Hij sprak langzaam, duidelijk, met een air van hoogmoed, telkens door
een soort nadruk zijn woorden bekrachtigend, terwijl hij, vaag
glimlachend in zijn breeden baard, halsstarrig Permentier bekeek met
zijn helderpeilende oogen, waar een zweem van wantrouwen in schitterde.
Er was een korte stilte. Permentier, steeds op zijn spadesteel gebogen,
zei niets, knikte alleen werktuigelijk met het hoofd, 't gelaat zeer
bleek, den blik ten gronde. Een groote ontroering scheen hem aan te
grijpen; hij spuwde tweemaal, links, een straal speeksel, wit speeksel,
sinds hij niet meer pruimde.
- Gij 'n zij toch giene pensejoager, e-woar?" vroeg de jachtopziener,
uit de hoogte.
- Nien ik,.... nien, nien ik,.... noeit,..." antwoordde dof de oude.
Zijn stem stokte, hij wierp, links en rechts schuinsche blikken, als
zocht hij een hol om te vluchten.
- G'n leupt euk in de bosschen niet, g'n goat er gien heit 1)
raopen....?"