Hij was het werktuig van wilde impulsies, van onweerstaanbaar-machtige
suggesties. Gedachten, die hij eertijds nooit had gehad, lang vergeten
herinneringen ontstonden of kwamen weer in hem op, hem stuwend, hem
duwend naar het onvermijdbaar doel van _'t kwoad_.
De suggestie bracht hem in 't geheugen, dat er in dàt of dàt dorpje,
uren vandaan, een arme boer woonde met een talrijk gezin wiens vrouw
opnieuw bevallen was; en in de nachtelijke duisternis _moest_ hij er
heen vliegen, en, gillend als een razend beest, hollen en zwerven om het
eenzaam hoevetje, welks bewoners, uit hun slaap wakker geschrikt, met
den doodsangst op het lijf om hulp riepen, zonder buiten te durven komen
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . .
De suggestie wees hem den weg, dwars over heide en velden, naar den ver
afgelegen kruisweg midden in de sparrenbosschen**, alwaar, aan de voeten
van een Christus-of-Madonna-beeld, een door vrome handen aangestoken
lantarentje brandde; en, in de zwarte eenzamheid, _moest_ hij zich daar
gillend rollen op het mos, ten prooi aan de afgrijselijke folteringen,
welke 't zicht van die ruwe godsdienst-zinnebeelden in hem deed ontstaan
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . .
De suggestie, eindelijk, deed hem doelloos zwerven in den nacht, gehuld
in een zwart bokkevel dat hij eens bij een ouden herder was gaan koopen:
en hij _moest_ "weirwulf leupen," met knarsende tanden en fonkelende
oogen, Satan in eigen gedaante, gebukt onder den gruwel der verdoemenis,
de hakige klauwen grijpend uitgestrekt om nieuwe slachtoffers ter Hel te
slepen....
Zoo liep hij gansche nachten soms, in schrikkelijke folteringen. En
eerst wanneer de dageraad met licht opaal den donkeren gezichtseinder
begon te kleuren, voelde hij de kalmte der afgematheid in zich komen.
Een gruwelijke angst maakte zich van hem meester, hij ging zijn bokkevel
verbergen in een droge sloot, onder dicht door elkander gestrengelde
braamstruiken, en kwam doodstil weer in zijn huis gekropen. Als een pak
viel hij op zijn bed, dadelijk in een loodzwaren slaap; en 's anderdaags
morgens, slap en uitgeput, had hij geen geheugen meer van al de
nachtelijke gruwelen.
* * * * *
Middelerwijl begonnen zich in 't gehucht en weldra overal in den omtrek
akelige geruchten te verspreiden:
Satan dwaalde 's nachts in de velden; menschen, die laat uit het dorp
terugkeerden, hadden hem gezien, gehuld in een zwart bokkevel, met
zwarte horens en oogen van vuur; anderen hadden zijn afgrijselijk gillen
gehoord, en de folterklachten der zielen, die hij naar de Hel
meesleepte. Twee kinderen uit een ver gehucht hadden stuipen gekregen
van den schrik; een oude kwezel was er krankzinnig van geworden; een pas
bevallen kraamvrouw was er van gestorven. En het gerucht, eerst vaag,
maar weldra in stilte door een ieder herhaald, duidde Van Alleijnes als
den bezetene aan. Hij had zijn ziel aan den duivel verkocht, zei men;
hij had Satan's gedaante genomen; hij overweldigde zielen voor de Hel!
Een huivering van schrik liep over gansch de streek, haast niemand
durfde na tien uur 's avonds nog alleen zijn huis verlaten: en 's nachts
verschansten de boeren zich gewapend met oude geweren en gaffels in hun
hoeven, hun groote, woeste honden op het erf loslatend. Een soort
hallucinatie, mengsel van lafheid en woede, overweldigende uitbarsting
van verschrikt fanatisme en wreedaardigheid, maakte zich van de
bevolking meester.
Van Alleijnes' huis was als een oord van Hel en vloek verklaard, en Van
Alleijnes en zijn vrouw en dochter als 't gezin des duivels zelf
gebrandmerkt. Niemand wilde met hen nog eenig uitstaans hebben; de buren
sloten haastig hun deuren en sloegen een kruis, toen zij een van hen
zagen komen, en zij maakten lange omwegen om langs het "Duvelshuis" niet
meer voorbij te moeten gaan.
Alleen toen zij weldra vernamen dat Van Alleijnes ziek te bed lag,
werden zij iets stoutmoediger. Samenscholingen werden in de buurt
gevormd, en heele benden, gewapend met vorken en stokken, lippend**
gillend in de duisternis langs velden en langs wegen, schreeuwend dat
zij den duivel gezien hadden en hem wilden doodslaan. Iets van den
waanzin die Van Alleijnes geknakt had, deelde zich aan de bevolking
mede; 't geschreeuw der opgezweepte foule leek op het woest gegil van
Van Alleijnes zelf, wanneer hij 's nachts _moest_ "weirwulf leupen,";
maar 't was genoeg dat er een riep: "doar es hij! 'k zie hem!"...
onmiddellijk ontaarden** de razende kreten in angstgeschreeuw, en de
geheele laffe bende vluchtte uit elkaar, overweldigd door het ingebeelde
spook, door die gruwelijke vizie van den duivel, welke 't blinde
fanatisme hun nu onophoudend voor den geest hield.
* * * * *
Met Van Alleijnes zelf was het nu tot het allerergste gekomen.
De waanzin, die hem met reuzenschreden had bestormd sinds zijn laatste
ontmoeting met Velghe, liet hem geen oogenblik rust meer. Na ruim drie
weken lang haast elken nacht in de vreeselijkste overspanning te hebben
omgedwaald, was hij eens op een vroegen morgen, bijna halfdood naar huis
terug gekropen, en sinds had hij zijn bed niet meer verlaten.
Hij at niet meer, hij sliep niet meer, hij sprak niet meer. Tegenover
alle heropbeurende pogingen van zijn wanhopende vrouw en dochter, stelde
hij een hardnekkig-stug stilzwijgen, den verwilderden blik zijner
wijd-uitgezette gekkenoogen halsstarrig op het toegeblinde vensterraam
van 't nachtvertrek gespijkerd.
Een groot gedeelte van den dag bleef hij aldus stom-roerloos liggen.
Maar met het naderen van den avond veranderden van lieverlede zijn
gelaatstrekken. Een samenkrimping verwrong de spieren om den mond en om
de oogen, vertrok ze tot die folterrimpels alsof hij door iets
onzichtbaars scherp geknepen of geprikt werd, tot die expressie van
lijdensparoxysme welke zich op zijn gezicht gestempeld had, 's avonds na
zijn gesprek met Velghe, toen de berechting vóór zijn deur passeerde. En
plotseling dan, in een grijnzen der lippen, dat even zijn knarsend, wit
gebit liet zien, slaakte hij een kreet, die door het heele huisje
dreunde:
- Den duvel! den duvel! den duvel!
En de afschuwelijke crisis greep hem aan....
Hij woelde in zijn bed, de dekens weggooiend, beukend en schoppend met
armen en beenen, springend en spartelend als een visch uit het water,
met reutelenden adem en een gezicht, dat geen menschelijke uitdrukking
meer had, tot hij eindelijk, met uitpuilende oogen en tot barstens
gespannen halsspieren, niets meer uitte dan één oorverscheurend,
aanhoudend gegil, afschuwelijk om aan te hooren.
Uren en uren na elkaar, soms, lag hij zoo te gillen, te gillen tot zijn
stem schor en klankeloos werd, te gillen tot zijn tanden er van
klapperden, te gillen tot hij ademloos en krachteloos ineenzakte. En als
hij daar dan uitgeput lag, stonden zijn oogen loensch, en kwamen weer de
folterrimpels om zijn mond en om zijn oogen, uitspitsend den neus en de
kin, als den snuit van een roofdier.
Zijn vrouw en dochter, luid-schreiend om zijn sponde, wisten geen raad
noch toevlucht meer. In 't hevigste van een der aanvallen was de vrouw
in het dorp de hulp van den pastoor gaan afsmeeken; maar zoodra Van
Alleijnes den man zag, waarin hij nu alle vertrouwen had verloren, steeg
het in hem tot zulk een razende dolheid, dat de geestelijke, na enkele
vergeefsche pogingen om hem tot bedaren te brengen, bang voor zijn eigen
leven uit het huis was gevlucht.
* * * * *
Eenige dagen verliepen. De dokter was gekomen en had den zieke een
drankje doen innemen. Daarmee was hij iets kalmer geworden. Zelfs had
hij dien zaterdagavond een half bordje pap gegeten, en de twee vrouwen,
een weinig opgebeurd, hadden nog niet alle hoop verloren, toen hij
plotseling, zonder dat iets zulks deed vermoeden, als een brieschenden
leeuw uit zijn bed sprong, met ruw geweld de naar hem toesnellende
vrouwen weggooide, en half naakt buiten vloog.
Zóó brusk was de slag en zóó snel zijn rennen, dat de twee vrouwen, toen
zij, na een oogenblik bedwelming weer bijgekomen, hem buiten achterna
holden, geen spoor van den waanzinnige meer ontdekten. En, na een
vruchteloos roepen en zoeken, waren zij huilend weer in huis gekomen,
wanhopend hem nog in leven te zien, toen eensklaps een afschuwelijke
gedaante, een monster met knarsende tanden en brandende oogen, gehuld in
een zwart bokkevel, vóór haar voeten in de keuken sprong.
Zij slaakten beiden een kreet of ze vermoord werden, en met twee
sprongen waren zij weer buiten, luidkeels om hulp roepend.
Verwilderd, verbluft door zijn eigen geweld, bleef Van Alleijnes een
oogenblik roerloos in het midden van de keuken staan, stom luisterend
naar de in den nacht uitstervende angstkreten van zijn vrouw en dochter.
Dan keerde hij zich om, als zelve bang, sloop weer in 't kamertje en
kroop er in 't bed, met zijn bokkevel aan.
* * * * *
Uren verliepen....
Buiten was het een heerlijke Julinacht, een nacht van plechtige stilte
en zachte geuren, met een ongeëvenaard prachtigen starrenhemel en een
reusachtige ronde maan, die in wazig-rossen gloed over de blonde
korenvelden oprees.
De meeste bewoners van het eenzaam gehucht waren nog op, en af en toe
weergalmde in de verte een verdofd geraas van een menigte: de met
stokken en vorken gewapende benden, welke den "duvel" achterna zaten.
En sidderend onder zijn bokkevel lag Van Alleijnes met verwrongen
gezicht naar dat akelig lawaai te luisteren. En telkens als een bende
onder oorverdoovend geschreeuw zijn huis voorbij rende, ging hij aan
't rillen, dat heel zijn bed er van schudde, terwijl zijn loensche, op het
gesloten blind gespijkerde oogen een uitdrukking van gruwelijken schrik
kregen. Maar hij gilde niet meer, als vroeger, op het geluid terug; zijn
op elkaar geklemde tanden lieten geen klank meer door.
Omtrent middernacht, toen alles stil geworden was, kwamen twee schuwe
schaduwen in huis geslopen: zijn vrouw, zijn dochter.
Bevend kwamen zij op de teenen naar het slaapvertrekje, en, half
verscholen achter den binnenmuur, staken zij 't hoofd in 't somber gat
der openstaande deur.
* * * * *
Bij het zwakke schijnsel van het op de kleerkast staande lampje, zagen
zij Van Alleijnes, steeds in zijn bokkenhuid gewikkeld, onbewegelijk in
't lage bed liggen.
Zij dachten dat hij sliep, en, ondanks haar onnoemelijken schrik, traden
zij nog een stap naar voren.
Plotseling, dan, keerde hij zijn hoofd om, en keek haar aan met zijn
strakke loensche oogen, die fonkelden als karbonkels onder het ruige
haar der bokkenhuid.
Met een snerpend angstgegil vlogen zij weer buiten.
* * * * *
Dáár was het steeds de heerlijk zachte en sereene nacht. Heel hoog was
de maan gerezen in den opalen hemel, en haar ronde schijf, kleiner nu en
helderder schitterend, strooide haar schijnsel, wit als sneeuw, over de
met parelen bedauwde, blonde korenvelden. De nabijgelegen sparrebosschen**
waren daarentegen zwart als inkt, en in 't verschiet verscheen de heide
als een maanlandschap, met geelwitte heuveltjes van naakt zand en
diepten van donkere heesters. Twee uren sloeg het in de verte op den
kerktoren, twee zwakke, gescandeerde zilverslagen, in de plechtige
stilte van den heerlijken nacht.
Toen keerden de beide vrouwen voor de tweede maal weer huiswaarts.
Huilend, met snikken in de keel, hare gestalten scheef vooruitglijdend
als zwarte spoken over den wit beschenen weg, kwamen zij aan
't achterdeurtje.
In doodsche stilte duwden zij het open, slopen in 't keukentje, naderden
de openstaande kamerdeur, en keken.....
Het lampje smeulde en stoomde, bijna uitgedoofd. Het kolend lontje
verspreidde een benauwde lucht en gaf nog slechts een flauw, dofrood
schijnsel, maar dwars door 't hartenaas van het gesloten blind dolkte
een straaltje der maan gelijk een zilverschicht op Van Alleijnes'
gelaat.
- Hij sloapt," fluisterde de vrouw, haar adem inhoudend.
Het meisje greep haar moeder bij de hand, en sidderend tegen elkaar
gedrongen staken zij eventjes 't hoofd uit, om hem beter te zien.
In 't bleeke schijnsel van den manestraal leek 't weinige dat zij van
zijn puntig, half onder de zwarte huid verborgen gezicht konden
ontwaren, geelwit en hard, gelijk ivoor. De oogen en de mond schenen
gesloten, en daar omheen hadden de folterrimpels zich verwrongen als tot
zwarte groeven, waaruit de neus, wasgeel, scherp als de snavel van een
roofvogel vooruitpuntte. Het lichaam, in elkaar gekrompen, lag
onbewegelijk met opgetrokken knieën, terwijl de dwars over de borst
gekruiste handen met al de kracht van hun hakige, in 't ruige haar
geklauwde vingers, het bokkevel over zijn schouders schenen dicht te
sluiten.
En roerloos, met hamerend hart, op den drempel van het kamertje, woonden
de beide vrouwen een vreemd, schrikwekkend schouwspel bij:
Langzaam zich van links naar rechts bewegend, glansde de bleeke
lichtstraal peilend over de eene helft van het gelaat, de andere helft
in trapsgewijze toenemende duisternis verbergend.
Langzaam rijzend in een scheeve lijn, liet hij eerst zien, tusschen het
grauwe der half open lippen, die witte rictusschittering der tanden; dan
één vóór één de zwarte rimpels om den mond en om den neus, dan eindelijk
het diep-gegroefde, donker gat van 't oog. En plotseling, van uit de
donkerste diepte van dat gat, scheen een loensch weerlicht de twee
vrouwen aan te grijnzen. En in die vizie van weerlicht, welke den schijn
gaf van leven, kregen zij beiden, op 't zelfde oogenblik, in één en
zelfden kreet van schrik en medelijden, de overweldigende intuïtie dat
hij dood was.
- Man! man!" gilde de vrouw met een krijschende stem.
Noch antwoord, noch beweging.
- Man! man!" herhaalde zij met een schreeuw, die in een wilden snik
ontaardde.
En zij sprong naar het ledikant toe.
Maar stom van schrik vloog zij weer achteruit:
Haar hand had zijn gezicht geraakt. 't Was koud als ijs....
Van Alleijnes was een lijk.
* * * * *
Er moest voor de begrafenis gezorgd worden.
Reeds den volgenden morgen in de vroegte, ging zijn vrouw, op het
dorpsgemeentehuis, de verklaring van overlijden afleggen.
De gebeurtenis, die er al gekend was, verwekte groote opschudding. De
bewoners stonden op hun dorpels, elkaar toeschreeuwend, dat de "duvel"
dood was. En een vraag was op aller lippen: "waar zou men hem begraven
en wie zou hem naar zijn laatste rustplaats brengen?...."
Natuurlijk kon hij niet in gewijde aarde begraven worden. Zijn plaats
was in den "hondshoek" achter de kerk, den hoek van brandnetels en
vuilnis. Maar wie zou er hem brengen, zelfs dáár? En 't antwoord op de
vraag was onveranderlijk 't zelfde:
- Ik niet, woarachtig! Noch ik! Noch ik!..."
* * * * *
Niemand wilde. En toen de vrouw, volgens gewoonte, bij haar naaste buren
in 't gehucht een hulp ging vragen, die anders nooit geweigerd wordt,
werd haar de deur voor het gezicht geslagen en riep men haar toe:
- Goa wig! goa wig! We 'n hên mee den duvel niets te moaken!"
In wanhoop wendde zij zich tot den pastoor.
Ernstig dacht hij even na, toen antwoordde hij:
- Van Alleijnes was 'n greute zondoare, moar hij hé hem gebeterd veurdat
hij stierf, en noar d' Helle 'n zal hij nie goan. Ik geef ou de
permissie hem in gewijde eirde te begroaven, percies en zeu goed as den
iesten den besten mijner prochioanen; moar wa kan ik er aan doen, as er
hem niemand 'n wil droagen? 'K 'n kan 'k hem toch zelve nie goan
hoalen!". . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . .
Zij wendde zich tot Velghe en vroeg hem het lijk met zijn paard en wagen
naar het kerkhof te willen vervoeren.
- Beste vrauwken," antwoordde Velghe, haar zoo spoedig mogelijk uit zijn
huis leidend, "ik 'n zoe nie beter vroagen as ou dien dienst te meugen
bewijzen, moar 't es onmeugelijk; 'k zoe mij de vijandschap van de heule
gebuurt op den hals joagen; 'k 'n zoe hier nie mier keune leven."
En in het ledikant bleef het lijk liggen, grijnzend in zijn bokkenhuid
gewikkeld....
Zij hadden het vel er niet af kunnen krijgen, zij hadden den doode niet
kunnen afleggen!.... Zóó wild-krampachtig hadden zijn hakige vingers
zich in het bokkevel vastgeklauwd, dat ze zijn armen zouden moeten
breken, om hem er uit te krijgen. En die bijzonderheid, in het gehucht
gekend, waar de twee vrouwen het in haar gruwel hadden uitgegild,
versterkte nog de bewoners in hun overtuiging dat het de duivel zelf
was, die daar nu nog "over eirde" lag. Bij den schrijnwerker der buurt
had vrouw Van Alleijnes de doodkist besteld, en die had er wel in
toegestemd ze te maken, maar geweigerd ze aan huis te leveren. Hij zou
ze 's avonds vóór zijn deur zetten, waar de twee vrouwen, na betaling,
ze maar zelve moesten komen halen.
* * * * *
Voor de tweede maal, dan, ging vrouw Van Alleijnes, door haar dochter
vergezeld, bij den pastoor aanbellen.
De meid berichtte haar, dat hij voor enkele dagen op reis was, en de
zijn plaats vervangende coadjutor zei haar, dat hij niets anders doen
kon dan de, hem door zijn overste nagelaten instructiën, te volgen.
Dan ging ze naar het kasteel bij den baron, die ook de burgemeester van
het dorpje was. Maar de baron was insgelijks op reis, ergens heel verre,
vertelde een der knechts, en zou vóór weken niet terug zijn.
- Hawel, 't es goed!" riep de vrouw eensklaps woedend. "We zillen hem
zelve begroaven, zonder d' hulpe van al die lafoards!"
En vastberaden keerden zij weer naar het verre gehucht.
* * * * *
De nacht was gevallen. Zij liepen haastig door het eenzaam veld,
tusschen de hooge, rijpe korenakkers, over welks zwaargebogen aren
geruischloos-fladderende vledermuizen zweefden.
De lucht was zwoel, met laag-drijvende wolken, broeiend van onweer.
- Ge moet mij helpen," sprak de vrouw, gebiedend, tot haar dochter.
- Woaraan?" vroeg het meisje, die in stilte weende.
- Da zilt-e wel goan zien."
En nog gejaagder snelde zij vooruit.
* * * * *
Zij kwamen aan het huisje. Vrouw Van Alleijnes opende de voordeur met
den sleutel en zij traden binnen.
In een hoek der keuken stond de den vorigen avond gehaalde doodkist van
ruw, ongeverfd hout, spookachtig wit langs den muur als een liggend
lijk. In 't kamertje, waar een klein lampje brandde, lag Van Alleijnes,
steeds in zijn bokkenhuid gewikkeld, in het lage bed.
De vrouw ging naar het achterhuis en nam er uit een hoek twee spaden.
Zij gaf er een van aan haar dochter.
- Kom mee," sprak zij.
- Moar, moeder, wa goa-je toch doen?"
- Kom mee, zeg ik ou, ge zilt 't zien."
En weer verlieten zij het huisje.
De zoele nacht was zwart als kool. Geen star aan het ondoordringbaar
uitspansel; geen boom of staak zichtbaar den weg afbakenend. Alleen van
tijd tot tijd een blauwachtig weerlicht, in breeden gloed opflikkerend,
en na een poos, heel in de verte, een dof-rollend geroffel van donder.
- Moeder! moeder! woar goan we toch noar toe?" vroeg angstig het meisje.
- Noar d' heije**," antwoordde zij.
* * * * *
Zij kwamen op de heide....
- Wacht 'n beetsen," zei de vrouw. En zij bleef even stilstaan.
Aan den gezichtseinder vlamde een weerlicht op. De breede blauwe gloed
verlichtte even de hobbelige vlakte, omlijnend scherper als bij
daglicht, een eenzaam groepje kromme sparretjes, een rozig-bloeiend
plekje heidekruid, een goudgelen, naakten zandheuvel.
- Nog veuder," sprak de vrouw.
En, in het hol geroffel van den verwijderden donder, liepen zij
strompelend verder.
- Hau stille," sprak zij voor de tweede maal, haar dochter bij de mouw
grijpend.
En bij een nieuw, fel-glinsterend weerlicht, zagen zij zich in 't midden
eener dorre vlakte staan, tusschen twee gele zandheuvels.
- Hier!" sprak de moeder.
- Wat hier?" vroeg het meisje.
- Voader begraoven....."
- O moeder!"
- Doe wa da 'k ou zegge," beval de vrouw. En zij begon te delven.
* * * * *
In enkele minuten tijds, bij het reusachtig opflikkeren der weerlichten
en het dof-somber-rollen van den verren donder, hadden zij den kuil
gegraven. Toen keerden zij weer huiswaarts.
Vrouw Van Alleijnes stak in het keukentje de lamp aan, en met haar
dochter droeg zij de doodkist in 't kamertje, en trok die open. Dan kwam
het vreeselijk moment. Haar angst en gruwel overwinnend, sloegen zij
snikkend de armen om de monsterachtige gedaante van den overledene, en
gaven hem een afscheidskus op de in foltering verwrongen lippen. En
zonder nog te pogen hem uit het akelig, om zijn lijf geknelde bokkevel
te krijgen, tilden zij hem op bij schouders en beenen, en legden hem in
de doodkist.
Met spijkers werd het deksel er op vast geslagen; met andere spijkers,
voor en achter, werden twee draagriemen, waarmee Van Alleijnes vroeger
in den kruiwagen reed, aan de kist bevestigd. En zoo hieven moeder en
dochter de doodkist op en gingen zij er schreiend mee naar buiten.
* * * * *
Dreigender kwam 't onweer op. Met kortere tusschenpoozen flitsten
verblindend violette weerlichten, dapper gevolgd door luider en luider
bulderende donderslagen. Soms was de gloed zóó schel, dat zij in
't blonde koren waar de kist schommelend langs schoof, de roode en blauwe
bloemen zagen schitteren; het oogenblik daarna was alles zóó pikdonker,
dat zij zelfs elkaar 's gebogene gestalte niet meer zagen. Het
angstzweet brak haar uit, en bij elk weerlicht sloegen zij sidderend een
kruis, onder den last der doodkist door haar weifelende beenen zakkend.
Uitgeput kwamen zij eindelijk aan de groeve. Zij zetten de kist op den
rand, en knielend, met gevouwen handen, zegden zij een bede op. Heete
tranen rolden over haar wangen, en groote regendroppels begonnen te
vallen, hard openspattend op het hout der kist.
Toen lieten zij die in de groeve neer. Met een ruk trokken zij de riemen
los, en hol-bonzend in het hol gebulder van den donder, vielen de
aardkluiten op de doodkist.
Harder, in breede, rechte stralen, stortte de regen neer. Zijn
aanhoudend gedruisch verdofde het dreunend geluid van den donder, en de
bliksemvlammen smolten weg in wazig blauwgrijs.
De groeve was gevuld. Druipnat trapten de vrouwen de laatste zoden vast.
En, met een laatste, snikkend vaarwel, verlieten zij ijlings de heide.
Het onweer trok af. Alleen de regen bleef aanhoudend vallen, in breede,
lauwe stralen van eentonig ruischen.
Uit de gedrenkte aarde wasemde zacht een geuren-atmosfeer van frischheid
en herleving....