I Mei, de lang gevreesde dag.

Zijn vrouw en zijn dochter, die niets hadden gedaan dan schreien, de

laatste dagen, zagen hem, in stomme neerslachtigheid, zijn schikkingen

nemen. Hij zelf was zenuwachtig-gejaagd, 't gelaat bleek en de oogen

verwilderd, onbekwaam iets te eten of te drinken. Hij poogde haar

nochtans hoop en troost in te boezeroen, zeggend dat de laatste kans nog

niet verloren was hun eigenaar tot een nieuw uitstel van betaling over

te halen. En hij vertrok, de schouders gebogen, de beenen knikkend,

berichtend dat hij wellicht eerst met den laatsten trein terug zou

komen.

Even na vier uur was hij in de stad. Wat gedaan? Hij kon noch durfde

daarheen gaan, ginds in 't akelig steegje, vóór half negen. Hoe

vreeselijk als iemand hem daar bij klaren dag zag aanschellen! En ook

waartoe zou het baten? De duivel dreef natuurlijk slechts zijn lugubere

handel 's avonds en 's nachts.

Doelloos, als verloren, slenterde hij een tijdlang door drukke straten.

Hij keek soms de voorbijgangers aan en vroeg zich af of ze niets

buitengewoons aan hem merkten. En voor de ramen van de rijke winkels

verzonk hij in langdurige, kwellende bespiegelingen. Ach! had hij maar

het tiende, het honderdste, het duizendste gedeelte van wat daar

uitgestald lag! Wat een weelde toch in die groote steden! Wat een geluk

zooveel te bezitten! Tien jaar, twintig jaar, zijn leven lang zou hij

zijn pacht betaald hebben, met slechts een klein gedeelte van wat daar

voor die breede, schitterende ramen lag! Ach! ach! en hij die voor een

stuk droog brood zijn ziel moest gaan verkoopen!....

Hij werd bang. Bang dat hij iemand van zijn dorp zou ontmoeten, die hem

zou vragen wat hij in de stad kwam doen, en wellicht met hem rond zou

willen loopen. Hij drong door in kleinere, minder bezochte straten; hij

verdwaalde. Hij moest aan een politie-agent den weg vragen. En, terwijl

de stadsbeambte hem dien wees, vroeg hij zich angstig af, of je ziel

verkoopen aan den duivel door de wet niet was verboden, en of die man,

zijn bedoeling kennend, het recht niet hebben zou hem bij den kraag te

grijpen, en hem naar de stadsgevangenis te brengen.

Eindelijk strekten zich de avondschaduwen over de straten uit en de

lantarens werden aangestoken. Hij voelde dat het schrikkelijk moment

gekomen was. En daar hij zich flauw en bevend voelde, bekwaam vóór de

lugubere deur ineen te zakken alvorens de afgrijselijke koop was

afgehandeld, ging hij binnen in een herbergje, en dronk er twee groote

borrels jenever aan de schenktafel, om kracht en moed te krijgen.

Toen liep hij er heen, met vastberaden wilskracht.

* * * * *

Dáár komt hij in het straatje.

Alleen, geen mensch in 't zicht.

Het straatje somber, de oude ruige huizen zwart, slechts één lantaren,

maar juist in de bocht, vlak vóór de akelige groene deur!

Wat vreeselijk dat ze juist dáár moet branden, die lantaren! Al wie in

het steegje komt, 't zij rechts, 't zij links, kan zien wat er gebeurt

aan 't groene deurtje. Er staat een lantaren vóór het duivelshuis, als

vóór een huis van ontucht.

Maar,.... er is gelukkig toch niemand op dit oogenblik; en bevend, met

stokkenden adem en knikkende knieën, den geest duister, de slapen

ruischend, snelt hij, ineengekrompen, met rassche, stille schreden,

langs den donkeren muur naar 't deurtje.

Zie zoo, hij is er.... Nog een laatste maal kijkt hij angstig rechts en

links om, en dan, meer dood dan levend, den mond hijgend open en 't hart

als onder hamerslagen bonzend, steekt hij zijn sidderende hand uit naar

de schel, en trekt.

Een schok vaart door zijn lijf bij 't fijn geklingel van een belletje

daarbinnen, en even staat hij roerloos, klaar om te vluchten, indien hij

iemand in het straatje hoorde komen.

Maar niemand vertoont zich, en een halve minuut gaat voorbij, een eeuw,

waarin Van Alleijnes zich niet meer voelt leven. Toen wordt de deur half

geopend en een man treedt te voorschijn, oud reeds en gebogen, met

grijzen baard en zwartfluweelen muts, en die, den knop der deur nog

vasthoudend, Van Alleijnes met een mengsel van wantrouwen en

verwondering aankijkt.

"Zijt-e gij den duvel?" wil Van Alleijnes vragen. Maar de woorden

blijven hem stokken in de keel. En, terwijl hij zich krampachtig, uit al

zijn macht, met de linkerhand aan het lijstwerk van den muur vastklampt,

kan hij slechts met heesche, haast onverneembare stem stotteren:

- Zijt.... zijt-e gij hem? of zijt-e gij maar de koster?"

Verbaasd zet de man groote oogen op.

- Wie hem? wa wilt-e zeggen?" vraagt hij na een oogenblik.

- Of ge gij den duvel zijt,.... of wel zijne koster, fluistert Van

Alleijnes nog stiller, met een siddering die heel zijn lichaam schudden

doet. "'K kome mijn ziele verkeupen...."

De man schrikt bijna achteruit bij deze woorden, maar dadelijk komt in

zijn blik een vlammetje van spotternij, dat zijn bleek, rimpelig gezicht

als met een glans van jeugd en pret opvroolijkt.

- Wa zegt ge?.... wa vraogt ge?.... of da 'k den duvel ben?" herhaalt

hij een paar keeren, als om zichzelf den tijd tot nadenken te geven. En

eensklaps over zijn verbluftheid heen:

- Nien ik, vriend," antwoordt hij; "den duvel 'n es op 't eugenblik nie

thuis, moar meschien kan ik ou toch wel helpen. Wa wilt-e, zegt ge? Wat

verlangt-e?"

- Mijn ziele verkeupen," stamelt Van Alleijnes haast levenloos.

- Zeu, zeu; ou ziele verkeupen.... en hoeveele vroagt-e doar azeu wel

veuren?"

- Twiehonderd fran."

De man, even een lachje bedwingend, doet alsof hij ten hoogste verbaasd

en haast geërgerd is:

- Wàtte!.... tweehonderd fran veur 'n boereziele! Zijt-e nie wel wijs

dan, jongen?" Van Alleijnes staat als 't ware duizelig geslagen. 't Is

waar: zijn ziel is maar een boerenziel! Die is natuurlijk minder waard

dan andere zielen! En alles gaat nu ook zoo slecht: zelfs de zielen,

heeft Velghe hem gezegd, zijn haast geen geld meer waard.

- Hawel, hoeveele wilt g' er veure geven?" vraagt hij wanhopig.

- Hoeveele?.... honderd vijftig, meschien," antwoordt de man, die zijn

lachlust haast niet meer bedwingen kan. "Moar weet-e watte, vriend: kom

liever morgenoavond ne kier weere. 't Es hier vergoarijnge morgenoavond,

en 'k zal den du.... de.... den boas over ou zoake spreken. Hè je

't verstoan, morgen, à peu pré dezelven tijd? Goên aovend."

De deur gaat dicht, en bedwelmd staat Van Alleijnes weer in 't donker,

eenzaam straatje.

Hij blijft een oogenblik als versuft op den drempel staan, en dan

struikelt hij denzelfden weg terug, waggelend alsof hij dronken is.

* * * * *

Den volgenden avond, op klokslag half negen, was hij terug in

't straatje.

Thuis had hij aan zijn vrouw gezegd dat de eigenaar afwezig was, maar

dat de meid hem verzocht had den dag daarna terug te willen komen. En

heel den nacht had hij geleden als een martelaar, nu eens zijn half

mislukte plan opgevend, dan weer als aan een laatste reddingsboei er

zich aan vastklampend, zóó vreeselijk gefolterd, in zulk een

overspanning van den geest, dat het in hem als tot een soort van waanzin

was gestegen, en hij nu weer de dood als een verlossing zou beschouwd

hebben.

Opnieuw, evenals den vorigen avond, ontwaarde hij geen mensch in

't straatje. Haastig sloop hij naar de deur en schelde aan. Dezelfde man

met grijzen baard en zwart-fluweelen muts kwam open doen.

- Haha! ge zij goed op ouën tijd, zulle!" glimlachte hij. En hij

verzocht den boer te willen binnenkomen, zeggend op aanmoedigenden toon:

- Wacht 'n beetsen; den boas es hier; 'k zal hem goan verwittigen."

Van Alleijnes, die zich, evenals den vorigen avond, krampachtig met de

linkerhand aan 't lijstwerk van de deur hield vastgekneld, voelde van

angst zijn knieën knikken.

- Ach! zoe 'k nie beter doen moar hier aan de deure te blijven?" vroeg

hij met zwijmende stem.

- Nie, zeker niet," antwoordde de man. "Azeu'n zoake 'n kan woarachtig

op stroate nie behandeld worden."

En, met geweld schier, trok hij Van Alleijnes binnen, en sloeg achter

zijn rug de deur toe.

- 'N beetse wachten," herhaalde hij; en hij verdween rechts, in een

deur.

* * * * *

Van Alleijnes voelde zich om zoo te zeggen niet meer leven. Het

angstzweet barstte hem uit, zijn bleeke oogen waren troebel, zijn hart

hield even op met kloppen, en als hij zich niet aan den muur had

vastgehouden zou hij omvergevallen zijn. Had hij nog maar de kracht

gehad om te vluchten, hij zou het gedaan hebben; maar hij was in eens

machteloos, als met lamheid geslagen. Zijne van wilden schrik wijd

uitgezette oogen staarden in de diepte van den langen, slecht verlichten

gang waarin hij zich bevond, en elk oogenblik verwachtte hij een

vreeselijke catastrophe: de plotselinge, uit den grond opschietende

verschijning van het monster, den duivel, die hem met de woestheid van

een verscheurend dier op 't lijf zou springen, en in een oogwenk met hem

onder de aarde, in de vlammen der Hel zou verdwijnen.

En eensklaps zag hij hem komen, links, uit een der deuren van de gang.

Een gestalte die hem echter voorkwam als die van een gewoon mensch,

groot, sterk, fiks, ietwat zwaarlijvig, met langen, bespikkelden baard

en lorgnet, de overjas open en den hoed achterover op het hoofd. Hij

leek eenvoudig op een heer, en 't was ook met een zeer natuurlijken,

ietwat zwaren menschenstap, dat hij tot Van Alleijnes kwam, en met een

zeer gewone menschenstem, alleen een beetje raar en haperend in de

uitspraak, alsof hij niet goed Vlaamsch kon, dat hij tot den van schrik

vernielden boer het woord richtte, hem tegelijkertijd, met een peilenden

blik uit de hoogte, van het hoofd tot de voeten opnemend:

- Kij sijt hier gister euk geweest; kij hêt aan de peurtier gezeid, dat

kij zoedt willen uwe ziel verkeup?"

- Joa ik, meniere," murmelde Van Alleijnes, die zich ineen voelde

krimpen.

De heer slaakte een korten, scherpen lach en schudde schouderophalend

zijn hoofd.

- Zeg ne kier, vriend, wie hêt er u da toch wijs gemaak?" vroeg hij.

- Velghe, mijne gebuur meniere," antwoordde Van Alleijnes haast

onhoorbaar.

- Wie, zegt kij?"

- Velghe, mijne gebuur."

- Euk 'nen boer?"

- Euk 'nen boer."

- En hoeveele was 't euk, dat kij vroeg veur uw ziel?"

- Twie honderd fran, meniere, om d'r mijne pacht mee te betoalen."

Opnieuw schudde de heer het hoofd, en een glimlach, als van medelijden,

kwam op zijn gelaat.

- Hoe is uwe naam?" vroeg hij.

- Bruno Van Alleijnes."

De heer haalde een boekje uit zijn jas en begon op te schrijven. Van

Alleijnes, een oogenblik gerustgesteld, ging opnieuw aan 't sidderen.

- Waar weunt kij?"

- Te Sint-Maria-Axpoele."

Opnieuw schreef de heer op. Met wijde oogen van angst en verwildering

staarde Van Alleijnes hem aan.

Dan haalde de heer twee bankbiljetjes uit zijn boekje.

- Vriend, luister ne kier goed," sprak hij. "Hier heb kij de twiehonderd

frank. _Ik_ geef ze u. Den duvel, waar dat kij veuren zijt zeu schouw,

es iets dat nie bestaat. Wie hier verblijft 'n es der duvel niet, maar

wel 'n compagnie van ierlijke meinsch, die veur doel heb de oarme

meinsch en de ongelukkigen te help. We zijn wij de Vrijmetseloars, de

francs-maçons, gelijk wij zeg in 't Fransch. We willen wij niets weet

van curé of van kirk, en doarom vallen de giestelijk ons aan, en

schelden zij ons uit als volksvijand. Den duvel, vriend, 'n es niets dan

'n uitvindijng van de curés, waarmee dat zij onwetende meinsch gelijk

kij de schrik op 't lijf jaag, en ze in ulder macht hou. Voilà. Ga gij

nu maar gerust naar huis en geleuf, dat kij niet sijt kwijt uw ziel."

Hij legde de twee bankbiljetten in Van Alleijnes' bevende hand, en

opende de deur. Maar even deed hij ze weer dicht om aan den boer nog te

vragen:

- Sijt-e kij ook électeur, vriend?"

- Woa b'lieft er ou meniere?" vroeg Van Alleijnes, die dat fransche

woord niet begreep.

- Of kij ook kiezer sijt?"

- Joa ik, meniere," antwoordde Van Alleijnes.

- Hawel, vriend, alles wa da 'k veur mijn gift van u verlang es, dat

kij, in d' aanstaand kiezijng, veur ons, liberaal, zoedt stem. Wilt kij

mij dat beloof?"

- Joa ik, meniere, da belove 'k ou," antwoordde nogmaals Van Alleijnes.

- Vaarwel dan. Geluk en veurspoed."

En, met die woorden, was Van Alleijnes de deur uit.

* * * * *

Een heele week lang, na het bezoek in 't straatje, voelde hij zich

onuitsprekelijk gelukkig en gerustgesteld.

In die eerste dagen van loutere vreugd en geluk dacht hij zelfs niet

eens meer aan de vreemde manier waarop hij dat geld der redding had

verkregen; zijn geluk was zoo intens groot, dat het hem haast natuurlijk

voorkwam het aldus gehad te hebben. En hij was ook niet te biecht

gegaan, hij hechtte geen geloof meer aan den duivel, hij voelde dat zijn

buurman hem had voor den gek gehouden, hij wist zeer goed nu dat hij

zijn ziel volstrekt niet kwijt was.

Denzelfden avond dat hij ze ontving was hij de tweehonderd franken aan

zijn eigenaar gaan brengen; en thuis had hij aan zijn vrouw en zijn

dochter gezegd, dat de eigenaar, op zijn dringend smeeken, hem nog eens

zes maanden uitstel van betaling had toegestaan. O! wat een vreugd in

zijn gezin! Het was de redding, de verlossing. Over zes maanden, indien

zij niet door alle mogelijke rampen overweldigd werden, zouden zij zeker

den vervallen termijn kunnen betalen; en verder, door hun onverpoosd

zorgen en sjouwen, het wel zoo weten te schikken, dat zij ook nog het

volgend jaar op hun dierbaar hoevetje konden blijven. 0! het was een

onverhoopt herleven, op het oogenblik dat zij niets meer zagen in de

toekomst, dan de nijpendste ellende, en misschien den dood.

En met haar, gedurende die eerste dagen, had Van Alleijnes, zonder de

minste geheime kwellende gedachte, zich heerlijk verheugd. Hij dacht

niet meer aan 't akelig verleden, hij zag alleen, evenals zij, nog

't lachende der toekomst in. Acht dagen duurde dat zoo. Toen kwam hij

stilletjes aan weer tot bedaren, en kalmer begon hij na te denken over

de ontzettende gebeurtenis, die voorloopig zijn materieel geluk

verzekerd had.

Hoe wonderbaar, hoe ongeloofelijk-wonderbaar was alles toch gegaan! Hoe

was 't mogelijk, dat die heer, dien hij van verre noch van nabij kende,

en dien hij eerst beschouwd had als den duivel, hem zoo grootmoedig weg

in eens tweehonderd frank gegeven had!

Tweehonderd frank! Voor Van Alleijnes een enorme som! Tweehonderd frank!

zoo maar in eens weggegeven, zonder er iets in de plaats voor te

eischen! alleen de belofte, de vage mondelinge belofte in de aanstaande

verkiezingen voor de liberalen te zullen stemmen. Het was ontzettend!

Hoe meer hij er nu over dacht, hoe minder hij begrijpen kon, waarom die

onbekende heer hem zulk een som had willen geven....

Waarom?... ja, waarom dan eigenlijk mocht hij dat wel gedaan hebben? Uit

liefdadigheid?... zoo maar uit loutere liefdadigheid?... Zie, dàt kon

Van Alleijnes toch haast niet gelooven. Het was te veel, te veel,

ontzettend veel te veel! Daar moest iets anders achter schuilen! Men gaf

zoo maar niet in eens twee honderd frank weg, uit louter liefdadigheid.

Daar was iets anders, iets anders. Maar wat dan?...

Zijn ziel!!!!

't Was als een lange scherpe schicht, die plotseling Van Alleijnes' hart

doorboorde. Zijn ziel!... Zou het dan toch wèl zijn ziel zijn, die de

man gewild had!... Was hij dan toch wèl de duivel en niet de man van

liefdadigheid dien hij zegde te zijn . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . .

't Was op een heerlijk zachten avond, vol geuren van bloemen en

droomerige stilte, dat Van Alleijnes, naast zijn vrouw en dochter in de

duisternis vóór de deur van zijn huisje gezeten, eensklaps, zonder dat

iets er aanleiding toe gaf, dezen gruwelijken argwaan in zich voelde

opbruisen!....

Eerst joeg hij 't schrikbeeld weg, als iets onzinnigs, en sloot met

wilskracht zijn oogen en zijn geest voor 't al te overweldigende ervan.

Kom, kom,... dat was immers maar gekheid, en die heer had er hem alles

van verteld! Maar langzaam kwam het weer in hem gedrongen, zijn hart als

met een stalen klauw omprangend. Wat was 't dan toch? En hoe was 't ook

gebeurd? Kon hij zich nog herinneren hoe of 't gebeurd was?...

Jawel,.... jawel,.... en heel eenvoudig en natuurlijk was

't geweest.... De onbekende heer was door een zijdeur in de gang gekomen,

had eventjes met hem gesproken, hem naar zijn naam gevraagd, en waar hij

woonde. Dan had hij zijn boekje.... Plotseling voelde van Alleijnes over

zich een koude rilling komen. Plotseling, als in een verblindend

weerlicht, ging een afgrijselijke afgrond vóór zijn voeten open. En

't werd terstond in hem een overweldigende, verpletterende zekerheid. Die

man was wèl de duivel, vermomd onder menschengedaante; en dat boekje, o!

dat was 't boekje der Hel, waarop hij, bedriegelijk, op een echt

helsche, duivelsche manier, Van Alleijnes' ziel had ingeschreven! Hij

was ze kwijt, zijn ziel! Hij liep verdoemd op aarde! Hij zou ten eeuwige

dage branden, in de onnoemelijkste folteringen van de Hel!....

Met een wilden gil vloog van Alleijnes op. En met zijn beide handen

greep hij naar zijn hart, als in den waan of hem, ook lichamelijk, reeds

iets ontbrak. Verschrikt vlogen zijn vrouw en dochter hem na.

- Wa es't er? wa schilt er dan?" riep de eerste, hem angstig achterna

snellend.

- 'K 'n weet 't niet! 'k 'n weet 't niet!" antwoordde hij schor. "'t Es

hier, hier, aan mijn herte! 'K goa 'n beetse leupen!.... 'n beetse

leupen."

En met gebogen hoofd trok hij de velden in, zijn vrouw en dochter

stom-verbaasd op den drempel van het huisje latend.

Hij liep, als gek, recht vóór zich heen, dwars over landouwen en door

struikgewas, strompelend over aardkluiten en boomwortels, hijgend, met

het angstzweet op 't lijf, zóó vreeselijk ontsteld, dat hij niet meer

wist wat hij deed. En voortdurend hield hij, uit al zijn macht, zijn

beide handen op het hart gedrukt, zichzelf den adem afsnijdend, zichzelf

vastknijpend en vastknellend, in de onzinnige illuzie dat hij daarmee

zijn ziel, die wellicht nog niet gansch verdwenen was, in zich zou

kunnen houden.

Na enkele minuten van dat onstuimig hollen hield hij plotseling palstil.

Wat was er met hem? Werd hij dan bepaald krankzinnig? Zou hij ter

plaatse dood vallen? Was het reeds de duivel die hem in zijn klauwen

greep?...

Hij gilde 't uit, in een afgrijselijken noodkreet; hij holde verder, den

rug gekromd, de handen op zijn hart, recht naar het dorp.

* * * * *

- Menier de paster!.... woar es menier de paster! Roept hem, hoalt hem,

'k moe hem seffens*) spreken!...."

*) Oogenblikkelijk.

De oude meid, verbaasd en verschrikt bij 't gezicht van dien ontstelden

man, die zoo laat voor de pastorie kwam aanbellen, had de deur slechts

met een reetje geopend, en poogde die weer dicht te krijgen, met een

"'t es te loate, kom morgen uchtijnk," den boer wegzendend. Maar in zijn

wilden angst had Van Alleijnes reeds zijn klomp tusschen het lijstwerk

en de deur geduwd, en nu klampte hij zich ook uit al zijn macht aan den

muur vast, beurtelings smeekend en razend, met een stem, die haast geen

menschenklank meer had.

- 'K moe hem spreken, zeg ik ou! 'k moe mijn biechte spreken! 'K ben

verdoemd! Ach! Aïe! Den duvel pak mij aan! hij hé mijn ziele! mijn

ziele! mijn ziele!"

De pastoor kwam op 't geluid in den gang en naderde de deur. Van

Alleijnes slaakte een kreet van foltering en hoop, en, met ruw geweld de

meid op zij duwend, sprong hij binnen en viel snikkend vóór den pastoor

op zijn knieën.

- Kom hier," sprak kalm de geestelijke, hem in een zijkamertje

voorgaande.

* * * * *

Groot, lomp, zwaar, met grove, blauwe oogen in een stuursch gezicht,

hoorde de pastoor, in het kil, ongezellig kamertje, enkel gemeubileerd

met een paar stoelen en een enorm ivoren Christusbeeld, Alleijnes zijne

biecht spreken....

Hij liet hem tot het einde zonder onderbreking uitspreken, maar van

lieverlede kwam een expressie van toorn over zijn hooger kleurend

gezicht, en een paar keeren kruiste hij geweldig de armen op zijn borst,

met een verontwaardigd "ho!" stampvoetend op den rooden tegelvloer. En

toen het uit was schudde hij zijn hoofd en zei beslist:

- 'T es afgrijselijk! 'K 'n kan ou gien absolutie geven."

Van Alleijnes kromp van foltering in elkaar.

- O, menier de paster, ik smiek ou! ik smiek ou!" snikte hij.

- Onmeugelijk, ou misdoad es te schrikkelijk," herhaalde ruw de

geestelijke. "'K moet er iest mee Monseigneur den biskop over spreken."

Van Alleijnes viel met gevouwen handen op zijn knieën.

- Genoade, genoade, menier de paster. Mijn benauw es zeu greut, zeu

oprecht! 'K ben geried om 't es gelijk welke boetveirdigheid te

doen!"!...

- Onmeugelijk, zeg ik ou!" schreeuwde de priester met fonkelende oogen.

En ruw Van Alleijnes bij den schouder schuddend om hem te doen opstaan:

- Kom binnen drei doagen weere: dan zal 'k meschien antwoord hên,"

snauwde hij hem toe.

En onverbiddelijk zond hij hem de deur uit.

* * * * *

Gedurende drie dagen en drie nachten werd Van Alleijnes' leven als het

ware een aanhoudende, afschuwelijke nachtmerrie. Zijn bezoek bij den

pastoor had hem nog meer en meer versterkt in de verpletterende

overtuiging, dat hij wel werkelijk zijn ziel aan den duivel verkocht

had. Hij wist met zekerheid, nu, dat hij in staat van doodzonde leefde,

en dat hij, in geval van sterven, recht naar de Hel zou gaan.

De Hel!... Het eeuwigdurend branden in de ijselijkste folteringen!

Eeuwigdurend!... duizenden na duizenden van jaren, altijd, altijd door,

tot het oneindige van het oneindige!... Hij herinnerde zich oude

catechisatie-lessen, van in den tijd nog toen hij voor zijn Eerste

Communie leerde, en ook sermoenen van zendelingen en paters, waarin de

folteringen der Hel onder zulke vreeselijke kleuren waren afgebeeld, dat

de menschen in de Kerk elkander voelden sidderen, en waarin de predikers

bij middel van vergelijkingen, een concreete, bijna handtastelijke

voorstelling van die folteringen trachtten te geven.

"Verbeeld u," zoo had er, op een avond, een gepredikt, "verbeeld u een

ijzeren bal, duizendmaal grooter dan deze kerk, waar, éénmaal om de

duizend jaar, een slak over heen zou kruipen. Welnu, als deze bal,

duizendmaal grooter dan deze kerk, door de slak, die er maar éénmaal om

de duizend jaar zou over heen kruipen, versleten zoude zijn, dan nog zou

de onberekenbare tijd die daarvoor noodig is, niet eens het duizendste

gedeelte van den tijd uitmaken, gedurende denwelke eene zondaarsziel in

de Hel zal moeten branden."

En dàt was nu zijn onvermijdelijk lot indien hij zonder absolutie kwam

te sterven! En, in het overweldigende van dat bewustzijn, voelde hij,

met reuzenschreden, den waanzin naar zijn hersens stormen.

Zeer duidelijk, nu, had hij de sensatie van iets ijls, iets leegs, iets

dat verdwenen was, dáár, vlak bij 't hart, in 't midden van zijn lijf.

Dat was de leege plaats van zijn ziel, ondanks al zijn wanhopige

pogingen om ze te houden, door den duivel er uit weggerukt! Zijn

ziel!... dat heel héél klein en nietig ietsje, verdwenen zonder de

minste lichamelijke smart, voortaan onvindbaar, verzwonden in den

afgrond der Hel, waar het reeds brandde zonder dat hij 't voelen kon,

met al de ontelbare andere zielen der andere zondaars! Alleen de

pastoor, met zijn absolutie, kon ze nog verlossen. Hij alleen wist

precies waar ze te vinden was, en met een enkel woord kon hij ze weer

tot zich roepen, en ze terug doen komen waar ze wezen moest, hier, hier,

in zijn lichaam. Maar er bestonden ook onvergeeflijke misdaden, welke

geen macht, zelfs niet de pauselijke macht kon kwijtschelden, en indien

zulk een misdaad ook de zijne was, dan was 't gedaan met hem. Zoodra hij

stierf zou zijn lichaam zijne ziel vervoegen, om samen met haar ten

eeuwigen dage in de onbeschrijfelijke pijnen van de Hel te branden.

Zou hij nu weldra sterven; of zou hij nog lang blijven leven? En wat zou

er met hem gebeuren als hij nog een tijd leefde?.,..

In hem zou _het Kwoad_ komen; want de duivel wordt ongeduldig als het

lichaam te lang wacht om zich bij de ziel te gaan vervoegen. Weldra zou

hij 's nachts _moeten_ omdwalen en "weerwolf loopen". Hij zou _moeten_

spoken, om de eenzame, ver afgelegen hoeven, en jonge kinderen en pas

bevallen kraamvrouwen den doodsschrik op het lijf jagen. En zijn

gelaatstrekken zouden van uitdrukking veranderen; het helsche vuur zou

in zijn oogen fonkelen; zijn vingers zouden hakig-krom groeien; en

telkenmale als hij een embleem van godsdienst zou ontwaren: een kruis,

een wijwatervat, een heilige hostie, een pastoor, zou hij afgrijselijk

lijden en _moeten_ vluchten, als een wolf, huilend van foltering. Nooit

meer zou er nog iets goeds in hem bestaan; al zijn levenskrachten zouden

voortaan ten dienste zijn van _'t Kwoad_.

* * * * *

Aan zijn vrouw, aan zijn dochter zei hij geen van al de gruwelijke

folteringen dier drie dagen. Hij zei alleen dat hij zich ziek gevoelde

en niets anders behoefde dan dringende rust. Op den avond van den

tweeden dag ontmoette hij zijn buurman Velghe, en daar de sluwe pachter,

verwonderd-grinnikend naar hem keek en vroeg wat hem schortte, voelde

Van Alleijnes zich op 't punt om flauw te vallen. Hij ook, die Velghe,

was een vijand. Het was immers door hem dat hij de woonplaats van den

duivel kende, en was 't om zoo te zeggen ook niet op zijn indirect

advies dat hij er zijn ziel was gaan verkoopen? Zou hij 't soms eens

zijn met den duivel? Was hij wellicht een makelaar in zielen?... En de

half-spottende, peilende blik, waarmee Velghe zijn ontdaan gezicht

scheen te ontleden, werd hem in eens zóó onuitstaanbaar, dat hij er

plotseling voor vluchtte, onder den overweldigenden indruk of hij nog

eens met den duivel in persoon gesproken had.

Den derden avond, eindelijk, zoo bleek en flauw, dat hij zich slechts

met moeite voort kon slepen, kwam hij in de duisternis weer naar de

pastorie en schelde aan.

De meid, die zijn komst verwachtte, liet hem ditmaal zonder mopperen

binnen; en dadelijk kwam de pastoor te voorschijn.

De uitdrukking van zijn gelaat was koud, barsch, gestreng. Door den

pijnlijken nevel welke zijn oogen verduisterde, meende Van Alleijnes in

zijn harden blik zijn doodvonnis te lezen.

- Zet ou doar," beval de pastoor op een korten, gebiedenden toon, den

sidderenden boer een stoel aanwijzend.

En toen deze gehoorzaamd had begon hij langzaam, met autoritaire stem,

te spreken.

Het bruisde zóó in Van Alleijnes' ooren, en alles was zóó troebel voor

zijn oogen, en alles draaide zóó verward door zijn hersens, dat het

minuten lang duurde voor hij iets van 's priesters woorden kon

begrijpen. Maar dan,... o, dan begreep hij het in eens,... begreep hij

dat hij de absolutie zou bekomen....'t Was als een groot heerlijk licht

dat plotseling tot den Hemel opflikkerde; 't was als de Hemel zelf die

eensklaps voor hem open ging in een zoo onmetelijke heerlijkheid van

zachtheid en vergiffenis, dat hij er eerst als vervoerd van opsprong, en

dan weer als verblind van in elkaar zakte, op zijn knieën vóór 's

pastoors voeten, en de lippen op zijn handen.

- Stoat op! staot op!" beval de geestelijke ruw. "Ge moet nie peizen da

g' onveurwoardelijk absolutie veur ou schrikkelijke zonde krijgt!"

En hij begon de penitenties op te sommen:

Eerst en vooral zoo spoedig mogelijk het geld teruggeven dat hij voor

den afschuwelijken koop gekregen had. Zoolang als dat niet gebeurd was,

zou zijn ziel blijven branden, zoo niet in de Hel, dan toch voorzeker in

het Vagevuur.

Daarna, gedurende drie maanden, om de negen dagen eene bedevaart naar

het parochiaal kapelletje van O.L. Vrouw van Lourdes, om, door

geschenken en gebeden, de hulp der Heilige Maagd tot het bekomen van

zijn absolutie af te smeeken.

Daarna, gedurende gansch een jaar, elken morgen en elken avond op zijn

bloote knieën voor het Christusbeeld een rozenkrans bidden om den

verdoemden geest des duivels te bezweren.

Daarna, dat sprak van zelf, in de aanstaande verkiezingen niet voor de

partij des duivels stemmen.

Kortom, met het oprechtste en diepste berouw over zijn afschuwelijke

misdaad, het vast voornemen hebben, nooit meer in de zonde te vervallen,

en voor eeuwig en altijd te verzaken aan den duivel en zijn

"pomperijen."

* * * * *

Van Alleijnes herleefde....

Daags na zijn absolutie had hij weer, evenals vroeger, de communie-bank

mogen naderen, en 't vleesch en 't bloed van Christus, onder den vorm

eener hostie door den pastoor op zijn tong gelegd en in zijn lichaam

neergedaald, had er den duivel uit verjaagd en hem zijn ziel teruggeven.

Wel had hij ze nog niet heel en al terug, wel wist hij dat ze nog steeds

in 't Vagevuur zou branden, maar zij was toch ontsnapt aan

't eeuwigdurende der folteringen, aan de vreeselijke klauwen van den

duivel, die ze nooit meer terug zou krijgen! En hij werkte en zwoegde,

hij gaarde, frank voor frank, alles daaraan opofferend, de som bijeen

die hem voor goed verlossen zou.

Na ettelijke weken had hij die vergaard. Op een donderdagavond, na het

verkoopen van enkele mutjes vlas, had hij de tweehonderd frank bij

elkaar.

- Kijk zie," sprak hij dubbelzinnig tot zijn vrouw, terwijl hij haar, in

zijn bevende hand, de schitterende vijffrankstukken toonde; "hier es

't geld woarmee 't verleden ons zal kwijtgescholden worden. Morgen goa 'k

er mee noar den eigenoare, en dan zien we mee nieuw hope naar de

toekomst."

- O joa," zei de vrouw als in een soort van vroomheid. "Goddank da we

toch nog nie àl te schrikkelijk beproefd 'n zijn." En hij ging.

* * * * *

Evenals de twee vorige keeren schelde hij, in de duisternis, vóór

't eenzaam deurtje aan. Maar no was hij niet bang meer, nu voelde hij zich

sterk, nu voelde hij in zich de kracht van God, die hem verlossen zou.

En zoodra de grijsaard met de zwart-fluweelen muts de akelige deur

geopend had, sprak hij kortaf, zonder te groeten:

- ' K kome de tweehonderd fran weere brijngen, die 'k hier indertijd

gekregen hé."

Verbaasd keek de man naar hem op.

- Woaromme? Dat 'n es nie neudig. Z'hên z'ou gegeên om ze t' haûen," zei

hij na een oogenblik.

- Joa moar 'k'n wil ze nie haûen," antwoordde Van Alleijnes beslist.

- Oh! as 't azeu es," zei de man, zijn schouders ophalend.

En hij verdween om zijn chef te gaan halen.

Evenals de vorige keer kwam deze weldra uit een zijdeur te voorschijn.

- Hè, vriend, dat 'n es niet neudig; kij meugt da geld houd, 't es ou

gegeef als hulp," sprak hij op zijn beurt, zeer vriendelijk.

Ondanks zijn haat en afkeer voor den duivel, voelde Van Alleijnes zich

bijna ontroerd. Maar hij dacht oogenblikkelijk dat die ontroering een

nieuwe, bedekte verzoeking van den duivel was; en, zich met wilskracht

stalend in zijn voornemen:

- Nie, nie," antwoordde hij, "'k'n wil 't niet!" En hij zocht een plaats

waar hij het hoopje vijffrankstukken zou kunnen neerleggen.

- Heb z'ou messchien weer schouw gemaak, vriend?" vroeg de heer, met

vorschenden blik Van Alleijnes' ontdaan gezicht ontledend.

- Nie, nie, 'k'n wil 't niet! 'k'n wil 't niet!" herhaalde de boer

zonder verdere uitleggingen.

En plotseling wierp hij de rinkelende stukken op den tegelvloer en

vluchtte weg.

* * * * *

Nu ontbrak er niets meer aan Van Alleijnes' vrede.....

Zoodra hij van de stad terug kwam was hij voor de tweede maal te biecht

en te communie geweest, en nu had de pastoor hem verzekerd dat hij zijn

ziel geheel en al terug had, en, in geval van overlijden, ten hemel zou

stijgen. Zelfs, toen Van Alleijnes hem vertelde van de moeite die hij

had gehad om den duivel zijn geld terug te doen nemen, drukte de

geestelijke haast zijn spijt uit dat de boer het niet weer meegenomen en

aan de Heilige Kerk gegeven had, om Satan met zijn eigen wapens te

bevechten. Maar de boer antwoordde dat hij nu, als boetveerdigheid, de

plechtige belofte had gedaan aan de parochiale kerk dezelfde som te

geven, die hij destijds voor zijn schrikkelijke misdaad had gekregen; en

toen de pastoor dat hoorde was hij een en al vriendelijke opgewektheid,

en verklaarde hij nogmaals met nadruk dat nu de laatste smet van Van

Alleijnes' ziel was uitgewischt, en dat God, in den hemel, zich innig

verblijdde over de gelukkige terugkomst van dat verloren schaap.

Eenige weken verliepen. Van Alleijnes, evenals iemand die aan een

langdurige, doodsgevaarlijke ziekte ontsnapt is, genoot van 't leven

zooals hem dat nog nooit gebeurd was. En 't kon hem weinig schelen dat

hij nu weer arm was, en zich misschien het volgend jaar toch aan de

treurige noodzakelijkheid: 't verlaten van zijn dierbaar hoevetje, zou

moeten onderwerpen: nu toch droeg hij opnieuw in zich den schat des

harten, het heerlijk gevoel van iets dat in hem was teruggekeerd toen

hij het onherroepelijk verloren waande, dat iets, opperste goed, zijn

ziel, die hij nu weer voelde leven in zijn lichaam, in een volzaligheid

van hoogsten troost en hoogste toekomsthoop.....

En toch, toch was er nog altijd iets, niet in hem, maar dáár, in de

nabijheid, om hem heen, welk hem soms hinderde: Velghe, zijn

buurman......

Telkens als hij hem weer zag, moest hij onvermijdelijk weer denken aan

het akelig verledene. Hij aarzelde om buiten te komen, wanneer hij

Velghe op zijn erf of in den omtrek ontwaarde; hij maakte een omweg door

de velden als hij dacht hem te gemoet** te zullen komen. En als

't gebeurde dat het toeval hem toch in zijn tegenwoordigheid bracht, dan

voelde hij zich gejaagd, niet op zijn gemak, en poogde zoo spoedig

mogelijk aan de ontmoeting een einde te stellen.

Het was, voor Van Alleijnes, eene nog steeds onopgeloste en onoplosbare

vraag, of, ja dan neen, Velghe met den duivel in betrekking stond. Nu

eens was hij stellig overtuigd van ja, en dat het wèl op zijn indirect

aandrijven was dat hij zich naar 't vreeselijk duivelshok begeven had;

andere malen geloofde hij daar niets meer van en beschouwde Velghe als

een mensch gelijk alle andere, goed huisvader en degelijk man, wiens

grootste gebrek alleen daarin bestond, dat hij een beetje spotziek was.

Spotziek!.... ja, dat was hij zeker. Spotziek, en ook fijn en listig,

peilend met zijn leuke oogen tot in 't diepst geheime van je innerlijk

wezen. En dat was juist de benauwdheid en wel eens de schrik van Van

Alleijnes, dat het hem steeds voorkwam of zijn buurman zijn geheimste

gedachten en gevoelens doorgrondde, en of hij alles wist wat in hem

omging.

Hij zag dat in zijn blik en in zijn glimlach, en 't kwam hem altijd voor

of Velghe steeds op 't punt was hem over al die geheime en schrikkelijke

dingen te ondervragen. Het kwam hem altijd voor alsof zijn buurman hem

bewaakte en bespiedde, en alsof hij, vroeg dan laat, wat hij ook deed om

er aan te ontsnappen, met hem zou af te rekenen hebben. En die

gebeurtenis, hij voelde 't vooraf, zou voor hem een marteling zijn.

En zoo deed het lang vermeden onvermijdelijke zich dan ook eens voor.

Op een avond, tusschen licht en duister, wijl Van Alleijnes met zijn

spade op den schouder van zijn akker terugkeerde, zag hij, aan een bocht

van het door 't hooge koren slingerend paadje, zijn buurman Velghe hem

te gemoet komen. Geen middel om er ditmaal aan te ontsnappen, als hij

zich tenminste niet brutaal onbeleefd wilde toonen. Een korte rilling

kroop over zijn rug, en hij wierp fluks een angstblik rechts en links,

als zocht hij naar een schuilplaats. Maar reeds stond de rijke boer vóór

hem, en sprak hij hem glimlachend aan, de armen op de borst gekruist,

als in groote verbazing:

- Wel! wel! wel!!!! We zoên wel geld geên om ou ne kier te zien! We

weunen gien drei menuten van mallekoar af, en 't es of heul de weireld

tusschen ons lag. Wa gebeurt er dan mee ou?"

Van Alleijnes, zich in het onvermijdelijke schikkend, poogde 't van den

besten kant op te nemen.

- 't Es woar," antwoordde hij met een lichte trilling in de stem en even

een verwilderde uitdrukking in zijn bleekblauwe oogen. "'t Es woar,

't es al lank geleên da we mallekoar nie mier gezien 'n hên; moar d'r es

euk zeuveel wirk in dezen tijd."

- 'K 'n wiste woarachtig nie mier wa peizen," herhaalde de boer, Van

Alleijnes met zijn scherpen blik strak aankijkend. "We 'n hên mee

mallekoar nie mier gesproken, geleuf ik, seder die kier as we soamen in

de stad geleupen hên, ge weet wel, in da stroatsen, doar woar ik ou

't Vrijmetseloarshuis geteund hê."

- 'T es woar, 'k geleuve dat 't tons de loaste kier geweest hêt,"

antwoordde Van Alleijnes, die zich bleek voelde worden.

- Weet-e wa da 'k gepeisd hê?" riep eensklaps de boer, met een nog

vorschender blik, waarin weer het leuk straaltje van spotternij

schitterde, zijn buurman tot in het wit der oogen aanstarend. "'K hê

woarachtig gepeisd da 'g ou ziel aan den duvel verkocht hadt!...

Van Alleijnes kuchte, en spuwde machinaal op zij, opdat Velghe's

scherpen blik de plotselinge ontsteltenis, die over zijn gelaat kwam,

niet zou zien. En eventjes poogde hij te lachen, maar met een stem zóó

schor, dat zijn gedwongen lach haast in een snik ontaardde.

- Woar goat-e noar toe?" vroeg eensklaps de boer.

- Noar huis," antwoordde Van Alleijnes, schuw naar Velghe opkijkend.

- Hawel, 'k goa zeu verre mee; 'k 'n hê toch niets te doen. En weet-e

wat: we zillen onderwig in _De Steekveugel_ 'n dreupelke pakken. Ik

trekteere."

En te gelijk keerde hij zich om en ging naast Van Alleijnes op zijn weg

terug.

Zij liepen enkele seconden zwijgend naast elkaar, in de rustige,

langzaam verduisterende schemering. In 't Westen, achter hooge, donkere

boomen-massa's, daalde de zon in een glorie van purper en goud, en over

de blonde, wijd-golvende korenvelden, sleepten zich stille schaduwen van

nacht. De lucht was zwoel, als broeiend van onweer; een muggezwerm dreef

gonzend met hen mede; nu en dan fladderden geruischloos vledermuizen om

hun hoofd.

Joa," herhaalde na een oogenblik de rijke pachter, "'k hê 't woarachtig

gepeisd. En 'k hê 't mij verweten da 'k ou doarover gesproken hâ, want,

zeu peisde 'k in mijn eigen, wie weet of 't hem nie schrikkelijk

aanpakt, ne kier as hij 't gedoan hêt. Want 'ne kier gedoan, blijft

gedoan."

Van Alleijnes sidderde. En, het ontsnapte hem, onweerstaanbaar, in

't knellende van zijn ontsteltenis:

- 't Es te zeggen,....as ge berauw hêt over ouw misdoad, en da de paster

ou absolussie geeft, dan es 't zjuust of dat er niets gebeurd 'n was."

Strak staarde Velghe Van Alleijnes in 't halfduister aan.

- Mient-e gij dâtte? Geleuft-e gij dâtte? Jongen, jongen, gelukkig dat-e

gij in 't geval nie'n zijt!"

Opnieuw ging Van Alleijnes even aan 't kuchen en spuwde links om zijn

ontroering te verbergen. Toen antwoordde hij schor, de stem haast

onhoorbaar:

- God es toch stirker as den duvel. Het "goeje" es toch stirker as

't "kwoaje." Maar Velghe schoot in een lach.

- Och, jongen toch, hoe kunt-e zeu onneuzel proaten? As 't goeje stirker

was dan 't kwoaje, hoe zoedt er dan zeu veel onrecht en ellende op de

weireld zijn! Moar, ala! doar 'n es gien misverstand meugelijk: van as

er iemand deur den duvel bezeten es, wordt-ie dat al gauwe gewoare.

- Hoe zeu dàtte?" vroeg Van Alleijnes.

- Wel Hiere Godheid! op alle meugelijke manieren, lijk of 'k ou vroeger

al verteld hê," antwoordde de boer.--As ge bijveurbeeld begint te voelen

da g' euk moet kwoad doen.

- Da g' euk moet kwoad doen?

- Wel joa; as ge bijveurbeeld 'nen afkier begint te krijgen van alles wa

da Godsdienst es: van de pasters, van 't Heilig Kruis of 't Heilig

Sacrament, van al wa dat de Kirk aangoat. Of as ge voelt da ge 's nachts

_moet_ "weirwulf leupen" en speuken op de verre boerderijen, om pas

bevallen kroamvrauwen den deudschrik op 't lijf te joagen.....

Van Alleijnes kon geen woord meer spreken. Hij liep ruim een minuut lang

in de droomerige schemering naast zijn buurman, zonder een klank te

uiten.

- Geleuft-e gij woarlijk dat de paster zelve daor niets mier 'n kan aan

doen, 'ne kier da g' ouw ziele verkocht het?" vroeg hij eindelijk, met

een stem die herhaaldelijk stokte.

- Niets mier, 't es absluut onmeugelijk. De paster peist somtijds wel

dat hij nog wa kan, moar 't 'n es gie woar, zulle!" verzekerde de boer.

Zij waren aan _De Steekvogel_.

- Ach! 't es eigenlijk te dwoas da we doarover wille klappen," zei

Velghe schouderophalend, als wierp hij een pak van zich af. "Kom, loat

ons hier liever ne koelen*) pakken.

*) Borrel jenever.

Maar sidderend was Van Alleijnes voor de kleine landelijke herberg

blijven staan.

- Nie, nie, ge zij bedankt, 'k 'n goa 't niet doen, 'k 'n hê gien

goeste,"*) stamelde hij.

*) Lust.

- Woarom niet?" riep Velghe verbaasd. "Ala toe toe, dat 'n kan gien

kwoad."

- Nie, nie, 'k 'n goa 't niet doen; 'k 'n voele mij nie heul goed van

den oavond.

En taai in zijn besluit zette hij schielijk zijn weg voort, den boer,

die reeds in het portaal der herberg was, alleen latend.

* * * * *

Het avondmaal,--pap met roggesmouterhammen--stond reeds klaar op een

laag tafeltje toen hij in huis kwam.

Hij zette zijn spade in den hoek, achter het houten schut, waschte zich

even de handen aan de houten pomp in 't achterhuis, nam een stoel en

kwam aan 't tafeltje naast zijn vrouw en dochter zitten, welke daar

reeds, met gevouwen handen en neergeslagen oogen, om de dampende schotel

haar avondgebed prevelden.

En daar hij ook, met gevouwen handen en ontbloot hoofd, halfluid begon

te mummelen, werd het hem plotseling onmogelijk zich meer dan de drie

eerste regels te herinneren van dat gebed, hetwelk hij, meer dan vijftig

jaren lang, ten minste driemaal daags had opgezegd. Tot vier keeren toe

begon hij telkens weer: "Onze Vader die in den Hemelen zijt, geheiligd

zij Uw naam, ons toekome uw Rijk,"....en dan kwam de verwarring:

"ons,... ons,.... geheiligd zij Uw Rijk,.... ons,.... ons toekome Uw

naam,.... neen, neen,.... ons toekome uw Rijk," in een machteloos

stotteren, de saâmgevouwen handen bevend, de prevelende lippen

bibberend, met in de bleeke oogen een zóó plotselinge uitdrukking van

verwilderden angst, dat zijn vrouw, die reeds aan 't eten was,

verschrikt haar lepel neerlegde om hem te vragen:

- God! man, wa es 't er toch? Wa schilt er dan?"

Er kwam op zijn gezicht een trekking als hevige pijn, een samenkrimpen

van de spieren om den mond en om de oogen, alsof een onzichtbare vijand

hem scherp in 't vleesch kneep of prikte. Een oogenblik was de foltering

zóó vlijmend, dat hij er van in elkaar kroop, en eerst na een ruime poos

kon hij met moeite antwoorden:

- 'K 'n weet 't niet, 'k 'n weet 't niet, 'k 'n voele mij nie wel,

vanoavond."

En met inspanning begon hij te eten.

- O, 't 'n zal nie zijn," sprak zijn vrouw geruststellend. En zij en

haar dochter gingen insgelijks weer aan 't eten.

Gedurende enkele minuten hoorde men geen ander geluid in 't laaggebalkte

keukentje dan het eentonig tikketak der oude klok, en 't regelmatig

slurpen der lippen in de houten lepels, waarmede zij alle drie uit de

gemeenschappelijke kom schepten.

Maar plotseling hield Van Alleijnes op, den lepel roerloos halfwege

tusschen zijn mond en de schotel, het hoofd in luisterende houding, den

blik gevestigd op de voordeur.

- Wat es da doar? Wa heur ik?" vroeg hij dof.

Zijn vrouw en dochter bleven insgelijks een poosje onbewegelijk, in

luisterende houding.

- 't Zal de berechtijnge zijn, 'k heure 't belleken!" riep de vrouw

eensklaps opvliegend. "'t Zal veur den ouwe Vossoart zijn, 'k hê d'er

van geheurd!"

Met haast trok zij de voordeur open.

- Joa 't es azeu, ze zijn doar!" riep ze van op den drempel.

En met gevouwen handen, zonk zij er op haar knieën.

Haar dochter, toesnellend, volgde haar voorbeeld.

- Hoast ou, komt euk," riep zij tot haar vader, voor hem aan hare zijde

plaats makend.

Maar Van Alleijnes, hoewel opgestaan, naderde niet. Zijn aangezicht was

wit geworden als een doek, zijn oogen stonden van angstige verwildering

wijd open gesperd, zijn tanden klapperden, zijn knieën knikten.

- Moar hoast ou dan toch, ze zijn doar!" murmelde nog even zijn vrouw,

zonder het hoofd om te wenden.

Daar kwam de berechting voorbij. Vooraan de koster met de lantaren en

het, met korte tusschenpoozen gelijkmatig klingelend, belletje; twee

passen daarachter de pastoor, in zijn zwarte soutane, onder een paars

zijden doek het Heilig Sacrament in zijn beide, op de borst gevouwen

handen dragend.

Vroom biddend bogen de twee vrouwen diep het hoofd. En eerst toen de

kleine stoet een twintigtal passen voorbij was, verdwijnend achter

elzenstruiken in het fantastisch-dansend schijnsel der lantaren, durfden

zij op te staan en weer in huis te komen.

Stom van verbazing keken zij beiden op.

Het keukentje was leeg en de achterdeur stond open.

- Man! man!" riep de vrouw naar buiten snellend.

Geen antwoord kwam.

- Man! man! Woar zijt-e toch?" herhaalde zij dringender.

Uit een donkeren hoek, waar hij van schrik ineengekrompen scheen te

zitten, kwam Van Alleijnes te voorschijn.

- Hier ben ik; 'n moakt toch zulk 'n laweid niet," bromde hij. Maar toen

hij weer in huis was, en zijn vrouw en dochter hem bij 't flauwe licht

van het op tafel staande lampje aanstaarden, deinsden zij met een

angstkreet achteruit.

Hij leek dezelfde mensch niet meer. Zijn aangezicht, lijkbleek, stond

scheef gewrongen van foltering, en in zijn verdonkerde, strak op de deur

gespijkerde oogen, brandden als twee kaarsen van helsch licht.

- Och Hiere, och God! wa es er toch? wa es toch?" riepen de moeder en de

dochter te gelijk.

- Den duvel! den duvel!" kreet hij schor en sidderend door al zijn

ledematen. En weer trokken de spieren om zijn mond en oogen zich in

folterrimpels samen, alsof hij, door een onzichtbare hand, scherp

geknepen of geprikt werd.

Schreiend vlogen de moeder en de dochter naar hem toe.

* * * * *

En 't werd een leven als een nachtmerrie....

Dagen en dagen na elkaar, soms, was hij normaal en kon men niets vreemds

aan hem merken; maar dan was 't plotseling weer een overweldiging van

waanzin, en schrikkelijke scènes hadden plaats.

Dan kwam _"het kwoad"_ in hem!.... Iets, dat hij zoo eensklaps voelde,

de greep des duivels, dáár, in 't midden van zijn lijf, op de plaats

waar vroeger zijne ziel was!....

Te Lande · 第 14 / 32 题