Het was een man van een veertigtal jaren, iets meer dan middelmatig van
gestalte, blond, mager, met langen, blonden, opgekrulden knevel en zeer
licht-blauwe, inpertinent-kijkende oogen in een door de zon
wasachtig-geel verkleurd gelaat. De gendarm die hem vergezelde was grof
en groot, zwart en leelijk, 't gezicht vol puisten. En dadelijk, met
zijn zelfde vaag-vriendelijke, vaag-glimlachende uitdrukking, bracht de
eerste het door Permentier geduchte onderwerp ter sprake.
Hij praatte op een beslisten en tevens verzoenenden toon, veinzend reeds
de zaak in al hare bijzonderheden te kennen, en er overigens niet veel
belang aan te hechten, als om den boereman tot wederzijdsch vertrouwen
en ontboezeming uit te lokken, en hem als 't ware de verlangde
antwoorden in te geven:
- Ge zij vandoage vroeg op geweest, Permentier; g'hêt de pensejoager 1)
Buck 'nen hoaze zien deud doen in 't leufstik 2) tusschen ouw huis
en 't hirbirgsken van Spiessens? Dà es 'nen deugeniet, e-woar, dien
Buck?"....
Permentier, 't gelaat licht verkleurd, de looze zwarte oogjes weifelend,
aarzelde even, hing der verbaasde uit, antwoordde eindelijk:
- 'K 'n doe 3), menier den "brugedier," 'k 'n hê 'k ik niets gezien,
niets geheurd"....