Heel even slechts gerustgesteld, drong zij er nog eens op aan, dat hij
bij haar terug zou komen. Die plaats in de fabriek viel nu bepaald met
September open, en reeds van stonden af kon hij er worden aangenomen, om
het werk te leeren. Waarom zou hij ten minste niet probeeren? Hij kon
toch altijd bij den boer terugkeeren als het hem niet beviel.
- Moeder," antwoordde hij na een oogenblik treurig nadenken, "'k en
zegge niet da 'k nie en wille probeeren, 'k en zegge moar da 'k et nou
nie en kan doen. Den boer het op mij gerekend veur den oest**, en 'k 'n
mag 'em in de steek nie loaten."
Zuchtend liet zij hem vertrekken, het hart benauwd onder een
onheilspellend voorgevoel.
* * * * *
Den volgenden morgen, met den dageraad, begon opnieuw, op een wijd
uitgestrekt roggeveld, de wreedaardige, geniepige strijd.
Het was de laatste rogge die zij moesten "afpikken". Als hij het nog
drie dagen kon uithouden, was hij gewonnen. En door de zondagsrust
versterkt, de sikkel scherp geslepen en de hand vaster, ging hij met
versche kracht en moed te werk, zich zonder zwakheid houdend naast de
anderen, ver achter zich latend de "bindsters" die hem vruchteloos
poogden in te halen.
Hij hield het op die wijze vol tot ongeveer drie ure, onder een
brandend-heete zon. Toen kreeg hij eensklaps een soort duizeling, op het
oogenblik dat hij zich even oprichtte om te verademen. Een rossige
nevelgloed kwam voor zijn oogen, terwijl een reusachtig gedruisch in
zijn oogen gonsde. Hij waggelde even, pikhaak en sikkel loslatend, de
beide handen uitgestrekt als om zich aan iets vast te houden, en slaakte
dof een kreet, die in zijn keel bleef hokken. Maar 't duurde slechts een
oogenblik, de benauwende nevel verzwond, het bruisen hield op, hij kreeg
weer vastheid in zijn beenen en raapte zijn gereedschap op, terwijl
alleen nog zijn adem wat bevangen bleef, en 't zweet in dikke, lauwe
stralen langs zijn slapen stroomde.
- Wa hêtte dan? wa gebeurt er?" vroeg de maaier die aan zijn
rechterzijde stond en die alles gezien had.
- O, niets, 'k 'n weet-e 'k ik niet; de woarmte, zeker!" antwoordde hij
machinaal, met nog iets verwilderds in de oogen. En spoedig hernam hij
zijn arbeid.
Maar, na verloop van enkele minuten, moest hij zichzelf bekennen, dat
het hem niets goed meer ging. Opnieuw voelde hij zich gedrukt onder een
immense vermoeidheid, zooals hij er nog nooit van zijn leven gevoeld
had, een vermoeidheid die zijn gefolterde ledematen als met lood
verloomde en verstramde. Geen tien minuten waren verloopen toen de
andere maaiers hem reeds ruim vooruit waren, terwijl de vrouwen hem nu
weer met reuzenschreden achterhaalden, in 't schuifelend geritsel der
steeds vlugger en vlugger opgegaarde aren.
- Bauwke!" riep lachend-waarschuwend een der pikkers, "opgepast, zulle!
Ze komen op ou hielen!
Hij gaf geen antwoord, het lichaam in tweeën gebukt, den mond hijgend
open, uit al zijn macht door-sikkelend, vooruitgezweept door het steeds
naderend geritsel van de aren, welke de vrouwen, met gesmoord gefluister
en gelach, nu bijna tot onder zijn voeten opraapten. Er kwam iets dofs
in hem, iets wat hem tijdelijk nog de kracht gaf door te sjouwen, zonder
haast te beseffen wat hij leed. En zijn eenig duidelijk gevoel was dat
van overvloedig zweeten, een zweet zoo lauw en dun als water, dat hij
voortdurend, voortdurend langs zijn slapen en zijn wangen voelde
drijven, opborrelend uit zijn lichaam, opborrelend zonder eind, tot
allerlaatste uitputting.
- Bauwke! Bauwke!" riepen nu al de pikkers te gelijk den arbeid stakend.
"Aie! aie! ze zitten hoast in zijn kloefen!"
En plotseling slaakten de vrouwen een gillenden triomfkreet, terwijl zij
hare leege handen in de hoogte staken; zij hadden geen aren meer om te
binden, en, met het wild gejuich: "Vrije koewachter! Vrije koewachter!"
vlogen zij allen samen af op Bauwke, die eensklaps, op het oogenblik
zelf dat zij hem zouden vastgrijpen, met zijn pikhaak en zijn sikkel,
als verpletterd ten gronde stortte.
Verschrikt deinsden de vrouwen achteruit, terwijl de mannen ijlings
kwamen aansnellen.
Bauwke, op de rechterzij gevallen met de sikkel onder zich, gaf geen
teeken meer van leven. Zijn pijnlijk verwrongen gezicht, met dichte
oogen, was groenbleek geworden, in strakke folter-onbewegelijkheid; en
alleen het lauwe, dunne zweet bleef overvloedig langs zijn slapen en
zijn holle wangen drijven, in scheeve pareltjes afdruppelend van de kin,
over den open kraag van het doorweekte hemd.
Twee mannen tilden hem onder de schouders op, schudden hem, poogden hem
overeind te doen zitten:
- Alo, toe Bauw, stoa op! Wa schilt er dan? Wa hêtte?
Voor alle antwoord opende hij zwakjes een bleek, triestig oog, en
slaakte diep een zucht.
- Oarme sukkel! 't es amoal onz' schuld!" weeklaagden nu de vrouwen.
Opnieuw poogden de mannen hem overeind te doen zitten; maar alles bleek
te vergeefs. Er was geer ziertje kracht meer in hem. Zij tilden hem bij
de schouders en de beenen op, en droegen hem, over het stoppelveld naar
de schaduwzijde var den elzenkant, terwijl een derde ijlings naar de
hoeve om een kruiwagen liep.
Na een oogenblik was hij terug, gevolgd van den boer, die hem naholde.
Men strooide zachte korenaren over de harde plank van den kruiwagen, en
daarop werd Bauwke neergezet, het hoofd geleund tegen een garf**. Een
vrouw, aan elke zijde, hield hem bij den schouder vast; de beenen, te
lang voor den kruiwagen, sleepten over 't gras. Toen tilde de man de
draagboomen op, en langzaam trok de triestige stoet naar de hoeve, het
scheef gezakte hoofd van den rampzalige machteloos heen en weer
knikkend, zijn krachteloos-slepende voeten hobbelend en dansend over den
ruwen weg....
* * * * *
De nacht was slecht. Tot twee uur 's morgens bleef hij gedompeld in een
staat van als het ware levenlooze bedwelming, maar toen begon hij in
zijn bed te woelen, dof klagend over onuitstaanbare pijn in den buik. De
boerin, door zijn kreunen gewekt, kwam op het zolderkamertje waar hij
sliep, en vroeg hem of hij iets verlangde.
Neen,.... neen,.... hij wilde niets,... maar hij leed.... hij leed
afgrijselijk. En, kruipend in zijn bed, drukte hij de beide handen op
zijn buik, die dik gezwollen was en hard als steen.
- 'k Zal d'r lijzemeelpap** op moaken," zei de vrouw. "Doarmee zal 't wel
beteren.** Tegen den ochtend, afgemat van lijden en vermoeidheid, sliep
hij in. Weer lag hij in een staat van roerlooze prostratie**, als een
doode.
De boer en zijn vrouw raadpleegden elkaar. De boer wilde den dokter
laten halen; zijn vrouw was er tegen.
- 't En es nie anders of deud-moe zijn, mee ienige doagen ruste zal hij
genezen zijn," meende zij.
- En zijn moeder? Moete we zijn moeder nie loaten hoalen?
- Nie, nie, nou nog niet. Loat ons 'n beetse wachten; 'k ben zeker dat
hij van zijn eigen zal genezen.
En zij wachtten, hem trouwens omringend mei al de zorgen die in hun
bereik waren, want zij waren beiden zeer op hem gesteld.
* * * * *
De dag ging voorbij zonder verandering ir zijn toestand te brengen. De
perioden van bedwelming en van woeling wisselden elkander af, deze
laatste zeer hevig, kronkelend den zieke op zijn bed, met kreten en
zuchten van smart. En hij weigerde alle voedsel; hij nam niets anders
dar een beetje water, gemengd met suiker en citroen; die men in 't dorp
was gaan halen.
Maar plotseling, 's avonds van den tweeden dag, verergerde zijn toestand
onheilspellend. Hij werd aangetast door een hevige koorts, die hem deed
huiveren en klappertanden in de stikkende hitte van het zolderkamertje;
en eensklaps sprong hij gillend uit zijn bed, ineengekrompen van de
foltering, de beide, krampachtig gesloten vuisten op zijn buik, smeekend
om hulp of om dood, met knarsende tanden en stampende voeten, als in een
aanval van dolle razernij.
Bleek van schrik kwamen de boer en zijn vrouw aansnellen.
- Gauw! gauw om den dokteur en om de moeder!" riep de boer. En terwijl
zijn vrouw ijlings de trappen afholde om het bevel te geven, greep hij
met geweld den lijdende vast en duwde hem weer in het bed, alwaar hij
vruchteloos poogde hem akelig gillen te doen staken.
* * * * *
- Ziek! och Hiere! Es't dan zeu irg!" riep Blanche, bevend van angst,
toen de paardenknecht der hoeve, buiten adem, met hortende stem, haar
het droevig nieuws verteld had. "Och God! Och God!".... En snikkend liep
zij hare muts opzetten en haar schoenen aantrekken.
- Wel niet zéú irg, meschien, hijgde de jonge man," moar 'k moe toch den
dokteur goan haolen.
- O joa, och God! en leupt toch ziere! toch ziere!" smeekte zij, met
gevouwen handen.
Zij zelve was in een oogwenk klaar; en zonder te luisteren naar de
troostende woorden, waarmee de beide oude vrijsters, bij wie ze steeds
inwoonde, haar trachtten op te beuren, vloog zij naar buiten, zuchtend
en snikkend, in den reeds donkeren nacht.
* * * * *
Zij vloog, zij rende, de borst hijgend, en 't zweet op het voorhoofd,
alleen in den heerlijk-zachten, kalmen zomernacht, alleen in 't rustend,
eenzaam veld, waar de maan, laag en dof op den gezichtseinder, haar
wazig, droomerig schijnsel zond over de lange, stille rijen der als
smeekende gestalten in elkaar gestrengelde korengarven. Zij zuchtte
halfluid: "O! had hij toch mijne road gevolgd! O! was hij toch weere bij
mij gekomen!".... Zij smeekte: "O! mijne God, mijne God! loat mij toch
nog bij tijds komen! Loat mij hem toch nog keune redden!" En onder
't wilde hollen vouwde zij bevend haar handen om het van Hem af te smeeken;
om Hem te smeeken, dat Hij die alles kon, Hij, die zóóveel verleende aan
ontelbare gelukkigen op aarde, haar niet het eenig, het uniek geluk dat
Hij aan háár verleend had, zou ontnemen.
Eindelijk kwam zij aan de verre hoeve, welk honden zwaar-luguber
aanblaften. Zij rende over den boomgaard, kwam aan de huisdeur, duwde
die open, zag niemand in de keuken, vloog de zoldertrap op.
De boer, die haar had hooren komen, liep haar te gemoet, den vinger op
de lippen, om haar 't stilzwijgen te bevelen.
Bauwke, door de vreeselijke crisis uitgeput, lag weer, schijnbaar kalm,
en roerloos, in zijn bed, de oogen toe, alsof hij sliep. De boerin, over
hem gebogen, legde een versche pleister op zijn buik.
Bevend, haar adem en tranen inhoudend, naderde Blanche 't ledikant. Maar
toen zij hem zag in 't zwakke schijnsel van het lampje, 't gelaat
verwrongen en zoo uitgemergeld geel en mager, toen voelde zij in zich
iets breken en scheuren; en, met ineengekrompen handen zonk zij snikkend
op haar knieën, huilend in stilte de bitterste tranen van haar leven,
terwijl ze zich tot bloedens toe de lippen beet, om het niet hardop van
gruwel uit te gillen.
Met gefluisterde troostwoorden keerde de boerin zich tot haar om:
- Zwijgt, zwijgt, all'** hoop en es nog nie verloren! hij zal d'r nog wel
deure scharten**!
- Moar woa hêt hij? Hoe es da toch gekomen! Waarom hêtte mij zeu loate
geroopen**?" vermenigvuldigde Blanche snikkend haar wanhopige vragen.
- Kom alhier, kom liever alhier," zei de boer haar bij de hand nemend,
"schiedt er uit mee schriemen, den dokteur zal goan komen en hij zal em
helpen. Ala toe, kom, me zillen hier op ons gemak keune klappen, binst
da w' em in 't eug hoûen."
En, bijna met geweld, trok hij haar uit het zolderkamertje, waarvan de
deur bleef open staan.
* * * * *
Acht dagen lang doorleefde Blanche, die de bedstee van haar zoon haast
geen oogenblik verliet, alle de folteringen van den uitersten
moederangst. Acht dagen bad en smeekte zij met bevende gevouwen handen,
dat de Almachtige Heer haar zoon zou redden. Er kwamen uren van zalige
hoop en verlichting, momenten van opperste vroomheid en illuzie, waarin
ze zich, met de stugge hardnekkigheid van een die het fatale eind niet
_wil_ aanschouwen, aan 't leven, aan zijn leven weêr vastklampte; er
kwamen uren en dagen van absolute vertwijfeling, waarin ze zelve reeds
als dood was, vernield in ziel en lichaam, door het overweldigende van
haar lijden.
En zoo kwam eindelijk ook het oogenblik, waarop zij, in stomme
neerslachtigheid, begreep dat alles onherroepelijk verloren was?...
Den negenden dag, met den avond, na het vertrek van den dokter en van
den pastoor, die hem de laatste sacramenten had toegediend, kreeg zij in
eens 't afgrijselijk, acuut bewustzijn, dat niets meer hem kon redden.
Stokstijf, met op elkaar geklemde tanden, zonder een kreet, zonder een
traan, woonde zij den doodsstrijd bij. Haar triestige zieke oogen, haast
blind geworden door het huilen, sperden zich voor het laatst wijd open,
als om niets te verliezen van dat gruwelijk tafereel: de doodsstrijd van
haar aangebeden zoon, de sombere vernieling van haar eenig goed op
aarde! Zij zag zijn ontvleesde gelaatstrekken wasgeel en strak worden,
in een laatste, gelouterde uitdrukking van nobele schoonheid; zij zag
zijn mooie, zachte, helderblauwe oogen in hun holten omdraaien en
breken; zij zag zijn gestalte, zeer lang, zich uitrekken en onbewegelijk
worden, in hiëratische** lijnen van onverstoorbare rust, zonder dat zij,
in haar stompe bewusteloosheid, iets anders voelde dan lange,
vreeselijke rillingen, van haar hals tot haar voeten. Hij was reeds
dood, en stijf en koud, toen ze daar nog altijd stom en roerloos op
dezelfde plek stond, als versteend in haar afgrijzen van het Niets. En
toen ze zich eindelijk wilde bewegen, waggelde zij half om, als dronken,
de handen tastend uitgestrekt, als was er, in plaats van atmosfeer en
vastheid, niets meer dan duisternis en afgrond om haar heen.
Zij hoorde niet de troostwoorden waarmede de boer en zijn vrouw haar
trachten op te beuren en toen zij haar bij den arm wilden nemen om haar
te doen zitten, in eens, licht als een schaduw was ze weg, de trappen
af, den huize uit....
* * * * *
Zij holde door de duisternis, alleen, verdwaald, bewusteloos, in den
zacht-zwoelen, geurigen nacht...
Zij meende stemmen te hooren, die naar haar riepen, en ze rende harder,
om ze te ontvluchten. Maar ze wist hoe langer hoe minder waar ze heen
rende, noch waar ze was; er bestond niets meer, er was niets meer in
haar noch om haar heen. Zij zweefde, als een ijl, levenloos lichaam, in
een ijle, onbekende ruimte, zonder atmosfeer.....
En ze zag dingen die ze niet meer kende, die ze niet meer begreep....
Zij zag de stille manesikkel, wazig oranjekleurig, laag op den
gezichtseinder rijzen, over de donkere korenvelden; en 't kwam haar voor
als zag zij een oud, mysterieus, droevig oog, dof-starend in
bespiegeling naar de vernieling van een arm, lijdend schepsel....
Zij dwaalde over naakte stoppelvelden, waarvan de scherpe punten in haar
enkels beten zonder dat ze 't voelde; en suf stond ze te staren op de
lange rijen "stuiken," welke haar voorkwamen als smeekend-omarmde
gestalten, die allen haar gruwelijk geheim kenden, en dit, in
't droomerig gezang der krekels, als een gefluisterde weeklacht aan
elkander mededeelden....
Zij dwaalde in een bosch, onder hooge, inktzwarte kruinen; en 't kwam
haar voor als was zij in een afgrond, waar 't laatst atoompje van haar
zwakke leven ook in 't Niets verzwond....
Want er was niets meer, niets meer, niets meer! Want ieder harer
waggelende schreden scheen struikelend te vallen in een ijle leege
ruimte; want iedere trilling harer wild-zoekende handen bevoelde
't afgrijselijk Niets! En toch zocht zij! Dit enkele bewustzijn bleef in
haar: dat zij iets zocht, zij wist niet wat, iets dat aldoor, aldoor
scheen te vluchten.
En, van lieverlede, in den angst van dat vruchteloos zoeken, werd zij
door een wilde gejaagdheid voortgezweept. Zij rende al harder en harder,
rechts, links, de handen sidderend uitgestrekt, de keel droog-hikkend,
de stem schor, huilend, snikkend. Zij strompelde, viel, sprong weer op,
holde verder, viel opnieuw, zich vastklampend aan alles wat zij voelde,
en alles dadelijk weer loslatend, zonder ooit het halsstarrig gezochte
te vinden.
Toen vlamde plotseling in haar als een groot, vervaarlijk licht op....
Plotseling, in een bleeke klaarte, zwak-schijnend in een diepte, erkende
zij het zoolang te vergeefs gezochte!....
Het was de Dood dien zij zocht! De Dood die haar kind, haar eenigen
schat, haar eenig geluk, haar leven, haar àlles in zijn klauwer
hield!.... De Dood die niet teruggeeft wat hij eenmaal genomen heeft,
maar die toelaat het verlorene bij Hem, in Hem, terug te vinden!...
Zij had geen oogenblik van aarzeling.... Zij zag hem dáár, haar zoon,
haar leven, in een afgrijselijke hallucinatie; en met een wilden kreet
van vernieling en van liefde sprong zij in de diepte, in den
bleek-glimmende poel.
Hoog spatte 't stille water op, in een ruischend gebobbeld. Zij slaakte
nog een laatsten kreet, den smacht-kreet eener uiterste omarming, en
weer werd alles stil in de bespiegeling van den heerlijk-zachten
zomernacht.
Zij had het eenige geluk haars levens teruggevonden.