minuten

loopens, in een ruime clairière**, waar vier alleeën** door elkander

kruisten, en waar, op een hoek, het houten huisje van den jachtopziener

stond.

De rosse reus duwde Permentier binnen. Schuw groette de boereman een

jonge vrouw en kinderen; en op een kort bevel van zijn vijand trad hij

in de woonkamer. Daar werd het proces-verbaal behoorlijk opgesteld en

geweer en hazen als bewijsstukken der overtreding in beslag gehouden.

Waarna, met een minachtende verwensching en de schimpende belofte dat

zijn zaak ordentelijk verzorgd zou worden, Permentier met een tweeden

duw aan de deur werd gezet.

* * * * *

Werktuigelijk, instinctmatig, gelijk het verjaagde beest dat tòch

druipstaartend naar zijn schuilplaats weder komt, keerde Permentier, met

waggelenden stap, naar de spelonk terug.

Ontsteld bij het gezicht van hun verwoeste hok, terstond begrijpend dat

iets akeligs voorgevallen was, kwam Buck, reeds van de stad

teruggekeerd, hem driftig in een zijlaan te gemoet.

- Nondedzju, ge moet ou wreken!" riep hij woest, toen Permentier, met

ontdaan gelaat en zwoegende borst, hem de geschiedenis verteld had.

- Ge moet hem nondedzju! de boan "afliggen"** en hem omverreschieten, ier

dat hij den tijd hêt zijn proces-verbaal noar 't gemientenhuis te

brijngen; anders zit-e veurzeker 'n joar in den bak 1). Woar es hij

nou, da ge peist?"

- In zijn huis, bezig mee 't proces-verbaal op te maoken," antwoordde

Permentier doodsbleek, met zwarte oogen.

- Hawel, hoast ou, goa hem afwachten in de greute loane, tegen

Veronika's Kruisse. Hij zal langs doar veurbij goan. Duikt 2) ou in nen

dreuge gracht en mikt veural zjuust. Gedurende nen halve menuut zilt g'

hem op ouë kogel 3) hên. Schiet hem vlak in den nekke, nondedzju! Hêt-e

grof leud**?"

- De sloeber hê mijn geweire gestolen," antwoordde Permentier somber.

- Dat 'n doet er niet toe, pak 't mijne. 'K zal noar de stad om 'n ander

goan.

Te Lande · 第 26 / 32 题