1) Hoevetje.

De vrouw en de kinderen, stom-verslagen, staakten plotseling het eten.

- Ha moar voader, dà woare nou toch zottemeinschenswirk; d'r zit te

minsten veur honder vijftig fran mest in 't land, en we zijn da allemaal

kwijt as we mee Meïe verhuizen!" riep eindelijk de zoon, een

twintigjarige zwarte krullekop, met een aardig, zacht meisjesgelaat.

Het achttienjarig dochtertje, gansch poezelig en bruin, met mooie oogen,

was lichtkens bleek geworden bij de gedachte dat die verhuizing, indien

ze werkelijk plaats greep, haar verre zou verwijderen van haar geliefde,

die in de nabijheid woonde en haar dikwijls kwam bezoeken. En de moeder,

effen-bleek van aangezicht met donkere haren, maakte zich eensklaps

boos, riep luid dat zulks niet zou gebeuren, dat zij niet wilde

verhuizen, dat zij weigerde ergens ginds verre te gaan wonen, in de

bosschen, als een beest.

Zonder te antwoorden had Permentier hun bij het klimmend geluid der

stemmen door een gebaar 't stilzwijgen opgelegd, en bevend was hij

opgestaan, den bangen blik op de sombere venstertjes gevestigd. Hij had

gedaan met eten, hij liep gebogen, alsof de lage balken der zoldering

hem op de schouders drukten, naar de voordeur, ontgrendelde die, trok ze

omzichtig open en ging buiten. In stomme verslagenheid zagen de rond den

disch gebleven vrouw en kinderen elkander aan.

- Hij es hij zot geworden!" klaagde de vrouw met tranen in de stem.

De kinderen zwegen, diep-treurig, bevangen door een gevoel van

onverwacht, op hen neerstortend onheil.

Permentier was evenwel haast dadelijk weer in huis gekomen; en zonder

nog te gaan zitten tuurde hij gluipend om zich heen, alsof hij naar iets

zocht. Clotilde, de dochter, ontruimde de tafel; Basiel, de zoon, had

zich bij het kwijnend vuur der haardstee neergezet, een pijpje rookend.

En daar vrouw Permentier aan haar man vroeg of hij wellicht naar pijp en

tabak zocht om insgelijks te rooken, antwoordde de oude met gesmoorde

stem:

- Nien 'k, 'k 'n reuke nie mier."

- 'n Pruime?" vroeg zij aanmoedigend, met den blik naar de gewoonlijk op

de eetkast liggende karot** zoekend.

- Nien 'k, 'k 'n pruime nie mier; we goan sloapen."

En zij werden gedwongen aan het verzoek te gehoorzamen. Permentier zelf

ging naar de lamp en draaide het pitje omlaag, terwijl Clotilde haastig

met haar voorschoot de laatste overblijfsels van de tafel veegde en

Basiel vol spijt zijn nauwelijks aangestoken pijpje uitdoofde.

* * * * *

Dat was de foltering der gevangenschap, dat was 't verpletterend besef

van de geleden onrechtvaardigheid, die hem aldus veranderd hadden.

Dat steeg uit de geheime diepten van zijn wezen, uit de ruwe diepten van

zijn stoere ziel; dat kwam hem schier in physieke walgingen van gruwel

en afkeer, uit het hart op de lippen.

Hoe meer de tijd vervloog hoe vreeselijker werd hij overweldigd door dat

één vaststaande denkbeeld, door dat één afschuwelijk besef: dat hij,

hoewel zelf niets misdaan hebbend, vier maanden onuitsprekelijke

marteling had moeten uitstaan. Hij voelde zich weerloos tegenover een

geheime kwaadaardige almacht; hij voelde den gruwel en den schrik der

Wet, der domme, anonieme macht, die willekeurig over het lot der

menschen beslist. En 't was de Wet die hij vluchtte, die hij tot

krankzinnig wordens toe, verfoeide en verafschuwde.

* * * * *

Hij was verhuisd met Mei, ondanks het smeeken zijner vrouw en kinderen;

hij was gaan wonen ginds verre, zooals hij 't gezegd had, aan den

anderen kant van 't dorp, in een eenzaam huisje dicht bij de bosschen,

waar haast nooit een mensch voorbij ging. Had hij nog langer in zijn

woning moeten blijven, tegenover de herberg van Spiessens, die hem dag

en nacht kon gadeslaan, hij ware gek geworden, hij ware gestorven.

Nu, verscholen in zijn krot als een nagejaagd beest, meer dan twintig

minuten van de naastgelegen boerderij verwijderd, vluchtte hij zijn

evenmensch, als een natuurlijke vijand. Zelfs den minnaar van Clotilde

had hij den toegang van zijn huis verboden; en telkens als hij in de

verte iemand zag komen, verwijderde, verborg hij zich. Als het gebeurde

dat die mensch een koddebeier of gendarm was, kwam er een doodsangst

over hem, kwam er als een nevel van bedwelming vóór zijn oogen, liep

hij, ineengekrompen, zich verschuilende achter een struik of in een

sloot, waar hij soms uren lang roerloos, stom, als vernield bleef

zitten. Al wie galon** of uniform droeg, al wie van ver of van nabij tot

de besturende hiërarchie behoorde: tot de arme accijnsbedienden die zich

afsloofden op hun lange tochten door de velden; tot de goedige

brievenbesteller, die daar elken morgen voorbij kwam, de zwaar gevulde

lederen tasch bochelend op zijn linker heup; allen, voor Permentier,

waren lui die naar willekeur over zijn vrijheid beschikten, die de macht

bezaten hem weer gevangen te nemen, niet enkel voor vier maanden, maar

voor jaren, maar voor zijn leven lang, indien het hun aldus behaagde. In

zijn onzinnigen afschuw voor de uitgestane onrechtvaardigheid waande hij

bepaald de maatschappij verdeeld in twee categories van menschenklassen:

zij die de macht bezaten alle kwaad te doen; zij die het slaafsch

moesten verdragen. Hij was innig overtuigd, dat de eerste gegaloneerde

de beste het recht bezat tot hem te komen, hem te gebieden: "stap op en

volg mij," en hem zonder uitleggingen voor het overige van zijn leven in

een kerker op te sluiten.

En, van lieverlede, uit al die overdreven angsten, uit al die

opgekropte, van dag tot dag toenemende smarten, uit dien machteloozen

wrok te hooren onder hen die onverdiend geleden hadden en nog zouden

lijden, ontkiemde in de primitieve ziel van Permentier een duistere

graagte naar opstand en naar wederwraak. Hij droomde in de bestaande

wereldorde iets omver te werpen, zelf eenmaal tyran te zijn en een der

tyrannen tot een slaaf te maken.

Deze gedachte werd aldra eene obcessie**, werd de unieke troost van zijn

gefolterd leven, 't gedroomde ideaal, dat hij eenmaal hoopte te

bereiken. Overdag op het veld, terwijl hij arbeidde, des nachts in zijn

bed, als hij niet slapen kon, dacht hij er onverpoosd over na. 't Was in

den afschuwnacht zijner ziel als een gretige hoop, als een groot helder

licht, dat hem almachtig-verleidend aanlokte. In uren als de afkeer van

het leven hem als een walging naar de keel steeg, troostte hij zich met

de gedachte eenmaal kwaad te doen, gelijk anderen zich zouden getroost

hebben met de hoop eens het goede te stichten.

En, wondere moreele aberratie, monstrueus uitwerksel der geleden

onrechtvaardigheid op die simpele ziel: wat hij droomde was niet zich te

wreken op hen, die hem mishandeld hadden en zijn wraak verdienden; neen,

hij wenschte kwaad te doen aan iets dat goed en schuldeloos was, een

onverdiend en nutteloos kwaad, zooals hij zelf had uitgestaan.

* * * * *

Misschien toch was deze moreele ziekelijkheid niet ongeneesbaar.

Misschien, gelijk een vuur dat in zichzelf verteert, zou het te

langdurig en te hevig smachten naar de wraak, de krachten om die wraak

eens te bereiken in hem hebben uitgeput, had niet bij ongeluk een

toeval, in zichzelf onbeduidend, gansch onverwacht de steeds bloedende

wonden weer geopend.

Op zekeren morgen dat hij aan het spitten was op een stuk lands,

dichtbij den boschkant, stond plotseling voor hem, met een korten "goên

dag", een man, dien hij zien naderen noch hooren komen had. Het was een

groote kloeke kerel van een veertigtal jaren, roodbruin van

gelaatskleur, vierkant van schouders en gedecideerd van houding, met

stout-peilende blauwe oogen en een dicht-kroezenden, rosbruinen,

waaiervormig-openstaanden baard. Zijn lange, rechte, ietwat schrale

beenen waren tot aan de knieën bedekt met spannende, aardkleurige

slobkousen, en over zijn wijden blauwen kiel droeg hij een Lefaucheux**

in bandelier**. Zijn pet was van glimmend-zwart wasdoek met een rood

bandje, waarop, boven 't vizier, een verguld miniatuur-jachthorentje

prijkte.

Sidderend had Permentier zijn werk gestaakt, terwijl hij, nog half op de

spade geleund, met schuwe vlammetjes in de oogen den reusachtigen kerel

aanstaarde. Hij herinnerde zich niet hem ooit gezien te hebben, maar aan

zijn uiterlijk herkende hij terstond zijn betrekking: een koddebeier.

Trouwens de man gaf oogenblikkelijk, met het doel van zijn bezoek, zijn

indentiteit** aan Permentier te kennen:

- 'K ben-e 'k ik hier de nieuwe garde-chasse** van menier den bron 1)

de Villermont de Wilde. Ge zij gij hier onze noaste gebuur in de

bosschen en menier den bron hoopt, dat hij over ou nie 'n zal te kloagen

hen...."

Te Lande · 第 23 / 32 题