1) Wildroover. 2) Rapenveld. 3) Neen.

- Niets geheurd, natuurlijk, aangezien den hoaze mee 'ne stok

deudgeslegen es," antwoordde de brigadier met schalkschen glimlach,

"moar wa "gezien" betreft, da hêt-e, da m o e t-e, zeu wel en beter

nog as Spiessens, die d'r veul veurder van af stond en die 't toch wèl

gezien hêt. Pas op, vriend, veur 'n valsche getuigenesse; ge weet, ne

woar, dat doar gevangenesse op stoat?"

De brigadier was schielijk zeer ernstig geworden, met iets hards in de

starheid van zijn blauwe oogen terwijl Permentier, nog meer verbleekend,

langzaam zijn gebogen hoofd heen en weer schudde, om nogmaals te

bevestigen, dat _hij_ toch van niets wist.

Hij durfde noch wilde spreken. Zijn vrees voor Buck, die de gewoonte had

zich onverbiddelijk over zijn aanklagers te wreken, gepaard met zijn

geheime medeplichtigheid en sympathie van listigen boereman voor al wat

tot wilddieverij behoorde, hielden hardnekkig zijn mond gesloten. En hoe

groot ook zijn instinctieve schrik en haat waren ten opzichte van

gendarmen of wethandhavers, toch geloofde hij niet dat men hem kon

vervolgen om gezegd te hebben dat hij niets gezien had. Trouwens, wie

zou het kunnen bewijzen dat hij 't gezien had! Er hing een dikke mist

over 't veld en geen geweerschot was gelost. In een vlugge

aaneenschakeling van gedachten maakte Permentier deze overwegingen,

terwijl zijn steeds ten gronde neergehurkte vrouw en kinderen, die

insgelijks den arbeid gestaakt hadden, beurtelings hem en de gendarmen,

in roerlooze benauwdheid, met angstige blikken aanstaarden. Toen hief

hij eindelijk weêr het hoofd op en herhaalde, met eensklaps iets beslist

in de uitdrukking zijner schitterend-zwarte oogjes:

- _Ik_ 'n hê toch niets gezien, niets geheurd, menier den 'brugedier,'**

't es al wa da'k er van zeggen kan"....

- 't Es goed, man, 'k zal ou vinden, zulle!" barstte de brigadier

plotseling woedend los. Hij keerde zich om en vertrok, gevolgd door den

anderen gendarm, den leelijke zwarte, die zijn mond niet had geopend.

* * * * *

Zes weken later werd de zaak voor de correctioneele rechtbank

opgeroepen.

Buck, op de bank der beschuldigden, loochende zijn daad met vermetele

driestheid. Hij was daar wel voorbijgegaan, langs dat stuk land,

tusschen de woningen van Permentier en Spiessens, verklaarde hij, doch

enkel omdat het de kortste weg was naar de hoeve van boer Lekens, waar

hij dien dag moest arbeiden. En de stok die hij in de hand droeg moest

dienen om er vlas mee te keeren: een ruime partij vlas, welke sinds drie

dagen uit de roterij getrokken was.

Spiessens, van zijn kant, hield hardnekkig de beschuldiging staande.

Evenals Buck en Permentier kende hij het leger van den haas, en daar hij

reeds meermalen den wilddief om het rapenveld heen had zien sluipen, had

hij, op den bewusten morgen, van af den dageraad de wacht gehouden, en,

ondanks den mist, van achter zijn zoldervenster, waar hij zich schuil

hield, heel het schouwspel bijgewoond. Hij had Permentier zijn deur zien

openen, hem belangstellend al de bewegingen van Buck in 't rapenveld

zien waarnemen, hem in zijn half gesloten deurgat zien terugkruipen, om

door den dief niet opgemerkt te worden. Toen Buck ten laatste den haas

doodgeslagen had, was hij, Spiessens, in allerijl beneden gesneld, had

zijn voordeur opengerukt en een teeken gemaakt aan Permentier om hem tot

getuige der misdaad te nemen. Permentier, veinzend dit niet te zien, had

haastig zijn deur gesloten.

Een dof gemurmel steeg in de gerechtszaal op; de rechters, in zwarte

toga en witte bef, met een houding als van dronkaards in hun leunstoelen

scheef gezakt, raadpleegden elkaar in stilte. De brigadier werd

geroepen.

Hij bracht de valschheid van Permentier's getuigenis in 't licht. Hij

had de afstanden gemeten, en vastgesteld dat men van op den drempel van

's boeremans huisje nog beter het leger van den haas kon zien dan van op

Spiessen's** zolder. De man loog dus voorbedachtelijk, en bevestigde

zelf zijn medeplichtigheid met den wildstrooper, door te beweren dat hij

niets gezien had.

De deurwaarder, een kleine dikke, met verhit gelaat en kalen schedel,

was aan een hoek der groene gerechtstafel opgestaan, en riep af, met een

brouwende stem:

- Permentier, Francies."

't Gelaat geelbleek onder zijn borstelige, laag geplante haren, de

zwarte oogjes angstig draaiend en den rug gekromd, kwam Permentier te

voorschijn, zijn bonte muts licht bevend tusschen zijn vereelte duimen.

- Zet ou doar, op die stoel," zei de president, een oude grijze met een

flets-gezwollen gezicht en lange, geelachtige, puntig-uitloopende

bakkebaarden.

Loom klom Permentier twee treden op, nam plaats op den stoel vóór de

groene tafel, de handen en de pet voortdurend bibberend tusschen zijn

magere knieën.

Opnieuw boog de voorzitter links over de armleuning van zijn stoel en

wisselde in stilte enkele woorden met een der rechters, een nog

betrekkelijk jong man, met kort, als het ware vierkant geknipt haar,

bruinen puntbaard en bleekeren, wijd uitloopenden knevel. En dan, zich

met een brusk gebaar der kin en opgeheven rechterhand tot den getuige

wendend:

- Ala! stoa ne kier op en legt ouën ied af."

Permentier gehoorzaamde. De rechterhand inslijks opgeheven, zei hij met

doffe stem de woorden van den president na: "Ik zweire van de woarheid

te zeggen; geheul de woarheid en nie anders dan de woarheid; zeu helpe

mij God."

- Nie spieken 1) zulle!" riep plotseling de president op dreigenden

toon, met booze oogen.

- Nie nien ik, menier de president, nien nien ik, 't 'n es doar gien

gedacht van," antwoordde Permentier bevend. - Joa moar 'k 'n betrauw ou

nie, zulle! Ge moet weten dat 'k die boerestreeken kenne!"

1) Spugen. Als een vlaamsche boer van plan is op het tribunaal de

waarheid niet te zeggen, dan spuwt hij even op den grond, onmiddellijk

na zijn eed-afleggen. Feitelijk spuwt hij, volgens zijn meening, zijn

eed daarmee weg, en beschouwt zich als volkomen vrij tegenover zijn

geweten om te zeggen wat hij wil.

Permentier kon geen woord meer uitbrengen. Het hikte en stokte hem in de

keel van overweldigende ontsteltenis. Was hij werkelijk van plan geweest

te "spieken"! Hij had het zelf niet kunnen zeggen; hij had zoo maar even

werktuigelijk zijn tabakspruim in den mond eens omgedraaid. Misschien,

als de president hem zoo ruw-dreigend niet had aangesproken, zou hij

toch wel eventjes "gespiekt" hebben.

De voorzitter liet zijn hand zinken Op een wenk van hem ging Permentier

weêr zitten.

Alvorens tot het verhoor van den getuige over te gaan, achtte de

voorzitter het zijn plicht hem een waarschuwing voor te houden. Hij

vergeleek de verklaringen van Spiessens en den brigadier met die,

tijdens het eerste verhoor, door Permentier gedaan, en beschuldigde den

laatste van onoprechtheid. Met nadruk wakkerde hij hem aan, in zijn nu

af te leggen getuigenis te verbeteren wat in de eerste valsch en

tegenstrijdig met de waarheid was geweest. De getuige moest zich wel

bedenken dat een valsche getuigenis op een zeer strenge straf kon

uitloopen.

Permentier, loom op zijn stoel gezeten, de angstige blikken beurtelings

van den eenen rechter naar den andere weifelend, knikte werktuigelijk

met het hoofd, als om te zeggen dat hij de vermaning trouw ter hart zou

nemen. En overtuigd dat niets te zeggen toch geen valsche getuigenis

afleggen was, bekrachtigde hij zijn eerste gezegde, verklaarde net als

vroeger, met zijn lage doffe stem:

- Ik 'n hé toch niets gezien, menier de veurzitter;... ik 'n weet van

niets..."

Nauwelijks had Permentier die woorden uitgesproken, of een der rechters,

een lange magere, met een scheeven neus, vloog, als door een veer

bewogen, uit zijn zetel op. Met een air van rechtmatige

verontwaardiging, 't gelaat gekeerd naar de twee andere, voortdurend in

hun laffe houding scheef gezakte rechters, sprak hij, in 't Fransch

eenige vlugge woorden uit, waarvan Permentier geen zier begreep, en ging

weêr zitten.

En nogmaals staken de twee anderen het hoofd bijeen, scheef-hellend over

de armleuning hunner stoelen, met woordengefluister en goedkeurend

hoofd-geknikt. Allen schenen eenstemmig over de zaak te oordeelen, en de

voorzitter, eensklaps in zijn zetel opgericht, nam een voor hem liggend

stuk papier ter hand, en begon in een vlug en verward gemompel zijn "vu

que" en zijn "attendu que" uit te kramen, waarvan Buck noch Permentier

alweer geen enkel woord begrepen.

Dat duurde zoo enkele minuten te midden van een groot stilzwijgen. Dan,

bij een luider en nadrukkelijker uitgesproken volzin, kwamen, met

klinkenden stap, uit een groep ter zijde staande haren mutsen, vier

gendarmen te voorschijn. Twee naderden tot Buck, steeds roerloos op het

bankje der beschuldigden gezeten; twee andere tot Permentier, steeds

stom en bevend op zijn stoel; en in een oogwenk werden zij beiden

geboeid en weggesleept: de eerste veroordeeld tot negen maanden

gevangenschap voor zeventiende herhaling van overtreding der jachtwet;

de tweede tot zes maanden, voor valsche getuigenis.

In de zaal ging een gemurmel op, oogenblikkelijk gedempt door eenige

energieke "chuts," welke met dreigende blikken van onder de naast de

rechtbank gebleven haren mutsen kwamen. Een belletje klonk en de

brouwende stem van den kleinen, vetten deurwaarder riep een nieuwe zaak

op, in een vlugge opsomming van namen en bedrijven.

Toen Permentier na vier maanden afwezigheid,--dank zij zijn goed gedrag

in de gevangenis had hij twee maanden strafvermindering verkregen--op

een kouden winteravond in zijn woninkje terug kwam, geleek hij, zoowel

onder moreel als onder physiek opzicht, niet meer den man van vroeger.

Zijn dichtgeplante haren, toen hij vertrok nog gitzwart, waren met grijs

doorspikkeld; zijn gestalte, sinds jaren door den arbeid eenigszins

gekromd, was nu zichtbaar ineengedrongen en als 't ware verkleind; en in

zijn geel, nog meer gerimpeld en getrokken aangezicht, blonken de dieper

in hun holten weggekrompen zwarte oogjes met een helschen glans,

onophoudelijk zoekend, peilend, vorschend; vol diepten van angst en

wantrouwen, onbekwaam zich nog een tijd op een en zelfde voorwerp te

vestigen.

Zijn vrouw, die hem elke week in de gevangenis was gaan bezoeken, om

telkens een uurtje door de traliën zijner cel met hem te kunnen praten,

had voor dien eersten avond zijner verlossing een lekker avondmaal:

varkensribbetjes met aardappels en bier,** klaar gemaakt. Doch alvorens

zijn maal te gebruiken, en ofschoon hij uitgehongerd was, liep

Permentier even buiten en sloop hij, in de duisternis, rondom zijn

huisje en de omringende velden, alsof hij vreesde dat zich ergens een

vijand verborg, die hem kwaad zou kunnen doen. En toen hij in zijn hutje

terug kwam, ging hij voor en achter de deuren en luiken toegrendelen,

eer hij zich aan den disch zette. Zijn vrouw, verwonderd en bedroefd,

poogde hem vruchteloos gerust te stellen met de verklaring dat men nu

toch niets verkeerds deed, dat men nu toch niets te vreezen had. Bevend

in den sombersten hoek van zijn keukentje teruggetrokken, at hij zonder

rust en zonder vreugd, telkens met ontsteld-luisterend gezicht vork en

mes neerleggend, telkens met angstig-draaiende oogen op de donkere deur

en de vaal-glinsterende, kleingeruite vensterraampjes starend.

Hij praatte weinig, en met een holle, doffe stem als van een die in een

kelder zit. Zonder ontboezeming voor zijn gezin, evenals zonder

zichtbare blijdschap voor zijn teruggekregen vrijheid, vroeg hij,

zakelijk, in korte zinsneden, of de landelijke herfstarbeid volbracht

was, of men klaar was met het zaaien, of de enkele perceeltjes lands die

zij in huur gebruikten, van onkruid gezuiverd en behoorlijk gemest

waren. En eensklaps zei hij:

- Mee Meïe** goan we verhuizen! 'K zal trachten van elders 'n

doenijnksken 1) t' huren, aan den anderen kant van 't durp."

Te Lande · 第 22 / 32 题