Hij eindigde den volzin niet, hij vergenoegde zich er bij te voegen:
„Ge verstoa wa da'k zeggen wil, e-woar, Permentier?" en vertrok met een
brusken "goên dag" den boereman als verpletterd op zijn spade geleund
latend.
* * * * *
't Was de genadeslag, de stormklok van den opstand.
Het nauwelijks ontkiemend werk van verzoening met de wereld werd in den
knop gedood: al de herlevende goede instincten gingen bij Permentier
weêr onder; al de slechte en boosaardige kwamen boven.
Hij voelde eensklaps dat hij geen uur rust in zijn leven meer zou
hebben; dat het wantrouwend oog van den jachtopziener hem onophoudelijk
en overal zou achtervolgen; dat de argwaan en de weerwraak op hem zouden
drukken na ieder in de bosschen nieuw gepleegd jachtmisdrijf. 't Was het
noodlot welk er hem toe gedreven had de rust te willen zoeken in een
oord dat juist voor hem vol gevaren was. En in zijn
puëriel-barbaarsch**, hem door de uitgestane onrechtvaardigheid
ingeboezemd begrip der Wet, twijfelde hij niet meer of de gruwel van
zijn leven zou zich nu verwezenlijken: op een gegeven oogenblik zou die
rosse reus hem zonder uitleggingen bij den kraag grijpen, hem voor een
tribunaal sleuren, voor dat zelfde tribunaal waar kerels in zwarten
mantel en wit slabbetje in scheefgezakte dronkaards-houdingen op hunne
zetels zaten, en waar, na een eentonig gemompel van onverstaanbare
klanken, twee gendarmen hem de boeien om de handen zouden wringen, en
hem, voor 't overige zijner dagen, in de gevangenis gooien.
En bij dat akelig visioen bruisde 't in hem van woesten, ontoombaren
opstand. Zeker, onfeilbaar zeker dat de ramp op hem zou neerstorten,
wilde hij ze ditmaal tenminste verdiend hebben.
Hij staakte den arbeid, keerde huiswaarts, kwam gedurende drie dagen
niet meer buiten. Hij zat ineengedrongen in een hoekje van den haard, de
starre oogen brandend, 't gelaat verkleurd, tot niemand van zijn
huisgezin een woord richtend, in diepe, sombere gepeinzen weggezonken.
En, op een morgen, stond hij reeds vóór den dageraad op, nam een roestig
geweer dat aan de zwartgerookte zoldering hing, voorzag zich van hagel
en kruit, verliet zijn woninkje en rende met stuggen moedwil de bosschen
in.
Het was de eerste maal dat hij er een voet in zette, de eerste maal dat
hij het oude wapen hanteerde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . .. . . . . . . . .
In een geritsel door de braamstruiken sprong een wild konijntje vóór
zijn voeten uit, vlug zigzageerend over 't mos, tusschen de gladde
stammen. Bleek, de tanden op elkaar gesloten, schouderde Permentier zijn
wapen,.... mikte,.... schoot. De knal klonk onheilspellend ver en luide
door de weergalmende bosschen, terwijl Permentier, den mond door een
wreedaardigen grijnslach verwrongen, het nog spartelende dier ging
oprapen.
Het was de eerste maal zijns levens dat hij een stuk wild doodde.
En hij hield niet meer op. Hij leefde in de bosschen, gelijk een
Corsikaansch bandiet in den makis**, doodend het wild, meer nog om het
bitter genoegen van het te verdelgen, dan om het zich tot buit te maken;
slapend onder een gewelf van dooreengestrengelde braamranken, op een bed
van dorre bladeren, in den bodem van de droge sloten, zijn steeds
geladen geweer aan zijn zijde. Nooit meer kwam hij in 't klare daglicht
uit, nooit meer werkte hij op zijn akker: alleen des nachts sloop hij
somtijds voor enkele uren in zijn hutje, weigerde alle uitlegging
aangaande zijn onheilspellend leven aan zijn wanhopige vrouw en
kinderen, en vertrok reeds vóór het krieken van den dag, voorzien van
kruit en hagel, een linnen tasch met roggebrood en gerookt zwijnevleesch
onder den arm.
En reeds op 't einde van den vierden dag had hij in 't bosch een
ontmoeting gehad: Buck, den onverbeterlijken wilddief, sluipend langs
den rand van een dennenwoud, waarin Permentier zich verborgen hield. Hij
had hem stil bij zich geroepen en samen hadden zij den ganschen nacht
doorgebracht, op de loer naar wild, halfluid van vele dingen sprekend,
schielijk vrienden met elkaar geworden in die solidariteit van bestendig
gevaar en opstand tegen de gehate Wet.
En, sinds dien avond, ontmoetten zij elkaar haast elken dag. Hun
bijeenkomstplaats was, met de schemering, aan den oever van een eenzamen
vijver, omringd van kubieke stapels doorgezaagd brandhout, die zich
vaagbleek afteekenden tegen den zwarten nacht der diepe sparrebosschen.
Zij waren daar in 't hart der wouden, op verren afstand van de
menschen-woningen, in volle eenzaamheid en vrijheid. Zij raadpleegden
elkaar een oogenblik, alleen gestoord door 't krassen van de raven in de
hooge boomen, kozen hun richting, plaatsten samen hun vallen en
strikken. Toen gingen zij op zoek naar een verblijfplaats voor den
nacht.
Buck, die door en door de uitgestrekte bosschen kende, had er sinds lang
een uitmuntende ontdekt. Het was, in 't diepste van het woud, een soort
spelonk onder de wortels van een reusachtigen olm, die aan den rand van
een nauwe, letterlijk met door elkaar gestrengelde braamranken en
slingerplanten overdekte sloot stond. Buck had die schuilplaats gevonden
eens toen hij door de koddebeiers van den baron duchtig werd nagejaagd,
en ze zich naderhand tot een soort van logies ingericht. Hij had het hol
aanzienlijk verbreed en verdiept, den bodem er van bedekt met mos en
droge bladeren; er zelfs, met takkenbos, hooi en oude zakken, een echte
brits in gemaakt, ruim genoeg om er zich met tweeën op uit te strekken.
En aan de boomwortels, die het lage gewelf bekleedden en tevens stutten,
had hij met touwen allerhande voorwerpen gehangen: levensmiddelen en
gedood wild, geweer en kruit, tot zelfs kleedingstukken en enkele
kaarsen, alles met één woord wat op den vochtigen bodem beschadigd of de
prooi van ratten en veldmuizen had kunnen worden.
Dáár was hun gewone verblijfplaats, waar zij, in rustieke gezelligheid,
soms lange uren fluisterend bleven praten. In hun verbitterde harten
trilde geen snaar meer van zachte ontroeringen, was er geen plaats,
zelfs geen verlangen meer voor een toekomst van verzoening en van hoop;
er was niets meer dan solidaire haat en angst: de angst van 't rusteloos
vervolgde dier; de haat tegen die welke hen najoegen, tegen de
vervloekte macht die bestendig hun treurige vrijheid van outlaws
bedreigde: de woeste haat der Wet.
De Wet...! Buck trotseerde die openlijk, met verachtend-uitdagende
vermetelheid. Permentier beefde er voor, voelde zich als vernield onder
haar geheim alvermogen. Buck dorst bij helder daglicht met zijn geweer
de velden intrekken, zoowel bekwaam dit af te vuren op den gendarm of
jachtopziener die hem zou durven aanhouden, als op den haas die vóór
zijn voeten zou uitspringen. Permentier, na zijn eerste opwellingen van
opstand, ging weder met voorzichtigheid te werk, voelde zich telkens
weer door een gruwelijken angst bekropen.
Hij wist dat de jachtopziener van den baron reeds iets vermoedde. Op een
nacht dat hij in zijn hutje terugkwam, waren zijn vrouw en kinderen
schreiend vóór zijn voeten gevallen, hem smeekend zijn ellendig leven te
veranderen, hem waarschuwend dat de lange rosse kerel daar onophoudend
voorbijzwierf om hun huisje te bewaken. Doch verre van hun bede aan te
hooren was Permentier, door de overmaat zelve van zijn angst weer dapper
geworden, onmiddellijk naar de bosschen teruggetogen, en had aan Buck de
dreigende nabijheid van 't gevaar bekend gemaakt.
Deze had er om gejuicht. De lange rosse! o, kon die maar eens op hen
los komen! Zonder een oogenblik te aarzelen, alvorens de kerel het zich
bewust zou worden wat er gebeurde, zou Buck, dat zwoer hij, hem met een
schot in den buik neervellen.
Zooveel besliste onversaagdheid had Permentier van lieverlede weêr
versterkt en opgebeurd; en, lange uren roerloos-stilzwijgend, luisterde
hij bewonderend naar de woorden van zijn niets-vreezenden makker. Er
bestond geen wet voor Buck, evenals er voor hem geen privaat eigendom
bestond. Je moest maar doen wat je wilde, nemen wat je noodig had,
doodslaan wie je in den weg stond. Hij kwam hem groot, rechtvaardig
voor; hij minachtte zichzelf in vergelijking met hem om zijn opwellingen
van schrik en wankelmoedigheid. En naarmate hij in nauwere gemeenschap
met hem leefde, zijn moed en zijn haat stalend aan den moed en den haat
van den roover, werd vlijmender en vlijmender in hem 't gevoel van de
geleden onrechtvaardigheid, de folterende herinnering aan zijn vier
maanden gevangenisschap. Dat raakte hem soms plotseling als een oorveeg,
dat deed hem knarsetandend in zijn hol overeind springen, dat werd een
toenemend verscherpende gruwel, die zich uitbreidde en vertakte, die
werd als een reusachtig net van ontelbare, eindelooze
onrechtvaardigheden, allen gepleegd door de machtigen en de rijken, die
de wetten, _De Wet_ maakten; allen geleden door de armen en de zwakken,
die geen erkend recht noch doelmatig verdedigingswapen bezaten. Toen
stikte hem de adem in de keel, toen bonsde zijn hart schier hoorbaar
onder zijn borst, toen stonden zijn handen krampachtig in de mulle aarde
der spelonk geklauwd, terwijl zijn starre oogen in de duisternis
fonkelden.
Zoo brachten zij gewoonlijk een groot deel van den nacht door. Maar
gewoonlijk ook, lang vóór den dageraad, had Buck het hok verlaten, en
liep hij door de zwarte bosschen, een zak met wild over den schouder, op
weg naar de verafgelegen stad, waar hij aan een verheler** zijn buit zou
verkoopen.
En Permentier, die nu haast nooit meer huiswaarts keerde, strekte zich
op de brits van mos en droge blaren uit, op de terugkomst van zijn
makker wachtend.
* * * * *
Op een morgen dat hij, uitgeput van vermoeidheid, aldus sliep, werd hij
plotseling, door een ruwen stoot op zijn voeten wakker geschrikt.
Hij trok die instinctmatig in, voelde zich heel en al wakker worden,
zette zich brusk in zijn hok overeind en staarde naar buiten, door een
schielijk besef van gevaar overweldigd.
Hij slaakte dof een kreet en greep ijlings naar het aan zijn zijde
liggend geweer, terwijl de bramen die zijn schuilplaats overdekten uit
elkaar geslingerd werden en een woeste stem luide riep:
- Ala, keirel, komt uit ou hol, ge zij gevangen!"
En eensklaps, alvorens zelfs Permentier den tijd had zich om te keeren
en zijn wapen te schouderen, stortte de reusachtige, rosse koddebeier in
de spelonk op hem neer, en vatte hij hem met ruwe handen bij de keel,
luid schreeuwend:
- Ah, sloeber, ge zoedt ou nog durven weiren, geleuf ik!"
Permentier, onverhoeds verrast, smoorde een kreet. Hij herkende zijn
gehaten vijand, slaakte een vloek, wendde een razende poging aan om zich
uit zijn klauwen los te spartelen.
Maar de andere was sterk als een herkuul. Hij trok met geweld
Permentier het geweer uit de hand, gooide het over de sloot, wierp er
twee, in de spelonk liggende doode hazen achter, die dof-dreunend op het
mos neerploften. En dan, met één enkelen, machtigen ruk, haalde hij den
wildstrooper zelf uit het hol, gooide hem bij het wapen en de hazen,
sprong er zelf achter en greep hem opnieuw bij den kraag.
Toen poogde Permentier niet langer tegenstand te bieden. Ineengekrompen
van schrik bleef hij even roerloos naast zijn verwoeste schuilplaats
staan, terwijl de jachtopziener met zijn vrij gebleven hand, haastig het
geweer en de hazen opraapte.
Zwijgend, beiden bleek en de tanden op elkaar geklemd, stapten zij snel
vooruit. Zij volgden lange breede lanen, vol ontwakend vogelengezang in
de prachtige boomenkruinen; zij kwamen na een twintigtal minuten
loopens, in een ruime clairière**, waar vier alleeën** door elkander
kruisten, en waar, op een hoek, het houten huisje van den jachtopziener
stond.
De rosse reus duwde Permentier binnen. Schuw groette de boereman een
jonge vrouw en kinderen; en op een kort bevel van zijn vijand trad hij
in de woonkamer. Daar werd het proces-verbaal behoorlijk opgesteld en
geweer en hazen als bewijsstukken der overtreding in beslag gehouden.
Waarna, met een minachtende verwensching en de schimpende belofte dat
zijn zaak ordentelijk verzorgd zou worden, Permentier met een tweeden
duw aan de deur werd gezet.
* * * * *
Werktuigelijk, instinctmatig, gelijk het verjaagde beest dat tòch
druipstaartend naar zijn schuilplaats weder komt, keerde Permentier, met
waggelenden stap, naar de spelonk terug.
Ontsteld bij het gezicht van hun verwoeste hok, terstond begrijpend dat
iets akeligs voorgevallen was, kwam Buck, reeds van de stad
teruggekeerd, hem driftig in een zijlaan te gemoet.
- Nondedzju, ge moet ou wreken!" riep hij woest, toen Permentier, met
ontdaan gelaat en zwoegende borst, hem de geschiedenis verteld had.
- Ge moet hem nondedzju! de boan "afliggen"** en hem omverreschieten, ier
dat hij den tijd hêt zijn proces-verbaal noar 't gemientenhuis te
brijngen; anders zit-e veurzeker 'n joar in den bak 1). Woar es hij
nou, da ge peist?"
- In zijn huis, bezig mee 't proces-verbaal op te maoken," antwoordde
Permentier doodsbleek, met zwarte oogen.
- Hawel, hoast ou, goa hem afwachten in de greute loane, tegen
Veronika's Kruisse. Hij zal langs doar veurbij goan. Duikt 2) ou in nen
dreuge gracht en mikt veural zjuust. Gedurende nen halve menuut zilt g'
hem op ouë kogel 3) hên. Schiet hem vlak in den nekke, nondedzju! Hêt-e
grof leud**?"
- De sloeber hê mijn geweire gestolen," antwoordde Permentier somber.
- Dat 'n doet er niet toe, pak 't mijne. 'K zal noar de stad om 'n ander
goan.