1) Brigadier.

Het was een man van een veertigtal jaren, iets meer dan middelmatig van

gestalte, blond, mager, met langen, blonden, opgekrulden knevel en zeer

licht-blauwe, inpertinent-kijkende oogen in een door de zon

wasachtig-geel verkleurd gelaat. De gendarm die hem vergezelde was grof

en groot, zwart en leelijk, 't gezicht vol puisten. En dadelijk, met

zijn zelfde vaag-vriendelijke, vaag-glimlachende uitdrukking, bracht de

eerste het door Permentier geduchte onderwerp ter sprake.

Hij praatte op een beslisten en tevens verzoenenden toon, veinzend reeds

de zaak in al hare bijzonderheden te kennen, en er overigens niet veel

belang aan te hechten, als om den boereman tot wederzijdsch vertrouwen

en ontboezeming uit te lokken, en hem als 't ware de verlangde

antwoorden in te geven:

- Ge zij vandoage vroeg op geweest, Permentier; g'hêt de pensejoager 1)

Buck 'nen hoaze zien deud doen in 't leufstik 2) tusschen ouw huis

en 't hirbirgsken van Spiessens? Dà es 'nen deugeniet, e-woar, dien

Buck?"....

Permentier, 't gelaat licht verkleurd, de looze zwarte oogjes weifelend,

aarzelde even, hing der verbaasde uit, antwoordde eindelijk:

- 'K 'n doe 3), menier den "brugedier," 'k 'n hê 'k ik niets gezien,

niets geheurd"....

Te Lande · 第 21 / 32 题