Het was de laatste maal dat de mooie Hortense het heilige Maria-beeld in
de processie zou helpen dragen. Zij was op 't punt om te trouwen.
Zoodra haar gezellinnen van de congregatie, met een verbazing waarin
zich toorn en minachting mengde, dit vernamen, waren zij het aan hun
pastoor gaan mededoelen, en hadden zij hem dringend verzocht de ontrouw
geworden dienares der Maagd uit haar midden te verbannen. Dit had de
geestelijke niet gewild. "Een Lieve-Vrouw-meisje," had hij gezegd, "doet
toch niet, als een non of een zuster-van-liefde, gelofte van levenslange
kuischheid; en gij allen zoo wel als Hortense, hebt het recht een
eerlijk en godvruchtig huwelijk aan te gaan."
- Moar hê z' euk nog 't recht mee ons, in de processie, 't heilige
Maria-beeld te droagen?" had een der congreganisten gevraagd.
- Joa, z' hêt da recht, zeulang te minsten as de geboden nie afgekondigd
'n zijn," had de pastoor geantwoord.
En hoe misnoegd ook over dit besluit, hadden de Maria-meisjes het zich
toch moeten laten welgevallen, nog een laatste maal, met de mooie
Hortense, het beeld der Heilige Maagd in de processie te dragen.
* * * * *
Bij het plechtig galmen der klokken op den toren, bij het geluid der
muziek en der heilige zangen, met glinsterend zilveren kruis en
wapperende vanen, met maagdekens in 't wit en koorknapen in 't rood; en,
onder den baldakijn van rood fluweel met gouden franjes, de pastoor
blootshoofds, in goudgestikt kasuifel**, den gouden stralenkrans van
't Heilig-Sacrament in zijn gevouwen handen, zoo vorderde langzaam de bonte
processie, traag slingerend door de bochtige straten van het dorpje,
over het rijkkleurig-schitterend bloemenbed, door vrome handen als een
pad van weelde en glorie op de gansche lengte van den doortocht
gestrooid.
In 't midden van den stoet, voorafgegaan van een groep witte maagdekens,
waarvan de eene mandjes droegen met gemaakte bloemen, en de andere witte
of lichtblauwe vendeltjes, met lange wit-en-blauwe linten, kwam het
beeld der Moeder Gods, plechtig op haar troon, gedragen op de schouders
harer vier, in blauwe rokken en witte borstlijfjes gekleede,
dienaressen. Het goddelijk hermelijn daalde in statige plooien van haar
schouders tot haar voeten, van voren geopend op de lange, pure,
hiëratische lijn van het blauw kleed bezaaid met sterren; en 't hoofd,
gehuld in stralenkrans, glimlachte zacht, een weinig links
vooroverhellend, met den glimlach van de roodgeverfde lippen, tegen
't kindje Jezus, dat Maria op den arm droeg.
De oogen neergeslagen, het lichaam trillend van mystische** spanning,
schreden de vier meisjes langzaam vooruit, met over haar gelaatstrekken
een uitdrukking van bijna extatische vroomheid, alsof het beeld zijn
stroom van heiligheid over haar uitstrooide. Zij waren leelijk, de drie
andere: de eene dik en rood, de tweede haast gebocheld, de derde met
zieke knipoogjes. Maar hoe schoon was Hortense!....
De onuitsprekelijke emotie die zij voelde, scheen zóó hare
gelaatstrekken te louteren en te verfijnen, dat zij zelve nu leek op een
Heilige-Maagd, zeer zacht en zeer bekoorlijk, menschelijk schoon in haar
rustieken eenvoud, teer-liefderijk ontroerd in de doorluchtige
grootschheid, waarvan ze zich omstraald voelde.
Onder den witten bloemenkrans waarmeê haar hoofd getooid was, streken
zich de zwarte haren in twee gladde vlechten over de slapen, puur
omlijstend 't rechte blanke voorhoofd. De oogen, zoo ingetogen-zacht
onder de donkere schaduw der lange oogharen, bezielden zich met stralen
als zij den blik even opsloeg; de neus, ietwat scherp, gaf aan het rein
gezicht een teere fierheid; de lippen, half open, verrieden door hun
zwak-hijgende trilling, de versnelde jagingen van haar diep ontroerde
hart. Over haar zachte wangen, door de zon een weinig bruingebrand,
zweefden soms rozenkleuren. De schitterende weerkaatsing van al dat wit
en al dat licht deed haar pijn aan de oogen, en de bewonderende, op haar
gevestigde blikken, deden haar pijn aan 't hart. Soms voelde zij zich
even als in duizeling wegzwijmen, en in een groote maagdelijke schaamte,
mengde zich een groot gevoel van treurnis, die haar tranen in de oogen
bracht.
Zij ging, als in een teeren en tevens smartvollen droom, heel vervreemd
van haar vroegere gezellinnen, onder de drukkende impressie eener
dierbare bedevaart, voor de laatste maal gedaan. Het was haar te moede
of langzaam iets in haar stierf, dat nooit weer zou geboren worden. Het
was haar te moede of deze laatste tocht haar leidde naar een fataal en
pijnlijk doel, waaraan geen macht haar nog onttrekken kon; of iets
waartegen zij geen weerstand bieden kon, haar stuwde naar een triestig
altaar, waar alles wat goed, en zacht, en puur en edel was in haar, voor
eeuwig zou geofferd worden.
Toen greep haar heviger de duizeling aan, en fijne zweetdroppels
parelden op haar mat-blank voorhoofd. 't Geluid der klokken, der muziek,
der gebeden en gezangen, alles dwarrelde duister door haar brein,
gemengd met den opwalmenden geur van wierook en vertrapte bloemen, met
't vizioen der neergeknielde dorpelingen en der vlaggende huizen, met de
verblindend-schitterende praal der processie, die als een bont-wemelend
lint, voor haar heen slingerde.
En zij onderging den benauwenden indruk van alleen te loopen, heel
triestig alleen, als een vreemde, midden in een foule** waar niemand
haar meer kende, waar niemand haar meer liefhad. Zij voelde de bedekte
vijandschap harer geërgerde gezellinnen, zij voelde zich misplaatst,
heimlijk versmaad, en zwak onder den hoon, en hopeloos zonder
verdediging. En als in scherpe vlijmsteken voelde zij zich met iets
doorboren, dat haar tot in het diepste van haar levenskrachten raakte.
Van lieverlede werd de last van het goddelijk beeld te zwaar voor haar
vermoeide lichaam, dat het toch zoo dikwijls zonder moeite had gedragen.
Het was haar te moede of zij een overweldigende vracht te torsen had, of
zij een loodzwaar kruis droeg, waarmede zij een berg moest opklimmen. De
blauwe draagboomen haakten zich als wreede klauwen in haar teere
schouders, haar lichaam boog, haar beenen waggelden; en gefolterd door
schrijnende pijn, keek zij smeekend naar haar gezellinnen, die met
inspanning het gevaarlijk schommelend beeld poogden recht op te houden,
blikken van verontwaardigden toorn op haar werpend.
Toen zag zij hem staan op den hoek van een straat, hem, den
verloofde!.... En plotseling, alsof dit gezicht haar den genadeslag gaf,
zakte zij met een doffen kreet in elkaar, terwijl hij, toesnellend, haar
met de beide handen den last op de schouders gedrukt hield.
Zij viel eerst zuchtend op haar knieën, en dan achterover ten gronde, de
oogen dicht en het gelaat was-geel, in machtelooze zwijming....
* * * * *
Het was haar moeder die het haar had aangeraden, die het gewild had, die
er op aangedrongen had, tot zij eindelijk haar jawoord gaf....
Zij waren negen kinderen, waaronder vijf dochters; en volstrekt geen
vermogen. Het hoevetje was netjes onderhouden, en noeste vlijt gaf hun
't dagelijksch brood, doch daarmee was 't ook alles. De drie oudste
zonen waren meer dan voldoende om den arbeid op het veld en in de
stallen te verrichten; twee dochters, hoogstens drie, konden haar
bezigheid vinden met huis- en binnenwerk; maar wat van de andere!
's Zomers, in wied- en oogsttijd, deden zij nog het werk der arbeidsters
die men anders had moeten huren; maar 's winters dienden zij tot niets,
tenzij om een beetje kantwerk te maken, wat haast zooveel is als niets.
Zij moesten er dus wel aan denken om zoo spoedig mogelijk heen te gaan,
zij die er overbodig waren. Ook, toen pachter Boudewijn, die een naburig
dorp bewoonde en heette rijk te zijn, Hortense 't hof begon te maken, en
weldra zijn aanvraag deed, was de oude moeder er ten zeerste mee in haar
schik. Zij kende hem als een ernstig, spaarzaam werker, en als een
degelijk man, die na den dood van zijn ouders genoeg bewezen had, dat
hij in staat was zijn zaken goed te roer te staan**. 't Is waar, hij was
vijftien jaar ouder dan Hortense, maar was dàt een reden om hem van de
hand te wijzen? Het was misschien een reden te meer om hem gretig te
aanvaarden.
En lang, en ernstig, streng zelfs, had zij met Hortense gesproken.
* * * * *
Hortense had gehuild....
Zij was twee en twintig jaar oud, en kende noch begeerde een ander leven
dan wat zij tot dus toe had gehad. 't Gezellige familieleven op het
hoevetje, het ouderwetsch huisje, met schilderachtig stroodak, in de
schaduw der suizende populieren, de bloemen langs den muur, en 't blond,
kabbelend beekje achter de stalling; haar moeder, haar broeders en
zusters; haar ruwen arbeid en eentonig leven, met soms een enkel uurtje
uitspanning in gezelschap van vriendinnen, meer vroeg ze niet. Met
minder zelfs had ze zich graag tevreden gehouden, en meer dan één
berooving** zou ze zich hebben getroost, als ze maar dat ééne had
behouden: in haar moeder's huis te mogen blijven.
En zij leerde die allergrootste droefheid kennen, zich te veel te
voelen, dáár waar zij het meest aan alles was gehecht. Het werd haar wel
niet openlijk gezegd, maar zij merkte 't dadelijk aan dat air van
spijtige verbazing, waarmee de huisgenooten haar eerste, bedeesde
weigering van het schitterend aanbod aanhoorden. 't Was of zich
schielijk om haar heen iets afsloot, in een ongastvrije koelheid van
verwijdering. 't Was of in 't huisgezin een schaduw van oneenigheid
sloop, die zij er binnen had gebracht.
* * * * *
Toen deed de pachter, zeer verliefd, voor de tweede maal zijn aanvraag.
Droogjes vroeg de moeder aan Hortense welk haar toekomst-plannen waren
in geval zij niet trouwde. En koel legde zij haar de beide uitkomsten
voor oogen: of trouwen met den rijken pachter en gelukkig zijn; of arme
oude vrijster worden, haar familie ten laste.
Haar familie ten laste! Zij sprak die woorden uit, de oude moeder, en
zij brandden Hortense als een gloeiend ijzer in het hart. Zij barstte
uit in overweldigende tranen, zich zelve plotseling bewust harer
individueele onmacht als alleenstaande vrouw in den strijd om het leven.
En, in een crisis van wanhoop, stemde zij toe, aan 't noodlot
onderworpen.
* * * * *
Wijl ze nu toch _moest_ trouwen, dan zoo graag met hem als met een
ander.
Zij voelde noch liefde, noch afkeer voor hem; hij was haar, wat liefde
betreft, onverschillig. Het eenig gevoel, dat hij haar inboezemde, was
dat van een ontzettende bedeesdheid, een schuchterheid, een schaamte die
wel eens aan schrik grensde.
Was hij knap van uiterlijk, of leelijk? Zij wist het zelve niet. Haar
moeder, haar broeders en zusters, al wie hem zagen vonden hem knap, heel
knap; maar zij zelve, neen, zij wist het niet. Zij zag alleen van hem
den grooten bruinen baard, die hem deed ouder schijnen dan hij was en
zijn gezicht iets strengs gaf, en den vreemden glimlach zijner
helderbruine oogen, waarvan zij nooit de raadselachtige beteekenis
bevatten kon. Soms schenen zij goed-vriendelijk te lachen, en zij voelde
zich niet bang meer; soms lachten zij bijna kwaadaardig, spottend en
bijtend, scheen het haar, met, scherper er in stralend, het
raadselachtig iets, dat haar instinctmatig schrik aanjaagde. Soms maakte
hij op haar den indruk van een zachtaardig en zachtharig dier, dat zich
gedwee laat aaien; soms dacht zij aan een beest van valschheid en van
sluwheid, met verscheurende klauwen onder het fluweel der pooten, en
verslindende tanden onder de zalvende lip. Maar zij wist het toch niet,
zij durfde niet genoeg naar hem kijken. En alleen dit voelde zij, zeer
sterk, zoo sterk als een fatale macht, waaraan geen worsteling haar
onttrekken kon:
Dat hij haar meester zou zijn....
* * * * *
Het huwelijk werd voltrokken. Een korte ceremonie in 't gemeentehuis en
in de kerk, het traditioneel ontbijt met chocolade en broodjes in het
moederlijk huis, en dan het vertrek naar de stad, in gezelschap van een
harer jongere zusters en een vriend van haar man.
Dáár, het vermoeiend slenteren door de straten, het
verstompend-staan-kijken naar de uitstallingen der winkels, het gapen
van honger en zich-weevoelen in de verbijstering van dien gedwongen dag
reizen, dien men nooit weet waaraan te besteden.
En dan, met den avondtrein, de terugkeer naar het dorp en de aankomst op
de hoeve van den bruidegom. De jeugd van het gehucht met haar broeders
en zusters vergaderd om die plechtige intrede te vieren, 't kanon
bulderend, de pikton fantastisch brandend op den boomgaard, gezangen,
dans en drank, in de oorverdoovende drukte van al die menschen welke zij
te nauwernood kende. En dan van lieverlede het vertrek der gasten en de
stilte. Alleen eindelijk, met toegegrendelde deuren, in dat onbekend
huis, waar zij plotseling den indruk kreeg in een gevangenis te
zijn..........
Hij kwam tot haar en sloot haar wild in zijne sterk gespierde armen,
haar op den mond zijn lippen drukkend. Het was een in-bezitneming. Zij
zwijmelde er onder. Toen drukte hij haar zóó ruw-hartstochtelijk tegen
zich aan, dat zij een smartkreet slaakte, terwijl het haar te moede werd
of alles om haar heen in somberen angst wegduizelde, en er van haar
zelve niets meer overbleef. Een koude voeling greep haar aan, de
huiverige koude van een donkere kamer, de koude van een graf, waar hij
haar met geweld in meesleepte.
En zonder kennis, met een schorren zucht, plofte zij neer op het hard
krakend bed.
* * * * *
Nu leefde zij haar nieuwe leven....
Een leven, dag aan dag eentonig 't zelfde, en toch, vooral in de
desoriënteering van 't begin, zóó druk, zóó gejaagd, dat zij zich van 's
morgens tot 's avonds in een verbijsterde haast bewoog, zichzelve geen
oogenblik meer toebehoorend, voortdurend in angst iets vergeten of
verwaarloosd te hebben.
Het was ook alles zoo heel anders dan wat zij tot dus toe gedaan had.
Het was in eens de rechtstreeksche, algeheele verantwoordelijkheid voor
alles wat het huishouden betrof, 't gebrek aan raad en hulp, het
permanent gevoel op haar eentje te moeten worstelen met den knellenden
Plicht, in de aanhoudende vrees, dat zij in kracht en bekwaamheid zou te
kort schieten. En ofschoon ze nog niet klaagde, en het zich zelve nog
niet duidelijk bewust werd of haar tegenwoordige toestand een
verbetering dan een verslechting van haar lot behelsde, toch voelde ze
reeds sterk, dat, in haar leven, waar Plicht en Vreugd zich tot dus toe
zoo vaak tot één en zelfde zacht gevoel hadden versmolten, de Plicht
eensklaps ten nadeele der Vreugd een tyrannisch reuzenaandeel had
veroverd.
En zij leerde kennen, met toenemende intensiteit, dit dubbel knellend
gevoel: te moeten doen wat men liever zou laten, en te moeten laten wat
men liever zou doen. Een gevoel of iets je vastbond aan handen en
voeten, en deed draaien altijd in denzelfden cirkel, zonder verpoozing.
Een gevoel of je de hond was aan zijn ketting, of de vogel in zijn kooi,
in de wanhopige smart voor eeuwig je vrijheid te hebben verloren. En dit
alles zonder de eenige vergoeding die zooveel loodzware banden dragelijk
en zelfs zacht bekoorlijk maken kan: een ware liefde.
Zonder te weten wat een ware groote liefde was, voelde zij toch wel dat
het heel iets anders moest zijn dan wat haar nu aan hem verbond. Zij
voelde in haar hart een onpeilbare leege diepte, die _zijn_ beeld nooit
kwam vullen. Er was in haar een eindeloos gevoel van heimwee, welk nooit
door iets dat van _hem_ kwam, getroost kon worden. Zij leefde niet van
't tegenwoordige, maar wel van het verleden en van de toekomst, een
duistere, onbegrijpelijke toekomst, waar in de verste verte van den
horizon als het ware een vaag schijnsel schemerde, iets zwaks en
weifelends, innig teer en schimmig als een symbool van nimmer te
verwezenlijken hoop. Haar mooie oogen van ernst bleven soms uren lang in
bespiegeling op die hersenschim staren, ze volgend, ze zoekend, vol
angst toen ze verdween, vol liefde toen ze terug kwam. Het was als een
band, als een aantrekkingsstraal, onmetelijk lang, en puur, en fijn,
alleen voor haar zichtbaar, en die haar innig wezen met het onbevatbaar
ideaal vereenigde.
* * * * *
Drie maanden na haar huwelijk werd zij zwanger. En in diepe ontroering
onderging zij het vreemd-tegenstrijdig gevoel nog veel sterker dan
vroeger door de materiëele banden van haar huwelijk ter plaatse
vastgekneld te zijn, terwijl de starre lichtstraal, ginds verre in
't onzichtbaar onbestemde vastgehecht, zich scheen te spannen om haar tot
zich te trekken, in het intenser opglinsteren van zijn ideaal,
chimerisch** licht.
Dan openbaarde zich bij haar, gedurende die pijnlijke maanden welke de
verlossing voorafgingen, het grillig humeur aan den toestand eigen, in
overweldigende aanvallen van heimwee. Zij voelde dringender de behoefte
weer in 't verledene te leven, en 't moederlijk huis en de bekenden van
vroeger terug te zien. Zij schudde af en toe haar zwaar-knellende banden
los, en trotseerde de misnoegdheid van haar man, om dikwijls weer naar
haar geboorteplaats te komen. Daar sprak zij met oude vriendinnen over
herinneringen uit haar jeugd, als over iets heerlijks, dat nu oneindig
verre van haar af lag, en slechts door tranen van ontroering heen, uit
de diepten haars gemoeds weer op kon stijgen. En zij zei aan haar
moeder, dat, indien zij kwam te sterven, zij begraven wilde worden op
het kerkhof van haar dorpje, en niet op de begraafplaats der vreemde
gemeente waar zij nu woonde.
Toen kwamen de verschrikkelijke barenssmarten. Haar misvormd lichaam in
folterende krampen de verlossing weigerend, het kind na lang lijden
eindelijk met geweld gehaald, en zij als dood en van elkaar
getrokken....
Het was een meisje. In een vloed van tranen drukte zij 't aan haar hart,
verbaasd nog te leven, in eens gelukkig nu, alleen nog voelend de
teederheid der moederliefde, in de zachtheid van den nieuwen band, die
haar nu aan de wereld hechtte.
* * * * *
Physiek had die bevalling veel aan haar veranderd en verouderd. Zij had,
in haar druk leven, noch den tijd noch de middelen behoorlijk voor haar
herstelling te zorgen, en zoo verloor zij dadelijk veel van haar
vroegere frischheid en schoonheid. Wellicht toch had zij die gauw weer
herkregen, als het ongeluk niet gewild had, dat zij, kort na haar eerste
bevalling, voor de tweede maal zwanger werd.
Het was een consternatie. De zalige vreugde, die zij met haar eerste
kind genoten had, ging er grootendeels door verloren; en de man,
stomverbaasd, mopperde, omdat ze heel wat geld kostten, die kinderen, en
tijd innamen, en beslommeringen gaven! Zou hij dan een van die ellendig
vruchtbare vrouwen hebben gehuwd, die ieder jaar hun echtgenoot een kind
geven! En al deed hij haar nog geen direkt verwijt daarover, toch
jammerde hij reeds over die vruchtbaarheid als over een gebrek, als over
een hoogst onaangename verrassing, waarvan men wel zou moeten kunnen
onderricht zijn, aleer een huwelijk aan te gaan.
Zij, in zachtheid onderworpen, kwam niet in opstand tegen die
onhebbelijke insinuaties. Zij antwoordde gedwee dat het toch niet háre
schuld was, en dat zij, nog véél minder dan hij, gewenscht had zoo gauw
een tweede kind te hebben. Toen drong hij niet verder aan, maar bleef er
toch voortdurend over zeuren, klagend dat de boerenstiel zoo slecht
begon te gaan, dat hij dit jaar, in plaats van iets op zij te leggen
zooals vroeger, er van 't zijne bij zou moeten doen, en dat men nu
voortaan heel hard zou moeten sjouwen om ieder jaar rond te komen.
Hortense dacht: hij treurt over het geld, dat hij er voor moet
uitkeeren, maar hij denkt niet eens aan wat ik er aan opoffer van mijn
gezondheid, van mijn leven. Hij telt voor niets mijn vreeselijk lijden,
en voor hem heeft mijn leven slechts waarde in zoover hij er nut en
genoegen uit kan trekken. En weemoedig drong zij in zichzelf terug,
beurtelings verdiept in haar zachttreurige jeugdsherinneringen** en haar
langzaam weer opkomende moederliefde, met daartusschen in, van tijd tot
tijd, een verren blik op de toekomst, waar, in de verwijdering van een
chaotisch halfduister, voortdurend het stil-weifelend vlammetje van hoop
bleef branden.
* * * * *
Tweelingen, ditmaal! En 't ergste nog: meisjes!....
De man vloekte. Hortense, wanhopig in haar bed gestrekt, leed nog meer
van moreele, dan van physieke pijn. Was het dan een vloek die op haar
drukte: drie meisjes in twee jaar tijds! En toen de man, zich niet meer
inhoudend, razend uitbarstte, kon zij geen woord tot verdediging in
't midden brengen, zich haast onwaardig, zich haast schuldig voelend.
- Van nou af aan, as 'k kwam te stirven, 'n zoên die kinders hoast
niemendalle mier bezitten," raasde hij. "Wa zal da zijn as d'r nog moete
komen?"
- 'n Loat er giene mier komen, ik 'n vroage nie beter," antwoordde zij
gelaten.
Hij zwoer het, knarsetandend. En hij sprak van nog hardnekkiger zwoegen
en sjouwen, om die schrikkelijke schade in te halen.
* * * * *
Den derden dag na de bevalling zei hij:
- 'K hope dat-e zilt opstoan en d'achterwoarsterigge 1) loate goan.
Verlede kier hên we ze tien doagen g'haûen; 't es veul te lank. We
zillen moar beginnen mee dàt uit te spoaren."
1) Baker ,vroedvrouw
Vl. Wdb.: achterwaorstrigge (oostelijk zvl.) waar = de stam van bewaren
(= engels, beware) in de betekenis ‘zorgen voor’; achter heeft dezelfde
betekenis als in eng.: to look after; -igge = suff. -ei van klappei
In stomme verslagenheid hield zij op hem een blik van schrik gevestigd.
En in de hardkoude vlam zijner oogen zag zij plotseling het zinnebeeld
van haren dood voorbij zweven. Ze wilde zeggen: "weet-e gij da 'k er van
stirven kan?".... maar een roode gloed vlekte haar bleeke wangen, als
met schaamte,.... met schaamte voor hem; en sidderend, een schorre
trilling in de stem:
- 't Es goed,.... 'k zal probeeren," antwoordde zij.
* * * * *
Het lichaam gebogen, de beenen waggelend, en zóó bleek dat het was of ze
geen bloed in zich meer had, en zóó zwak dat ze zich elk oogenblik met
hijgenden mond en schemerende oogen aan tafels en stoelen vast moest
houden, zoo sleepte zij zich toch, met den moed eener uiterste
wilskracht, voort.
Honderd maal kwam het haar voor dat zij ineens zou neerstorten, om nooit
meer op te staan; dat de laatste kracht uit haar zou vlieden,
meesleepend naar het Niet, wat nu nog van haar overbleef. Maar telkens,
op het oogenblik dat alles zou verdwijnen, ontstond er toch nog nieuwe
kracht in haar, als een verlamde veer die weer opspringt, en weer ook
sleepte ze zich verder, verwilderd nog te leven.
Dat duurde zoo verscheidene weken. Toen was ze gered. Maar haar
lichamelijk verval, reeds zoo merkbaar na haar eerste kind, was ditmaal
schrikwekkend. De rug bleef een weinig gekromd, de buik dik. De
schouders puntten hoekig-mager op, de boezem zakte. En, in de plaats van
de frisch-rozige tinten der jeugd, kwam over haar holle wangen als een
aardkleurige verf met lichtbruine vlekken en sproeten, terwijl onder
haar groote, met een soort van angstige verwildering starende oogen,
zich diep-ingedrukte, zwartachtige kringen afteekenden.
* * * * *
Twee jaren verliepen. Toen zou ze derde maal moeder worden...
En woedend schreeuwde de man dat het van hem niet was. Dàt kon niet, dàt
was niet mogelijk, schreeuwde hij. Er greep een vreeselijke twist
plaats: vloeken, tranen, verwenschingen: zij voor het eerst in wilden
opstand schietend, met verachtende woorden en fonkelende oogen, hem
dreigend met haar kinderen te vluchten als hij nog een enkele maal zijn
schandelijke beschuldiging durfde herhalen; hij als een gek,
stampvoetend van ziedenden toorn, beschuldigend om te beschuldigen, niet
wetend op wien zijn gruwelijke drift te wreken. Eerst toen hij uitgeput
van razernij was, kwam hij weer tot bedaren; maar hij verwenschte, hij
vermaledijdde als de pest 't ellendig noodlot, dat hem nog eenmaal vader
zou maken. En op zijn beurt, schreide hij als een kind, jammerend dat
het nu hun besliste ondergang was, een leven van voortdurenden
dwangarbeid in gewisse ellende.
* * * * *
Een zoontje, ditmaal....zwakke troost, onvoldoende vergoeding voor
zooveel stoornis en droefheid!.... Bleek lichtstraaltje, weifelend en
bedriegelijk, in den duisteren nacht eener nieuwe ramp: Hortense, nog
eens veel te vroeg opgestaan, werd, den vijfden dag na haar bevalling,
door hevige koortsen aangetast; en gedurende zes weken was haar leven
niets meer dan een ademtocht, elk oogenblik op 't punt om voor eeuwig
uit te dooven.
Drie maanden lang bleef zij bedlegerig. En, in Mei bevallen, kwam zij
voor het eerst de buitenlucht weer voelen, op een lauw-zonnigen dag van
eind September. Het was een zondag. Haar man was na de vesper in het
dorp gebleven, maar haar moeder en een harer zusters waren haar
gezelschap komen houden. En alle drie op stoelen vóór de deur gezeten,
met de spelende kinderen om zich heen, praatten zij langzaam over
onverschillige dingen, geen van alle uitdrukkend wat in de diepte van
hun harten lag.
In de stille, ijlblauwe lucht was iets van zacht-weemoedige
bespiegeling. De bruine bladeren vielen zacht-ruischend neer,
zacht-ritselend tusschen de naakte twijgen, het kort geschoren gras als
met een bed van doode vlinders bedekkend. Hier en daar, in de hoogste
takken der fruitboomen, blonk nog het goud eener vergeten vrucht, en
door de luisterende stilte zweefde soms het fijn-klagend getjilp van
ontzichtbare** benden trekvogels, die voor de naderende winterkoude
vluchtten. En, in die stille pracht en zachtheid van genezing, kwam
eensklaps weer een eindeloos gevoel van heimwee in Hortense's hart. Een
plotselinge terugsprong in 't verleden, een wilde, onberedeneerde
illuzie, met moeder en met zuster weer naar huis te gaan, en daar weer
jong en mooi te worden, en weer gezellig en gelukkig met elkaar te
leven, dáár, o dáár, in 't lieflijk oord van al haar
jeugdsherinneringen!
- Moeder!... o, moeder!" smeekte zij, met angstig schitterende oogen....
En eensklaps vroeg ze 't:
- O, moeder, loat mij weere mee noar huis goan!"
En met wringende handen begon ze te snikken.
- Moar, kind, word t-e gij zot!" zei de moeder. En zij toonde haar hoe
onuitvoerbaar en onzinnig haar verlangen was.
Een gefolterden trek om den mond, het hoofd in machtelooze wanhoop
scheef geheld, en de krampachtig in elkaar gewrongen handen op haar
knieën gedrukt gaf Hortense geen antwoord meer.
Zij wist het ook wel, dat 't niet mogelijk was.
* * * * *
En in haar hart kwam een gevoel van algeheel verlaten zijn. Niet meer
hopend streed zij niet meer. Haar leven werd iets machinaals, dood voor
't verleden als voor 't tegenwoordige, dood voor illuziën en idealen.
Zelfs het flauwe lichtstraaltje, jarenlang gekoesterd als een geheime
hoop in de toekomst, verzwond met zijn verre vizioenen in de
duisternis van het Niets.
Zij verwaarloosde haar bezigheden, verwaarloosde zichzelve en haar
kinderen. Haar huis, tot dan toe gehouden met de zorg en netheid, die
zij van haar moeder had geleerd, ging er langzamerhand slordig, vuil
uitzien. Zij had geen tijd meer, zij had geen lust meer. Zij voelde zich
moe, beu, suf. Een onoverwinbare verstramming verlamde hare ledematen en
verstompte haren geest; een aanhoudend verlangen om niets meer te doen,
om haar oogen te sluiten en te slapen, werd haar eenig verlangen.
En voor de vierde maal moest zij nu moeder worden....
Maar nu kon het haar niet meer schelen en zij maakte niets geen misbaar.
Zij bleef verbazend kalm onder den vreeselijken slag. Zelfs toen haar
man, gek van woede, vloekend 't huis verliet om in de herberg te gaan
drinken, had zij geen woord van verontwaardiging, geen traan van smart.
Zij had zich bij den wil van 't noodlot neergelegd.
* * * * *
En toch, wijl de mensch nu eenmaal zonder hoop of ideaal niet _kan_
leven, zoo ontstond er nu langzamerhand iets in haar, vreemd en
ziekelijk, haast kinderachtig voor een vrouw die reeds zooveel geleden
had: de hoop op haar toekomstige verlossing!....
Niet de ongeduldige verwachting eens geluks,... alleen maar de
verwachting eener hoogst belangrijke gebeurtenis. Het was haar te moede,
en zij geloofde instinctmatig, in een superstitie** welke voortdurend in
kracht toenam, dat _deze_ verlossing in haar leven een omwenteling te
weeg zou brengen. Waarom ze dat geloofde wist ze niet; waarom dat nu
gebeuren zou, en niet vroeger, of niet later, was haar onverklaarbaar.
Maar zij voelde, zij geloofde. Zij voelde en geloofde zelfs, dat de
vrucht, die zij nu droeg, een heel ander leven had dan die van vroeger.
Voortdurend, bij dag en nacht, was het haar eenige gedachte, haar
uitsluitende bekommering. Het wendde haar van het reëele leven af,
't werd haar een vaststaand denkbeeld, een obcessie, iets
zinsbegoochelends, een wonder vizioen, dat glansde in zijn glorieuze
pracht, ginds heel heel verre aan den horizon, in de schielijke
herleving van den idealen lichtstraal waarop ze zoo vaak, in de eerste
jaren van haar ongelukkig huwelijk, als op een reddingsbaken had
gestaard.
O! die straal! die mysterieuze, overheerlijke, een tijdlang niet meer
geziene lichtstraal! hoe blonk hij nu weer troostend in 't verschiet!
hoe scheen hij soms tot haar te komen om haar met zijn glans te
overgieten! Hoe trok hij haar soms met zich mede, horizonnen van een
nooit geziene schoonheid voor haar openend! En in dien glans van
heerlijkheid zag ze zichzelve dan plechtig-langzaam gaan, zooals ze
vroeger ging in de processie: jong en mooi, in wit en blauw gekleed, met
van vrome extaze neergeslagen oogen, in den geur der bloemen en
't geluid der lofzangen het heilige Maria-beeld op hare schouders
dragend....
* * * * *
's Nachts vóór haar bevalling had zij een droom....
Zij lag bewusteloos ingeslapen, toen zij eensklaps een stille gestalte
over zich heen voelde buigen, en een zeer zachte stem meende te hooren,
een stem waarvan zij vroeger nooit den klank gehoord had, die haar
fluisterde:
"Sta op, en volg mij."
In machinale gehoorzaamheid, zonder een opmerking noch een vraag, voelde
zij zich opstaan. En nauwelijks was ze met haast half aangekleed, toen
de slanke gestalte, die vaag-grijzig bleek was, en, als een engel,
vlerken scheen te dragen, haar stil een kindje in de armen lei, en nog
eens met haar zachte stem herhaalde:
"Volg mij!!!"
Met snellen tred liepen zij door de sombere velden, de gestalte voorop,
licht alsof hare voeten de aarde niet raakten; zij er achter, met
inspanning haren geleider volgend, het kind in haar armen...!
Zij gingen in de richting van een bleeken lichtstraal, schitterend in de
verte van den horizon. Het kind bewoog zich niet, klaagde niet, huilde
niet. En alles was dood-sombere eenzaamheid en stilte om hen heen....
Maar eensklaps hoorde zij het luid geschreeuw van al haar andere
kinderen. Zij hadden haar gevolgd en wilden met haar meegaan....
Even hield ze stil en liet ze meegaan. En ook de edele gestalte keerde
zich even om en staarde roerloos het schouwspel aan, met een
sereen-triestige hoogheid. Toen gingen zij allen weer verder....
De weg klom, werd steil en hobbelig. Zij hijgde, struikelde, viel. Haar
afgematte kinderen konden weldra niet langer volgen. Het een na het
ander verlieten zij haar in wanhopig geschrei; en ook zij weende
overvloedig, terwijl zij ze voor 't laatst omhelsde. Maar zij bleef niet
bij ze: altijd verder en verder volgde zij, met het onbewegelijk kind op
haar armen, de slanke, fantastische gestalte, die haar tot den meer en
meer heerlijk schitterenden stralenglans opleidde....
* * * * *
Met een angstkreet werd zij wakker. Een kramp verwrong haar lichaam, in
de eerste barensweeën.
Brommend schrikte de man er van op. "Wa schilt er toch!" knorde hij.
Maar toen hij 't begrepen had sprong hij uit 't bed, kleedde zich
haastig aan, en ging dokter en baker halen.
Alle drie: de man, de dokter en de baker, omringden zij in 't laag,
akelig-somber kamertje, het bed waarop Hortense lag, aan onnoemelijk
lijden ter prooi. Niets ging vooruit; het duurde al meer dan achttien
uren. Het slachtoffer was uitgeput, en tusschen de aanvallen der
afgrijselijke smart, smeekte zij te mogen sterven. Toen besloot de
dokter tot het uiterste. Haastig, in een benauwende stilte, slechts af
en toe gestoord door het gillen der vrouw, werden de instrumenten, als
foltertuigen, klaar gemaakt. Dan was het als een slachting, en het kind
kwam ter wereld: doodgeboren.
Hortense staakte 't schreeuwen, de oogen gesloten en de handen lam,
zelve als een lijk.
* * * * *
't Is nacht.....
De wijd-starend uitgezette oogen brandend van koorts, de huid boven de
juksbeenderen** schel-roze gekleurd, het voorhoofd druipend van 't zweet
en 't gansche lichaam huiverend en schuddend, ligt Hortense op den rug
gestrekt, het doode kind met stuggen hartstocht tegen haar onvleesde**
borst gedrukt.
Terstond heeft zij het zoo geëischt. Men heeft gepoogd haar het kind te
ontnemen, maar zij heeft geschreeuwd, zij heeft gebruld als een leeuwin,
klauwend en knarsetandend.....
Om haar heen zijn haar man en de baker, en ook haar drie oudste
kinderen. Op een tafeltje, naast het bed, branden twee waskaarsen, die
lichten der stervenden, aan beide zijden van een kruisbeeld. Doch zij
schijnt ze niet te zien; ze schijnt niets en niemand meer te zien.
Het zweet plakt haar losse, zwarte haarvlechten op hare slapen, en haar
oogen van verwildering en angst blijven halsstarrig gevestigd op de
laaggebalkte zoldering, terwijl haar bibberende lippen een gebed
schijnen te prevelen. En plotseling krijgen haar oogen iets haast
bovennatuurlijks in hun uitdrukking, terwijl een schorre kreet uit haren
mond stijgt.
- Wa es't er?" vraagt de man, angstig naderend.
- Ik zie hem! ik zie hem! O! ik zie hem komen!" lispelt zij met vreemde
stem.
En, in haar brandende oogen, die nog wijder open staren, komt de extaze.
- Wa zie je? wa zie je?" vraagt hij dringend.
Zij sluit haar oogen, als plotseling verblind door een te schelle
uitstraling van licht. Dan doet ze ze weer open, en over haar ontvleesde
trekken komt een uitdrukking van hemelsche vreugd.
Zij glimlacht. En haar sidderend lichaam maakt een beweging alsof zij op
wou staan, terwijl haar armen zich nog nauwer, met onuitsprekelijke
liefde, over het doode kind omsluiten. En eensklaps roept ze, met een
luide, heldere stem, die vervaarlijk weergalmt in de benauwde stilte van
't luguber kamertje:
- 'K kome! 'k kome! 'K hé mijn moagdeklieren aan! 'K droage 't kindeke
Zjezus!"
Verwilderd schrikken zij allen op. De man en de baker vliegen naar het
bed, terwijl de kinderen luide jammeren.
Maar voor de aangrijpende plechtigheid van 't schouwspel, blijven zij
terstond weer allen stom en roerloos, den blik gevestigd op de jonge
moeder...
Geen spier van haar lichaam beweegt zich meer. De schelle kleuren van de
wangen bleeken weg, en zelfs het zweet, dat op het voorhoofd parelt,
schijnt in een laatsten straal over de slapen uit te vloeien. Alleen de
oogen leven....
Zij leven, en staren, in extaze, op de zwarte zoldering, waar zij een
overheerlijk schouwspel schijnen bij te wonen. Een schouwspel van ideale
pracht, een uitstraling die ze meesleept, die met ze weg gaat, die tot
zich schijnt te trekken, uit de diepste diepten van haar wezen, haar
allerlaatste levenskrachten. De oogappels zelven schijnen langzamerhand
hun gloed te verliezen, zich te verkleinen, zich in een laatsten kern
van vuur te concentreeren. Weldra zijn ze niets meer dan twee fijne
straaltjes, scherp-schitterend in het midden der doffe holten, als twee
naaldpunten.
Langzaam, met uitgestrekte hand, buigt de baker over de stervende neer.
Zij ziet de fijne straaltjes verbleeken, zij ziet ze dun worden als
zilveren haartjes, als twee met dauw bezilverde draadjes van een
spinneweb. En altijd door blijven zij staren op 't extatisch vizioen....
Dan is er als een opschorsing. Een laatste zweetparel daalt langzaam van
het voorhoofd, blijft even in de rechter wenkbrauw hangen. Dan valt hij
in het oog en dooft er 't laatste stipje leven uit.
- Z'es deud," fluistert de vrouw, zich oprichtend.
En plotseling, ontroerd en overweldigd tot in 't diepste harer ziel door
het bovenmenschelijk schouwspel, dat zij daar waarnam:
- Z'es mee heur kind in den Hemel!" zegt ze. En, met gevouwen handen,
valt zij vóór het sterfbed op haar knieën.
* * * * *