- Niets geheurd, natuurlijk, aangezien den hoaze mee 'ne stok
deudgeslegen es," antwoordde de brigadier met schalkschen glimlach,
"moar wa "gezien" betreft, da hêt-e, da m o e t-e, zeu wel en beter
nog as Spiessens, die d'r veul veurder van af stond en die 't toch wèl
gezien hêt. Pas op, vriend, veur 'n valsche getuigenesse; ge weet, ne
woar, dat doar gevangenesse op stoat?"
De brigadier was schielijk zeer ernstig geworden, met iets hards in de
starheid van zijn blauwe oogen terwijl Permentier, nog meer verbleekend,
langzaam zijn gebogen hoofd heen en weer schudde, om nogmaals te
bevestigen, dat _hij_ toch van niets wist.
Hij durfde noch wilde spreken. Zijn vrees voor Buck, die de gewoonte had
zich onverbiddelijk over zijn aanklagers te wreken, gepaard met zijn
geheime medeplichtigheid en sympathie van listigen boereman voor al wat
tot wilddieverij behoorde, hielden hardnekkig zijn mond gesloten. En hoe
groot ook zijn instinctieve schrik en haat waren ten opzichte van
gendarmen of wethandhavers, toch geloofde hij niet dat men hem kon
vervolgen om gezegd te hebben dat hij niets gezien had. Trouwens, wie
zou het kunnen bewijzen dat hij 't gezien had! Er hing een dikke mist
over 't veld en geen geweerschot was gelost. In een vlugge
aaneenschakeling van gedachten maakte Permentier deze overwegingen,
terwijl zijn steeds ten gronde neergehurkte vrouw en kinderen, die
insgelijks den arbeid gestaakt hadden, beurtelings hem en de gendarmen,
in roerlooze benauwdheid, met angstige blikken aanstaarden. Toen hief
hij eindelijk weêr het hoofd op en herhaalde, met eensklaps iets beslist
in de uitdrukking zijner schitterend-zwarte oogjes:
- _Ik_ 'n hê toch niets gezien, niets geheurd, menier den 'brugedier,'**
't es al wa da'k er van zeggen kan"....
- 't Es goed, man, 'k zal ou vinden, zulle!" barstte de brigadier
plotseling woedend los. Hij keerde zich om en vertrok, gevolgd door den
anderen gendarm, den leelijke zwarte, die zijn mond niet had geopend.
* * * * *
Zes weken later werd de zaak voor de correctioneele rechtbank
opgeroepen.
Buck, op de bank der beschuldigden, loochende zijn daad met vermetele
driestheid. Hij was daar wel voorbijgegaan, langs dat stuk land,
tusschen de woningen van Permentier en Spiessens, verklaarde hij, doch
enkel omdat het de kortste weg was naar de hoeve van boer Lekens, waar
hij dien dag moest arbeiden. En de stok die hij in de hand droeg moest
dienen om er vlas mee te keeren: een ruime partij vlas, welke sinds drie
dagen uit de roterij getrokken was.
Spiessens, van zijn kant, hield hardnekkig de beschuldiging staande.
Evenals Buck en Permentier kende hij het leger van den haas, en daar hij
reeds meermalen den wilddief om het rapenveld heen had zien sluipen, had
hij, op den bewusten morgen, van af den dageraad de wacht gehouden, en,
ondanks den mist, van achter zijn zoldervenster, waar hij zich schuil
hield, heel het schouwspel bijgewoond. Hij had Permentier zijn deur zien
openen, hem belangstellend al de bewegingen van Buck in 't rapenveld
zien waarnemen, hem in zijn half gesloten deurgat zien terugkruipen, om
door den dief niet opgemerkt te worden. Toen Buck ten laatste den haas
doodgeslagen had, was hij, Spiessens, in allerijl beneden gesneld, had
zijn voordeur opengerukt en een teeken gemaakt aan Permentier om hem tot
getuige der misdaad te nemen. Permentier, veinzend dit niet te zien, had
haastig zijn deur gesloten.
Een dof gemurmel steeg in de gerechtszaal op; de rechters, in zwarte
toga en witte bef, met een houding als van dronkaards in hun leunstoelen
scheef gezakt, raadpleegden elkaar in stilte. De brigadier werd
geroepen.
Hij bracht de valschheid van Permentier's getuigenis in 't licht. Hij
had de afstanden gemeten, en vastgesteld dat men van op den drempel van
's boeremans huisje nog beter het leger van den haas kon zien dan van op
Spiessen's** zolder. De man loog dus voorbedachtelijk, en bevestigde
zelf zijn medeplichtigheid met den wildstrooper, door te beweren dat hij
niets gezien had.
De deurwaarder, een kleine dikke, met verhit gelaat en kalen schedel,
was aan een hoek der groene gerechtstafel opgestaan, en riep af, met een
brouwende stem:
- Permentier, Francies."
't Gelaat geelbleek onder zijn borstelige, laag geplante haren, de
zwarte oogjes angstig draaiend en den rug gekromd, kwam Permentier te
voorschijn, zijn bonte muts licht bevend tusschen zijn vereelte duimen.
- Zet ou doar, op die stoel," zei de president, een oude grijze met een
flets-gezwollen gezicht en lange, geelachtige, puntig-uitloopende
bakkebaarden.
Loom klom Permentier twee treden op, nam plaats op den stoel vóór de
groene tafel, de handen en de pet voortdurend bibberend tusschen zijn
magere knieën.
Opnieuw boog de voorzitter links over de armleuning van zijn stoel en
wisselde in stilte enkele woorden met een der rechters, een nog
betrekkelijk jong man, met kort, als het ware vierkant geknipt haar,
bruinen puntbaard en bleekeren, wijd uitloopenden knevel. En dan, zich
met een brusk gebaar der kin en opgeheven rechterhand tot den getuige
wendend:
- Ala! stoa ne kier op en legt ouën ied af."
Permentier gehoorzaamde. De rechterhand inslijks opgeheven, zei hij met
doffe stem de woorden van den president na: "Ik zweire van de woarheid
te zeggen; geheul de woarheid en nie anders dan de woarheid; zeu helpe
mij God."
- Nie spieken 1) zulle!" riep plotseling de president op dreigenden
toon, met booze oogen.
- Nie nien ik, menier de president, nien nien ik, 't 'n es doar gien
gedacht van," antwoordde Permentier bevend. - Joa moar 'k 'n betrauw ou
nie, zulle! Ge moet weten dat 'k die boerestreeken kenne!"
1) Spugen. Als een vlaamsche boer van plan is op het tribunaal de
waarheid niet te zeggen, dan spuwt hij even op den grond, onmiddellijk
na zijn eed-afleggen. Feitelijk spuwt hij, volgens zijn meening, zijn
eed daarmee weg, en beschouwt zich als volkomen vrij tegenover zijn
geweten om te zeggen wat hij wil.
Permentier kon geen woord meer uitbrengen. Het hikte en stokte hem in de
keel van overweldigende ontsteltenis. Was hij werkelijk van plan geweest
te "spieken"! Hij had het zelf niet kunnen zeggen; hij had zoo maar even
werktuigelijk zijn tabakspruim in den mond eens omgedraaid. Misschien,
als de president hem zoo ruw-dreigend niet had aangesproken, zou hij
toch wel eventjes "gespiekt" hebben.
De voorzitter liet zijn hand zinken Op een wenk van hem ging Permentier
weêr zitten.
Alvorens tot het verhoor van den getuige over te gaan, achtte de
voorzitter het zijn plicht hem een waarschuwing voor te houden. Hij
vergeleek de verklaringen van Spiessens en den brigadier met die,
tijdens het eerste verhoor, door Permentier gedaan, en beschuldigde den
laatste van onoprechtheid. Met nadruk wakkerde hij hem aan, in zijn nu
af te leggen getuigenis te verbeteren wat in de eerste valsch en
tegenstrijdig met de waarheid was geweest. De getuige moest zich wel
bedenken dat een valsche getuigenis op een zeer strenge straf kon
uitloopen.
Permentier, loom op zijn stoel gezeten, de angstige blikken beurtelings
van den eenen rechter naar den andere weifelend, knikte werktuigelijk
met het hoofd, als om te zeggen dat hij de vermaning trouw ter hart zou
nemen. En overtuigd dat niets te zeggen toch geen valsche getuigenis
afleggen was, bekrachtigde hij zijn eerste gezegde, verklaarde net als
vroeger, met zijn lage doffe stem:
- Ik 'n hé toch niets gezien, menier de veurzitter;... ik 'n weet van
niets..."
Nauwelijks had Permentier die woorden uitgesproken, of een der rechters,
een lange magere, met een scheeven neus, vloog, als door een veer
bewogen, uit zijn zetel op. Met een air van rechtmatige
verontwaardiging, 't gelaat gekeerd naar de twee andere, voortdurend in
hun laffe houding scheef gezakte rechters, sprak hij, in 't Fransch
eenige vlugge woorden uit, waarvan Permentier geen zier begreep, en ging
weêr zitten.
En nogmaals staken de twee anderen het hoofd bijeen, scheef-hellend over
de armleuning hunner stoelen, met woordengefluister en goedkeurend
hoofd-geknikt. Allen schenen eenstemmig over de zaak te oordeelen, en de
voorzitter, eensklaps in zijn zetel opgericht, nam een voor hem liggend
stuk papier ter hand, en begon in een vlug en verward gemompel zijn "vu
que" en zijn "attendu que" uit te kramen, waarvan Buck noch Permentier
alweer geen enkel woord begrepen.
Dat duurde zoo enkele minuten te midden van een groot stilzwijgen. Dan,
bij een luider en nadrukkelijker uitgesproken volzin, kwamen, met
klinkenden stap, uit een groep ter zijde staande haren mutsen, vier
gendarmen te voorschijn. Twee naderden tot Buck, steeds roerloos op het
bankje der beschuldigden gezeten; twee andere tot Permentier, steeds
stom en bevend op zijn stoel; en in een oogwenk werden zij beiden
geboeid en weggesleept: de eerste veroordeeld tot negen maanden
gevangenschap voor zeventiende herhaling van overtreding der jachtwet;
de tweede tot zes maanden, voor valsche getuigenis.
In de zaal ging een gemurmel op, oogenblikkelijk gedempt door eenige
energieke "chuts," welke met dreigende blikken van onder de naast de
rechtbank gebleven haren mutsen kwamen. Een belletje klonk en de
brouwende stem van den kleinen, vetten deurwaarder riep een nieuwe zaak
op, in een vlugge opsomming van namen en bedrijven.
Toen Permentier na vier maanden afwezigheid,--dank zij zijn goed gedrag
in de gevangenis had hij twee maanden strafvermindering verkregen--op
een kouden winteravond in zijn woninkje terug kwam, geleek hij, zoowel
onder moreel als onder physiek opzicht, niet meer den man van vroeger.
Zijn dichtgeplante haren, toen hij vertrok nog gitzwart, waren met grijs
doorspikkeld; zijn gestalte, sinds jaren door den arbeid eenigszins
gekromd, was nu zichtbaar ineengedrongen en als 't ware verkleind; en in
zijn geel, nog meer gerimpeld en getrokken aangezicht, blonken de dieper
in hun holten weggekrompen zwarte oogjes met een helschen glans,
onophoudelijk zoekend, peilend, vorschend; vol diepten van angst en
wantrouwen, onbekwaam zich nog een tijd op een en zelfde voorwerp te
vestigen.
Zijn vrouw, die hem elke week in de gevangenis was gaan bezoeken, om
telkens een uurtje door de traliën zijner cel met hem te kunnen praten,
had voor dien eersten avond zijner verlossing een lekker avondmaal:
varkensribbetjes met aardappels en bier,** klaar gemaakt. Doch alvorens
zijn maal te gebruiken, en ofschoon hij uitgehongerd was, liep
Permentier even buiten en sloop hij, in de duisternis, rondom zijn
huisje en de omringende velden, alsof hij vreesde dat zich ergens een
vijand verborg, die hem kwaad zou kunnen doen. En toen hij in zijn hutje
terug kwam, ging hij voor en achter de deuren en luiken toegrendelen,
eer hij zich aan den disch zette. Zijn vrouw, verwonderd en bedroefd,
poogde hem vruchteloos gerust te stellen met de verklaring dat men nu
toch niets verkeerds deed, dat men nu toch niets te vreezen had. Bevend
in den sombersten hoek van zijn keukentje teruggetrokken, at hij zonder
rust en zonder vreugd, telkens met ontsteld-luisterend gezicht vork en
mes neerleggend, telkens met angstig-draaiende oogen op de donkere deur
en de vaal-glinsterende, kleingeruite vensterraampjes starend.
Hij praatte weinig, en met een holle, doffe stem als van een die in een
kelder zit. Zonder ontboezeming voor zijn gezin, evenals zonder
zichtbare blijdschap voor zijn teruggekregen vrijheid, vroeg hij,
zakelijk, in korte zinsneden, of de landelijke herfstarbeid volbracht
was, of men klaar was met het zaaien, of de enkele perceeltjes lands die
zij in huur gebruikten, van onkruid gezuiverd en behoorlijk gemest
waren. En eensklaps zei hij:
- Mee Meïe** goan we verhuizen! 'K zal trachten van elders 'n
doenijnksken 1) t' huren, aan den anderen kant van 't durp."