Toen Permentier dien morgen in de duisternis van 't kleine slaapvertrek
ontwaakte, zich in zijn ledikant uitrekkend met een van die lange
rustzuchten die een einde stellen aan den slaap, herinnerde hij zich
even dat hij den vorigen avond, met zonsondergang, in het rapenveld
tusschen zijn woninkje en de herberg van den jachtopziener Spiessens,
een haas had zien zitten.
Hij bleef enkele oogenblikken, roerloos op den rug gestrekt, daarover
nadenken, den nog weifelenden blik gevestigd op het grijzend
licht-randje, waarmee de dageraad 't gesloten luik van het eenig venster
omlijstte, terwijl zijn vrouw, 't gezicht naar den muur gekeerd, door
bleef slapen. Toen kroop hij langzaam, stilletjes uit zijn bed, trok
broek en wambuis aan, kwam barrevoets, den rug gekromd, in de nog
pikdonkere keuken. Hij nam er zijn pet, die aan een spijker hing, deed
zijn klompen aan, die naast den haard stonden te drogen, ging naar de
buitendeur en trok die zachtjes open.
Het sloeg vijf ure op den niet ver afgelegen kerktoren. De dag brak aan,
in grijzen nevel.
Roerloos, met een gevoel van verkwikking de frissche morgenlucht
inademend, bleef hij een poosje op den drempel zijner woning staan, de
deur achter zich op een kiertje latend, den loozen blik recht vóór zich
uit op 't grijze rapenveld gevestigd, geduldig wachtend dat de nevel wat
zou opklaren.
Het was een man van ongeveer vijftig jaar, middelmatig van gestalte, met
nog ravezwarte, dichtgeplante, borstelige haren, en scherpe, diep achter
dikke wenkbrauwen verscholen, zwarte oogen in een baardeloos,
geelgerimpeld gezicht. Zijn plunje, aardkleurig en overal gelapt en
versteld, was van die stof welke de Vlaamsche boeren "mollevel" noemen;
zijn klompen, zonder trekleeren, waren hoog en zwaar, te groot voor zijn
magere, vereelte voeten. Den nek tusschen de schouders ingedrongen, het
lijf voortdurend in loerende houding een weinig naar voren gebogen, en
den blik halsstarrig op het rapenveld gevestigd, had hij uit zijn zak
een tabakspruim gehaald, welke hij langzaam knauwde, om den tijd te
slijten.
Langzamerhand was de mist een weinig opgeklaard. Hij werd doorschijnend
onder de eerste stralen der Septemberzon, rafelde zich uit in licht
drijvende sluiers, telkens ontblootend en opnieuw omnevelend kleine
gedeelten van het veld, onduidelijk afstompend de boomen en de
elzenstruiken langs den rand der slooten, na zich latend, op gras en
gebladerte, een effen-grijzen, killen pareldauw. Aan de overzijde van
het rapenveld, op een paar geweerschoten afstands, verscheen het
herbergje van Spiessens eventjes heel helder, klein, net en popperig als
een stukje kinder-speelgoed, om het oogenblik daarna in den zwevenden
dampsluier weer weg te smelten.
En plotseling, terwijl Permentier met nog hardnekkiger inspanning van
den blik het rapenveld doorpeilde, ontdekte hij weer den haas op
dezelfde plaats als den vorigen avond. Het waren slechts de punten van
twee gespitste, vaalrosse ooren tusschen de grijsgroene blaren, doch
zijn bedreven oog kon er zich niet in vergissen. Langzaam keerde hij met
zijn tong de tabakspruim om, spuwde links een straal koffiekleurig sap,
spijkerde, met een nog snijdender flikkering der kleine zwarte oogen,
zijn aandacht op de puntig in het rapenloof gespitste ooren.
En wat hij schier op 't zelfde oogenblik ontwaarde, hield hem van emotie
als het ware aan den grond genageld.
Dáár, op een zestigtal meters afstand, langzamerhand meer en meer
duidelijk uit den grijzen mist te voorschijn komend, naderde, in
't midden van het rapenveld, een gluipende, omzichtige gestalte. Kleine,
ineengedrongene gestalte, opgetrokken schouders, zakkende knieën,
grauw-vilten hoedje met breeden, vóór de oogen neergeslagen rand. In de
rechterhand twee stokken; de eene lang, de andere kort, beiden
horizontaal, kniehoogte gedragen. Een kleine huivering doorrilde
Permentier; hij had den kerel herkend: Buck, den onversaagden,
onverbeterlijken wilddief.
Terstond bevatte Permetier** wat er gebeuren zou. Buck, dien hij sinds
een paar dagen rond zijn woning zag sluipen, had, evenals hij zelf, den
haas in zijn leger ontdekt en kwam hem nu dooden. Permentier zelf deed
niet aan wildstrooperij. Hij durfde niet. Maar hij had met de wilddieven
die instinctmatige sympathie, die indirect-begunstigende
medeplichtigheid aan bijna alle boerenlieden eigen. Hij had de liefde en
den haat van 't wild; de hevige begeerte het te dooden en te stelen,
gedempt door den schrik voor de gendarmen en de wettelijke overheden. En
een zijner grootste genoegens was, een haas of wild konijntje te zien
vangen, zonder zichzelf tot de daaraan verbonden vervolgingen bloot te
stellen.
* * * * *
In het nog licht beneveld rapenveld, had Buck, al zijn aandacht op zijn
prooi gevestigd, schielijk stil gehouden. Het lijf sterk
voorovergebogen, den hals uitgerekt, herkende hij den haas, wiens spitse
ooren steeds onbewegelijk als twee bruine stipjes boven de grijsgroene
bladeren uitstaken. Toen wierp hij een gluipenden blik op Spiessens'
gesloten, vaag omneveld herbergje, en, zich omkeerend, legde hij den
langste zijner twee stokken in het rapenloof neer, en kwam,
breed-schrijdend, met den anderen uit het veld, in de richting van
Permentier's huisje.
Terstond was Permentier in zijn woninkje teruggedrongen en had weer zijn
deur gesloten, deze nog enkel op een kiertje latend, waardoor hij keek.
Vlug en stil, met een katachtige sluwheid en omzichtigheid, telkens zich
omkeerend en stilhoudend om beurtelings het huisje van den koddebeier**
en dat van Permentier gade te slaan, sloop de vermetele wildstrooper nu
naar de met elzenstruiken bezoomde droge gracht, welke Permentier's erf
van het rapenveld scheidde. Hij liet er zich in neer glijden, liep er
gebogen langs het droge bed onder de ritselende twijgen, kwam er een
vijftigtal meters verder, in den gezichtsstraal van den haas weer uit.
Op handen en knieën kroop hij daar terug in 'trapenveld, en tuurde
opnieuw, zich plat ten gronde uitstrekkend, naar de twee vaal-rosse,
tusschen de blaren thans op hem gespitste ooren.
De haas had zich niet verroerd. Zachtjes, alsdan, nam Buck zijn vilten
hoedje af, plaatste het op den stok, stak dien langzamerhand in de
hoogte, plantte hem in den mullen grond, tusschen de nauwelijks
aangeroerde bladeren. Daarna, steeds op handen en knieën, achterwaarts
kruipend, verliet hij 't rapenveld en liet zich in de droge sloot
terugglijden.
Dáár verademde hij een wijltje en staarde opnieuw naar den haas, zich
half achter de hangende twijgen van een elzenstruik verbergend.
De puntige ooren hadden zich even wat scherper gespitst; de haas stak
zijn neus boven de blaren uit, het rond, schuin oog op den hoed
gevestigd. Een glimlach van genoegen kwam op de rooverstronie van den
wildstrooper. Het beest, gefascineerd door het vreemde gezicht van den
hoed op den stok, zou nu geen beweging meer maken. Langs de met droge
bladeren bezaaide sloot keerde Buck op zijn schreden terug.
Hij kwam er uit op dezelfde plaats waar hij er in gekropen was, een
twintigtal passen achter den rug van den haas, liep haastig weer in
't rapen-veld, raapte zijn langen stok op, en schreed er mee vooruit naar
zijn prooi, blootshoofd, den rug gekromd, met lange, trage passen, met
de sluipende omzichtigheid van een roofdier. Hij keek rechts noch links
meer om, hij scheen niet bang meer, hij zag nog slechts zijn doel, zijn
buit. Permentier, de kleine zwarte oogjes fonkelend van opgewekte
belangstelling, was onwillekeurig weer op zijn drempel verschenen, de
tabakspruim roerloos in den mond.
Buck, den blik halsstarrig op zijn prooi gevestigd, had maar een korten
afstand meer af te leggen. Hij deed het op handen en voeten, den
slependen stok onder den rechter oksel tegen zijn lijf gedrukt. En
eindelijk stil gehouden, rechtte hij zich op zijn knieën, trok in een
lange zachte glijding de roede naar voren, hief ze op.... mikte....
sloeg.
Een fijn, zwak gilletje, een echt kleinkindergilletje weerklonk,
terwijl, Buck, toespringend, zich op den haas liet vallen, hem worgde en
er mee vluchtte naar de sloot, in het voorbijrennen zijn hoed en den in
't rapenveld geplanten stok meênemend. In een oogwenk was 't volbracht.
Roerloos op den dorpel zijner woon, de tabakspruim als 't ware in zijn
mond gemetseld, en de kleine donkere oogjes glinsterend van sluw
genoegen in zijn geel, gerimpeld aangezicht, had Permentier geen enkele
bizonderheid van het gansche kleine drama aan zijn trillende aandacht
laten ontgaan. Hij zag den wildstrooper met zijn buit langs de sloot
wegvluchten, er aan het uiteinde van 't rapen-veld weêr uitspringen,
spoedig in den morgenmist verdwijnen. Hij keerde langzaam, met een draai
der tong, zijn tabakspruim om, spuwde bruin, slaakte een zucht van
verlossing, als had hij zelf het gevaarlijk waagstuk begaan. En hij was
juist op 't punt om weer in huis te gaan en zijne deur te sluiten, toen
hij, instinctmatig, als door iets aangetrokken, een blik wierp op het
huisje van den jachtopziener, ginds in den mist, aan de overzijde van
het rapenveld.
Hij sidderde. Op den drempel van het kleine herbergje, en duidelijk
zichtbaar ondanks den afstand en den nevel, stond, insgelijks roerloos
en het hoofd gewend naar de richting waar Buck verdwenen was, de
koddebeier Spiessens in persoon.
Spoedig, gelijk een beest dat in zijn hok kruipt, drong Permentier terug
in 't duister van zijn woninkje, welks voordeur hij zachtjes weer sloot.
* * * * *
Het was tien uur in den morgen, en onder de reeds heete zonnestralen van
den heerlijken Septemberdag was Permentier, geholpen door zijn vrouw en
zijn beide kinderen, aan het aardappelen uitrukken op een der stukken
landen waarvan hij huurder was, toen hij, langs den steenweg, twee
gendarmen in uniform zag komen, met het geweer over den schouder.
Een huivering greep hem aan. Hij dacht terstond dat Spiessens, die
ongetwijfeld tegen den wildstrooper een klacht had ingediend, tevens
hemzelf als bezwarende getuige aangewezen had, en dat de gendarmen zijn
verklaring kwamen opnemen.
Het kon echter nog gebeuren dat hij zich vergiste, en, om geen argwaan
op te wekken, veinsde hij de gendarmen niet gezien te hebben en
uitsluitend met zijn arbeid bezig te zijn. Hij spitte vlugger in den
grond, telkens een struik gele knollen omkeerend, welke zijn vrouw en
zijn kinderen, een paar schreden achteraan op hun knieën neergehurkt,
met beide handen opscharrelden; en, na ze volgens grootte en kwaliteit
gesorteerd te hebben, in afzonderlijke korven wierpen. Doch kort van
duur was zijn illuzie: hij hoorde den in kadans klinkenden stap der
gendarmen steeds nader en nader komen, zich als het ware verharden en
versnellen, eensklaps in den mullen grond verdooven. Schuw wendde hij
halvelings 't hoofd om, zag ze trager het aardappelveld, dat naar het
middelpunt eenigszins klom, opstappen. Hij staakte den arbeid, keerde
zich geheel om, evenals zijn vrouw en kinderen; groette bedeesd, met een
weifeling in den blik even zijn pet oplichtend:
- Dag menier den brugedier." 1)
- Dag Permentier," antwoordde deze, met een vagen glimlach om de lippen.