En midden in den nacht stond hij op holde hij de velden in!**

Hij was het werktuig van wilde impulsies, van onweerstaanbaar-machtige

suggesties. Gedachten, die hij eertijds nooit had gehad, lang vergeten

herinneringen ontstonden of kwamen weer in hem op, hem stuwend, hem

duwend naar het onvermijdbaar doel van _'t kwoad_.

De suggestie bracht hem in 't geheugen, dat er in dàt of dàt dorpje,

uren vandaan, een arme boer woonde met een talrijk gezin wiens vrouw

opnieuw bevallen was; en in de nachtelijke duisternis _moest_ hij er

heen vliegen, en, gillend als een razend beest, hollen en zwerven om het

eenzaam hoevetje, welks bewoners, uit hun slaap wakker geschrikt, met

den doodsangst op het lijf om hulp riepen, zonder buiten te durven komen

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . .

De suggestie wees hem den weg, dwars over heide en velden, naar den ver

afgelegen kruisweg midden in de sparrenbosschen**, alwaar, aan de voeten

van een Christus-of-Madonna-beeld, een door vrome handen aangestoken

lantarentje brandde; en, in de zwarte eenzamheid, _moest_ hij zich daar

gillend rollen op het mos, ten prooi aan de afgrijselijke folteringen,

welke 't zicht van die ruwe godsdienst-zinnebeelden in hem deed ontstaan

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . .

De suggestie, eindelijk, deed hem doelloos zwerven in den nacht, gehuld

in een zwart bokkevel dat hij eens bij een ouden herder was gaan koopen:

en hij _moest_ "weirwulf leupen," met knarsende tanden en fonkelende

oogen, Satan in eigen gedaante, gebukt onder den gruwel der verdoemenis,

de hakige klauwen grijpend uitgestrekt om nieuwe slachtoffers ter Hel te

slepen....

Zoo liep hij gansche nachten soms, in schrikkelijke folteringen. En

eerst wanneer de dageraad met licht opaal den donkeren gezichtseinder

begon te kleuren, voelde hij de kalmte der afgematheid in zich komen.

Een gruwelijke angst maakte zich van hem meester, hij ging zijn bokkevel

verbergen in een droge sloot, onder dicht door elkander gestrengelde

braamstruiken, en kwam doodstil weer in zijn huis gekropen. Als een pak

viel hij op zijn bed, dadelijk in een loodzwaren slaap; en 's anderdaags

morgens, slap en uitgeput, had hij geen geheugen meer van al de

nachtelijke gruwelen.

* * * * *

Middelerwijl begonnen zich in 't gehucht en weldra overal in den omtrek

akelige geruchten te verspreiden:

Satan dwaalde 's nachts in de velden; menschen, die laat uit het dorp

terugkeerden, hadden hem gezien, gehuld in een zwart bokkevel, met

zwarte horens en oogen van vuur; anderen hadden zijn afgrijselijk gillen

gehoord, en de folterklachten der zielen, die hij naar de Hel

meesleepte. Twee kinderen uit een ver gehucht hadden stuipen gekregen

van den schrik; een oude kwezel was er krankzinnig van geworden; een pas

bevallen kraamvrouw was er van gestorven. En het gerucht, eerst vaag,

maar weldra in stilte door een ieder herhaald, duidde Van Alleijnes als

den bezetene aan. Hij had zijn ziel aan den duivel verkocht, zei men;

hij had Satan's gedaante genomen; hij overweldigde zielen voor de Hel!

Een huivering van schrik liep over gansch de streek, haast niemand

durfde na tien uur 's avonds nog alleen zijn huis verlaten: en 's nachts

verschansten de boeren zich gewapend met oude geweren en gaffels in hun

hoeven, hun groote, woeste honden op het erf loslatend. Een soort

hallucinatie, mengsel van lafheid en woede, overweldigende uitbarsting

van verschrikt fanatisme en wreedaardigheid, maakte zich van de

bevolking meester.

Van Alleijnes' huis was als een oord van Hel en vloek verklaard, en Van

Alleijnes en zijn vrouw en dochter als 't gezin des duivels zelf

gebrandmerkt. Niemand wilde met hen nog eenig uitstaans hebben; de buren

sloten haastig hun deuren en sloegen een kruis, toen zij een van hen

zagen komen, en zij maakten lange omwegen om langs het "Duvelshuis" niet

meer voorbij te moeten gaan.

Alleen toen zij weldra vernamen dat Van Alleijnes ziek te bed lag,

werden zij iets stoutmoediger. Samenscholingen werden in de buurt

gevormd, en heele benden, gewapend met vorken en stokken, lippend**

gillend in de duisternis langs velden en langs wegen, schreeuwend dat

zij den duivel gezien hadden en hem wilden doodslaan. Iets van den

waanzin die Van Alleijnes geknakt had, deelde zich aan de bevolking

mede; 't geschreeuw der opgezweepte foule leek op het woest gegil van

Van Alleijnes zelf, wanneer hij 's nachts _moest_ "weirwulf leupen,";

maar 't was genoeg dat er een riep: "doar es hij! 'k zie hem!"...

onmiddellijk ontaarden** de razende kreten in angstgeschreeuw, en de

geheele laffe bende vluchtte uit elkaar, overweldigd door het ingebeelde

spook, door die gruwelijke vizie van den duivel, welke 't blinde

fanatisme hun nu onophoudend voor den geest hield.

* * * * *

Met Van Alleijnes zelf was het nu tot het allerergste gekomen.

De waanzin, die hem met reuzenschreden had bestormd sinds zijn laatste

ontmoeting met Velghe, liet hem geen oogenblik rust meer. Na ruim drie

weken lang haast elken nacht in de vreeselijkste overspanning te hebben

omgedwaald, was hij eens op een vroegen morgen, bijna halfdood naar huis

terug gekropen, en sinds had hij zijn bed niet meer verlaten.

Hij at niet meer, hij sliep niet meer, hij sprak niet meer. Tegenover

alle heropbeurende pogingen van zijn wanhopende vrouw en dochter, stelde

hij een hardnekkig-stug stilzwijgen, den verwilderden blik zijner

wijd-uitgezette gekkenoogen halsstarrig op het toegeblinde vensterraam

van 't nachtvertrek gespijkerd.

Een groot gedeelte van den dag bleef hij aldus stom-roerloos liggen.

Maar met het naderen van den avond veranderden van lieverlede zijn

gelaatstrekken. Een samenkrimping verwrong de spieren om den mond en om

de oogen, vertrok ze tot die folterrimpels alsof hij door iets

onzichtbaars scherp geknepen of geprikt werd, tot die expressie van

lijdensparoxysme welke zich op zijn gezicht gestempeld had, 's avonds na

zijn gesprek met Velghe, toen de berechting vóór zijn deur passeerde. En

plotseling dan, in een grijnzen der lippen, dat even zijn knarsend, wit

gebit liet zien, slaakte hij een kreet, die door het heele huisje

dreunde:

- Den duvel! den duvel! den duvel!

En de afschuwelijke crisis greep hem aan....

Hij woelde in zijn bed, de dekens weggooiend, beukend en schoppend met

armen en beenen, springend en spartelend als een visch uit het water,

met reutelenden adem en een gezicht, dat geen menschelijke uitdrukking

meer had, tot hij eindelijk, met uitpuilende oogen en tot barstens

gespannen halsspieren, niets meer uitte dan één oorverscheurend,

aanhoudend gegil, afschuwelijk om aan te hooren.

Uren en uren na elkaar, soms, lag hij zoo te gillen, te gillen tot zijn

stem schor en klankeloos werd, te gillen tot zijn tanden er van

klapperden, te gillen tot hij ademloos en krachteloos ineenzakte. En als

hij daar dan uitgeput lag, stonden zijn oogen loensch, en kwamen weer de

folterrimpels om zijn mond en om zijn oogen, uitspitsend den neus en de

kin, als den snuit van een roofdier.

Zijn vrouw en dochter, luid-schreiend om zijn sponde, wisten geen raad

noch toevlucht meer. In 't hevigste van een der aanvallen was de vrouw

in het dorp de hulp van den pastoor gaan afsmeeken; maar zoodra Van

Alleijnes den man zag, waarin hij nu alle vertrouwen had verloren, steeg

het in hem tot zulk een razende dolheid, dat de geestelijke, na enkele

vergeefsche pogingen om hem tot bedaren te brengen, bang voor zijn eigen

leven uit het huis was gevlucht.

* * * * *

Eenige dagen verliepen. De dokter was gekomen en had den zieke een

drankje doen innemen. Daarmee was hij iets kalmer geworden. Zelfs had

hij dien zaterdagavond een half bordje pap gegeten, en de twee vrouwen,

een weinig opgebeurd, hadden nog niet alle hoop verloren, toen hij

plotseling, zonder dat iets zulks deed vermoeden, als een brieschenden

leeuw uit zijn bed sprong, met ruw geweld de naar hem toesnellende

vrouwen weggooide, en half naakt buiten vloog.

Zóó brusk was de slag en zóó snel zijn rennen, dat de twee vrouwen, toen

zij, na een oogenblik bedwelming weer bijgekomen, hem buiten achterna

holden, geen spoor van den waanzinnige meer ontdekten. En, na een

vruchteloos roepen en zoeken, waren zij huilend weer in huis gekomen,

wanhopend hem nog in leven te zien, toen eensklaps een afschuwelijke

gedaante, een monster met knarsende tanden en brandende oogen, gehuld in

een zwart bokkevel, vóór haar voeten in de keuken sprong.

Zij slaakten beiden een kreet of ze vermoord werden, en met twee

sprongen waren zij weer buiten, luidkeels om hulp roepend.

Verwilderd, verbluft door zijn eigen geweld, bleef Van Alleijnes een

oogenblik roerloos in het midden van de keuken staan, stom luisterend

naar de in den nacht uitstervende angstkreten van zijn vrouw en dochter.

Dan keerde hij zich om, als zelve bang, sloop weer in 't kamertje en

kroop er in 't bed, met zijn bokkevel aan.

* * * * *

Uren verliepen....

Buiten was het een heerlijke Julinacht, een nacht van plechtige stilte

en zachte geuren, met een ongeëvenaard prachtigen starrenhemel en een

reusachtige ronde maan, die in wazig-rossen gloed over de blonde

korenvelden oprees.

De meeste bewoners van het eenzaam gehucht waren nog op, en af en toe

weergalmde in de verte een verdofd geraas van een menigte: de met

stokken en vorken gewapende benden, welke den "duvel" achterna zaten.

En sidderend onder zijn bokkevel lag Van Alleijnes met verwrongen

gezicht naar dat akelig lawaai te luisteren. En telkens als een bende

onder oorverdoovend geschreeuw zijn huis voorbij rende, ging hij aan

't rillen, dat heel zijn bed er van schudde, terwijl zijn loensche, op het

gesloten blind gespijkerde oogen een uitdrukking van gruwelijken schrik

kregen. Maar hij gilde niet meer, als vroeger, op het geluid terug; zijn

op elkaar geklemde tanden lieten geen klank meer door.

Omtrent middernacht, toen alles stil geworden was, kwamen twee schuwe

schaduwen in huis geslopen: zijn vrouw, zijn dochter.

Bevend kwamen zij op de teenen naar het slaapvertrekje, en, half

verscholen achter den binnenmuur, staken zij 't hoofd in 't somber gat

der openstaande deur.

* * * * *

Bij het zwakke schijnsel van het op de kleerkast staande lampje, zagen

zij Van Alleijnes, steeds in zijn bokkenhuid gewikkeld, onbewegelijk in

't lage bed liggen.

Zij dachten dat hij sliep, en, ondanks haar onnoemelijken schrik, traden

zij nog een stap naar voren.

Plotseling, dan, keerde hij zijn hoofd om, en keek haar aan met zijn

strakke loensche oogen, die fonkelden als karbonkels onder het ruige

haar der bokkenhuid.

Met een snerpend angstgegil vlogen zij weer buiten.

* * * * *

Dáár was het steeds de heerlijk zachte en sereene nacht. Heel hoog was

de maan gerezen in den opalen hemel, en haar ronde schijf, kleiner nu en

helderder schitterend, strooide haar schijnsel, wit als sneeuw, over de

met parelen bedauwde, blonde korenvelden. De nabijgelegen sparrebosschen**

waren daarentegen zwart als inkt, en in 't verschiet verscheen de heide

als een maanlandschap, met geelwitte heuveltjes van naakt zand en

diepten van donkere heesters. Twee uren sloeg het in de verte op den

kerktoren, twee zwakke, gescandeerde zilverslagen, in de plechtige

stilte van den heerlijken nacht.

Toen keerden de beide vrouwen voor de tweede maal weer huiswaarts.

Huilend, met snikken in de keel, hare gestalten scheef vooruitglijdend

als zwarte spoken over den wit beschenen weg, kwamen zij aan

't achterdeurtje.

In doodsche stilte duwden zij het open, slopen in 't keukentje, naderden

de openstaande kamerdeur, en keken.....

Het lampje smeulde en stoomde, bijna uitgedoofd. Het kolend lontje

verspreidde een benauwde lucht en gaf nog slechts een flauw, dofrood

schijnsel, maar dwars door 't hartenaas van het gesloten blind dolkte

een straaltje der maan gelijk een zilverschicht op Van Alleijnes'

gelaat.

- Hij sloapt," fluisterde de vrouw, haar adem inhoudend.

Het meisje greep haar moeder bij de hand, en sidderend tegen elkaar

gedrongen staken zij eventjes 't hoofd uit, om hem beter te zien.

In 't bleeke schijnsel van den manestraal leek 't weinige dat zij van

zijn puntig, half onder de zwarte huid verborgen gezicht konden

ontwaren, geelwit en hard, gelijk ivoor. De oogen en de mond schenen

gesloten, en daar omheen hadden de folterrimpels zich verwrongen als tot

zwarte groeven, waaruit de neus, wasgeel, scherp als de snavel van een

roofvogel vooruitpuntte. Het lichaam, in elkaar gekrompen, lag

onbewegelijk met opgetrokken knieën, terwijl de dwars over de borst

gekruiste handen met al de kracht van hun hakige, in 't ruige haar

geklauwde vingers, het bokkevel over zijn schouders schenen dicht te

sluiten.

En roerloos, met hamerend hart, op den drempel van het kamertje, woonden

de beide vrouwen een vreemd, schrikwekkend schouwspel bij:

Langzaam zich van links naar rechts bewegend, glansde de bleeke

lichtstraal peilend over de eene helft van het gelaat, de andere helft

in trapsgewijze toenemende duisternis verbergend.

Langzaam rijzend in een scheeve lijn, liet hij eerst zien, tusschen het

grauwe der half open lippen, die witte rictusschittering der tanden; dan

één vóór één de zwarte rimpels om den mond en om den neus, dan eindelijk

het diep-gegroefde, donker gat van 't oog. En plotseling, van uit de

donkerste diepte van dat gat, scheen een loensch weerlicht de twee

vrouwen aan te grijnzen. En in die vizie van weerlicht, welke den schijn

gaf van leven, kregen zij beiden, op 't zelfde oogenblik, in één en

zelfden kreet van schrik en medelijden, de overweldigende intuïtie dat

hij dood was.

- Man! man!" gilde de vrouw met een krijschende stem.

Noch antwoord, noch beweging.

- Man! man!" herhaalde zij met een schreeuw, die in een wilden snik

ontaardde.

En zij sprong naar het ledikant toe.

Maar stom van schrik vloog zij weer achteruit:

Haar hand had zijn gezicht geraakt. 't Was koud als ijs....

Van Alleijnes was een lijk.

* * * * *

Er moest voor de begrafenis gezorgd worden.

Reeds den volgenden morgen in de vroegte, ging zijn vrouw, op het

dorpsgemeentehuis, de verklaring van overlijden afleggen.

De gebeurtenis, die er al gekend was, verwekte groote opschudding. De

bewoners stonden op hun dorpels, elkaar toeschreeuwend, dat de "duvel"

dood was. En een vraag was op aller lippen: "waar zou men hem begraven

en wie zou hem naar zijn laatste rustplaats brengen?...."

Natuurlijk kon hij niet in gewijde aarde begraven worden. Zijn plaats

was in den "hondshoek" achter de kerk, den hoek van brandnetels en

vuilnis. Maar wie zou er hem brengen, zelfs dáár? En 't antwoord op de

vraag was onveranderlijk 't zelfde:

- Ik niet, woarachtig! Noch ik! Noch ik!..."

* * * * *

Niemand wilde. En toen de vrouw, volgens gewoonte, bij haar naaste buren

in 't gehucht een hulp ging vragen, die anders nooit geweigerd wordt,

werd haar de deur voor het gezicht geslagen en riep men haar toe:

- Goa wig! goa wig! We 'n hên mee den duvel niets te moaken!"

In wanhoop wendde zij zich tot den pastoor.

Ernstig dacht hij even na, toen antwoordde hij:

- Van Alleijnes was 'n greute zondoare, moar hij hé hem gebeterd veurdat

hij stierf, en noar d' Helle 'n zal hij nie goan. Ik geef ou de

permissie hem in gewijde eirde te begroaven, percies en zeu goed as den

iesten den besten mijner prochioanen; moar wa kan ik er aan doen, as er

hem niemand 'n wil droagen? 'K 'n kan 'k hem toch zelve nie goan

hoalen!". . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . .

Zij wendde zich tot Velghe en vroeg hem het lijk met zijn paard en wagen

naar het kerkhof te willen vervoeren.

- Beste vrauwken," antwoordde Velghe, haar zoo spoedig mogelijk uit zijn

huis leidend, "ik 'n zoe nie beter vroagen as ou dien dienst te meugen

bewijzen, moar 't es onmeugelijk; 'k zoe mij de vijandschap van de heule

gebuurt op den hals joagen; 'k 'n zoe hier nie mier keune leven."

En in het ledikant bleef het lijk liggen, grijnzend in zijn bokkenhuid

gewikkeld....

Zij hadden het vel er niet af kunnen krijgen, zij hadden den doode niet

kunnen afleggen!.... Zóó wild-krampachtig hadden zijn hakige vingers

zich in het bokkevel vastgeklauwd, dat ze zijn armen zouden moeten

breken, om hem er uit te krijgen. En die bijzonderheid, in het gehucht

gekend, waar de twee vrouwen het in haar gruwel hadden uitgegild,

versterkte nog de bewoners in hun overtuiging dat het de duivel zelf

was, die daar nu nog "over eirde" lag. Bij den schrijnwerker der buurt

had vrouw Van Alleijnes de doodkist besteld, en die had er wel in

toegestemd ze te maken, maar geweigerd ze aan huis te leveren. Hij zou

ze 's avonds vóór zijn deur zetten, waar de twee vrouwen, na betaling,

ze maar zelve moesten komen halen.

* * * * *

Voor de tweede maal, dan, ging vrouw Van Alleijnes, door haar dochter

vergezeld, bij den pastoor aanbellen.

De meid berichtte haar, dat hij voor enkele dagen op reis was, en de

zijn plaats vervangende coadjutor zei haar, dat hij niets anders doen

kon dan de, hem door zijn overste nagelaten instructiën, te volgen.

Dan ging ze naar het kasteel bij den baron, die ook de burgemeester van

het dorpje was. Maar de baron was insgelijks op reis, ergens heel verre,

vertelde een der knechts, en zou vóór weken niet terug zijn.

- Hawel, 't es goed!" riep de vrouw eensklaps woedend. "We zillen hem

zelve begroaven, zonder d' hulpe van al die lafoards!"

En vastberaden keerden zij weer naar het verre gehucht.

* * * * *

De nacht was gevallen. Zij liepen haastig door het eenzaam veld,

tusschen de hooge, rijpe korenakkers, over welks zwaargebogen aren

geruischloos-fladderende vledermuizen zweefden.

De lucht was zwoel, met laag-drijvende wolken, broeiend van onweer.

- Ge moet mij helpen," sprak de vrouw, gebiedend, tot haar dochter.

- Woaraan?" vroeg het meisje, die in stilte weende.

- Da zilt-e wel goan zien."

En nog gejaagder snelde zij vooruit.

* * * * *

Zij kwamen aan het huisje. Vrouw Van Alleijnes opende de voordeur met

den sleutel en zij traden binnen.

In een hoek der keuken stond de den vorigen avond gehaalde doodkist van

ruw, ongeverfd hout, spookachtig wit langs den muur als een liggend

lijk. In 't kamertje, waar een klein lampje brandde, lag Van Alleijnes,

steeds in zijn bokkenhuid gewikkeld, in het lage bed.

De vrouw ging naar het achterhuis en nam er uit een hoek twee spaden.

Zij gaf er een van aan haar dochter.

- Kom mee," sprak zij.

- Moar, moeder, wa goa-je toch doen?"

- Kom mee, zeg ik ou, ge zilt 't zien."

En weer verlieten zij het huisje.

De zoele nacht was zwart als kool. Geen star aan het ondoordringbaar

uitspansel; geen boom of staak zichtbaar den weg afbakenend. Alleen van

tijd tot tijd een blauwachtig weerlicht, in breeden gloed opflikkerend,

en na een poos, heel in de verte, een dof-rollend geroffel van donder.

- Moeder! moeder! woar goan we toch noar toe?" vroeg angstig het meisje.

- Noar d' heije**," antwoordde zij.

* * * * *

Zij kwamen op de heide....

- Wacht 'n beetsen," zei de vrouw. En zij bleef even stilstaan.

Aan den gezichtseinder vlamde een weerlicht op. De breede blauwe gloed

verlichtte even de hobbelige vlakte, omlijnend scherper als bij

daglicht, een eenzaam groepje kromme sparretjes, een rozig-bloeiend

plekje heidekruid, een goudgelen, naakten zandheuvel.

- Nog veuder," sprak de vrouw.

En, in het hol geroffel van den verwijderden donder, liepen zij

strompelend verder.

- Hau stille," sprak zij voor de tweede maal, haar dochter bij de mouw

grijpend.

En bij een nieuw, fel-glinsterend weerlicht, zagen zij zich in 't midden

eener dorre vlakte staan, tusschen twee gele zandheuvels.

- Hier!" sprak de moeder.

- Wat hier?" vroeg het meisje.

- Voader begraoven....."

- O moeder!"

- Doe wa da 'k ou zegge," beval de vrouw. En zij begon te delven.

* * * * *

In enkele minuten tijds, bij het reusachtig opflikkeren der weerlichten

en het dof-somber-rollen van den verren donder, hadden zij den kuil

gegraven. Toen keerden zij weer huiswaarts.

Vrouw Van Alleijnes stak in het keukentje de lamp aan, en met haar

dochter droeg zij de doodkist in 't kamertje, en trok die open. Dan kwam

het vreeselijk moment. Haar angst en gruwel overwinnend, sloegen zij

snikkend de armen om de monsterachtige gedaante van den overledene, en

gaven hem een afscheidskus op de in foltering verwrongen lippen. En

zonder nog te pogen hem uit het akelig, om zijn lijf geknelde bokkevel

te krijgen, tilden zij hem op bij schouders en beenen, en legden hem in

de doodkist.

Met spijkers werd het deksel er op vast geslagen; met andere spijkers,

voor en achter, werden twee draagriemen, waarmee Van Alleijnes vroeger

in den kruiwagen reed, aan de kist bevestigd. En zoo hieven moeder en

dochter de doodkist op en gingen zij er schreiend mee naar buiten.

* * * * *

Dreigender kwam 't onweer op. Met kortere tusschenpoozen flitsten

verblindend violette weerlichten, dapper gevolgd door luider en luider

bulderende donderslagen. Soms was de gloed zóó schel, dat zij in

't blonde koren waar de kist schommelend langs schoof, de roode en blauwe

bloemen zagen schitteren; het oogenblik daarna was alles zóó pikdonker,

dat zij zelfs elkaar 's gebogene gestalte niet meer zagen. Het

angstzweet brak haar uit, en bij elk weerlicht sloegen zij sidderend een

kruis, onder den last der doodkist door haar weifelende beenen zakkend.

Uitgeput kwamen zij eindelijk aan de groeve. Zij zetten de kist op den

rand, en knielend, met gevouwen handen, zegden zij een bede op. Heete

tranen rolden over haar wangen, en groote regendroppels begonnen te

vallen, hard openspattend op het hout der kist.

Toen lieten zij die in de groeve neer. Met een ruk trokken zij de riemen

los, en hol-bonzend in het hol gebulder van den donder, vielen de

aardkluiten op de doodkist.

Harder, in breede, rechte stralen, stortte de regen neer. Zijn

aanhoudend gedruisch verdofde het dreunend geluid van den donder, en de

bliksemvlammen smolten weg in wazig blauwgrijs.

De groeve was gevuld. Druipnat trapten de vrouwen de laatste zoden vast.

En, met een laatste, snikkend vaarwel, verlieten zij ijlings de heide.

Het onweer trok af. Alleen de regen bleef aanhoudend vallen, in breede,

lauwe stralen van eentonig ruischen.

Uit de gedrenkte aarde wasemde zacht een geuren-atmosfeer van frischheid

en herleving....

Te Lande · 第 15 / 32 题