Zij was arm, triestig, leelijk....
Arm, want toen haar oude vader en haar jarenlang zieke moeder kort na
elkaar gestorven waren, had zij niet eens genoeg om nog een maand te
leven; triestig, omdat ook alles om haar heen altijd zoo triestig en zoo
smartvol was; leelijk, omdat zij inderdaad volkomen van alle gratie
ontbloot was: gebogen van rug en geelwit van haren en wenkbrauwen, met
kleine, ziekelijke, roodrandige oogjes, die daarbij nog loensden: het
albinostype in al zijn onsierlijkheid.
Zij werkte in de groote meelfabriek van 't dorp met nog enkele andere
vrouwen, wier bezigheid bestond in het verstellen van gescheurde en
versleten zakken. Dàt, en, boven, op den zolder der fabriek, het bed
opmaken van den nachtwaker, was haar eenige occupatie, van 's morgens
tot 's avonds, van het begin tot 't einde van het jaar. En 't fijne
witte stof, dat opvloog uit de omgekeerde meelzakken, bedekte ook, als
met een laag van kalk, haar kleeren, haar gezicht en hare handen, in een
zóó schelle, algeheele witheid, dat men haar soms, wijl ze daar
onbewegelijk zat te werken, had kunnen nemen voor een sneeuwpop.
Haar naam was Pharaïlde; maar om haar witte haren, en om al het witte
dat aan haar was, werd zij door de anderen "Blanche" geheeten.
Er waren er jonge en mooie, onder die andere vrouwen, welke met haar
werkten; en, in de lichte stofwolk, die met wit de bruine of de zwarte
haren poeïerde**, kregen de jeugdige oogen een lachenden glans, terwijl
't gesprek, in opgewekte vroolijkheid, over minnaars en liefde handelde.
De liefde! de minnaars! dat was 't nooit uitgepraatte, altijd weer
terugkomende thema, dat de lange, eentonige werkuren minder treurig en
vervelend heen deed vlieden; een lichtstraal van herinnering en hoop,
die, dwars over de kleurlooze saaiheid der arbeidsweek, 't genoegen en
de vrijheid van den eenen zondag aan 't genoegen en de vrijheid van den
anderen verbond.
Slechts Blanche, zacht en nederig, sprak nooit in zulke dingen meê,
maar hoorde die verhalen aan met inwendige trillingen van graagte,
zooals men luistert naar diep-wonderbare, onwaarschijnlijke, en toch
gebeurde avonturen.
Voor haarzelf bestonden al die dingen niet. Zij was zich al te sterk
harer afgrijselijke leelijkheid bewust, om aan liefde te denken. Een man
in 't gezicht te aanschouwen, o, neen, dat had ze nooit gedurfd. En zij
wist ook wel dat geen man haar zou opmerken, tenzij om den spot met haar
te drijven.
En toch,... er was er een, in de groote fabriek, wiens knappe,
mannelijke trekken, wiens flinke, krachtige gestalte zij helder in beeld
voor haar geest kon verwekken, ofschoon zij hem nooit vrij en frank in
het gezicht had aangekeken.
Het was dáár omhoog, op den zolder, waar zij elken middag het bed van
den nachtwaker ging opmaken, de jonge, knappe molenaar, die aan den
reusachtigen trechter van de molens stond.
Haast altijd was hij daar, blootshoofds, met opgestroopte hemdsmouwen,
zijn lastige taak verrichtend, als was het louter kinderspel. De
honderd-kilos-zware-zakken rolden van den hoogen stapel in zijn
sterk-gespierde armen, hij sneed den knoop door met zijn mes, tilde ze
op, gooide ze om, ledigde ze in een oogwenk in den kolossalen houten
trechter.
Zoo gauw als hij haar zag begroette hij haar met een gullen "goên dag,"
de oogen lachend in zijn vroolijk aangezicht met fijn zwart snorretje,
en van verre riep hij haar 't een of ander toe, grapje of ondeugendheid,
met zijn helder-klinkende stem het dof-dreunend geruisch der fabriek
overschetterend.
Zij kreeg een kleur, antwoordde schuchter een paar woorden, te
nauwernood vlugjes een schuwen blik in zijne richting wagend; en met
koortsige haast en snel jagend hart, als onder de duistere benauwdheid
eener vage vrees, begon zij het bed op te maken.
Beneden, onder de dreunende zoldering, gonsde en bruisde de fabriek
aanhoudend-eentonig, met vlug gefladder hier en daar van schuifelende,
leeren riemen; en, in haar haastige bewegingen, de beenen zwak en den
adem bevangen, nam zij hem af en toe van verre nog eens schuchter op, in
onbewuste graagte van bewondering.
Hij, weer aan zijn werk, scheen zich om haar niet langer te bekommeren.
Zij zag hem ter sluiks, in toenemende drukte, de zware zakken in zijn
armen opvangen, ze open snijden, ze optillen en omgooien, als waren het
veertjes zoo licht. Zij kreeg er een soort duizeling van, het scheen
haar toe of hij expres daarvoor geschapen was: om zware dingen op te
tillen en ze om te gooien, dwars alle tegenstand en hinderpalen, met
eindeloos gemak. Het scheen haar toe of hij haar zelve zoo zou kunnen
nemen, zonder een aarzeling noch een woord, en of zij dadelijk in zijn
armen zwak en slap zou worden, geheel tot weerstand onbekwaam.
Na enkele minuten was zij met haar arbeid klaar en keerde terug naar de
trap. En telkens dan, op het juiste oogenblik dat zij zou weggaan, kwam
hij op haar af, de schitteroogen lachend, haar even als het ware ter
plaatse ketenend door de enkele magnetische kracht zijner aanwezigheid.
En terwijl hij haar nogmaals een grapje of ondeugendheidje voorhield,
ontwaarde zij vluchtig zijn mooi, knap gezicht, zijn schitterlachende
oogen, zijn zwarte haren en zijn zwarte snor, zijn flinke soepele
gestalte van onweerstaanbare kracht. Zij werd vuurrood en stotterde van
schaamte, wijl hij, in de bewustheid van zijn algeheele macht, er
vermaak scheen in te vinden haar nog dieper te ontroeren; en telkens
ook, als zij dan eindelijk weer beneden was, onderging zij den
overweldigenden indruk, dat zij slechts met de grootste moeite aan een
vreeselijke ramp ontsnapt was, een ramp die voorzeker zou gebeurd zijn,
die gebeuren zou, den dag als hij aldus bij haar zou komen, vooraleer
zij 't bed geheel zou hebben opgemaakt.
* * * * *
Zoo kwam hij eens bij haar alvorens zij het bed geheel had opgemaakt....
Zoo kwam hij eens, gewoon glimlachend als altijd, zoo vrij en onbevangen
als altijd in zijn bewegingen, met zijn gewone air of hij haar zou een
grapje of ondeugendheidje zeggen, terwijl zij zelve, bevend van emotie,
de wangen gloeiend en de oogen troebel, met handen, die sidderden van
haast, haar werk poogde te voleinden....
En, zonder een woord, wijl zij, met een zwakken angstgil, 't bewustzijn
verloor, tilde hij haar plotseling in zijn armen op, juist zooals ze
zich had voorgesteld dat het gebeuren zou, juist zooals hij, licht als
veertjes, de zware zakken van den stapel tilde, en ze, met een enkelen
zwaai, in den reusachtigen trechter omgooide....
* * * * *
De eerste dagen liep zij als versuft onder 't gebeurde...
Hield hij dan wel van haar? En had zij hem ook werkelijk lief? Was dàt
nu de liefde? Of was het er toch geen? Was dàt nu 't onbekend en zalig
iets, waarover hare gezellinnen altijd fluisterden, met verrukten
glimlach en stralende oogen? Of was er nog iets anders, iets zachter en
verhevener, dat zij nog niet kende? Zij wist het niet, zij kon er niet
helder aan denken, zij kon haar eigene gevoelens niet ontleden. Het werd
haar telkens weer zoo verward en duister in den geest; zij voelde
telkens weer niets anders dan de ruwheid van den aanval, den brusken,
overweldigenden aanval zonder woorden, in het reusachtig dreunen der
dof-gonzende fabriek. Zij had alleen het duidelijk besef, dat, wat zij
vreesde, dan toch eindelijk gebeurd was, precies zooals het
onvermijdelijk gebeuren moest, precies zooals het nog gebeuren zou, door
een fatale macht, waaraan geen wilskracht haar onttrekken zou. En
slechts één enkel iets was ze zich instinctmatig, met rillingen van
angst, bewust: dat ze nooit, nooit met iemand over het gebeurde spreken
mocht, omdat er, als het moest gekend zijn, zulk een gruwelijken hoon en
spot op haar zou vallen, dat haar leven niet meer dragelijk zou zijn....
* * * * *
Hij kwam opnieuw, hij kwam nog dikwijls....
Hij kwam zoo dikwijls als het hem maar lustte, zonder dat zij er ooit
een enkel oogenblik aan dacht hem tegenstand te bieden, zonder dat zij
zich ooit een enkele maal afvroeg of ze niet erg verkeerd handelde. Zij
had geen eigen wil noch eigen leven meer; zij was zijn iets, zijn
voorwerp, waar hij mee handelde naar goeddunken; zij had niet meer
verdedigingskracht in zich dan een dier levenlooze graanzakken, die hij
in een oogwenk in den trechter van den molen omgooide...
Ook, toen ze zich, na verloop van drie maanden, in bedenkelijken
toestand bevond, gaf ze zich eerst niets geen rekenschap der voor haar
allervreeselijkste gevolgen. Zij kon zichzelve in de moederschap niet
indenken, zij, Blanche, de monsterachtig-leelijke, de van alle gratie
verstokene. De moederschap, o, dat kwam haar voor als iets heel
anders, iets moois en zacht-ontroerends, waar veel meer reine
genegenheid bij was, waar iets bij kwam van innig-teere, onderlinge hoop
en bescherming, dat zij met hem toch niet kon voelen. Doch van
lieverlede, naarmate het haar moeielijker** werd om haar toestand te
verbergen, ontwikkelde zich, in haar gedeprimeerden geest, het akelig
bewustzijn van haar werkelijken toestand. De haast onvermijdelijke
gevolgen van haar misstap: 't verlaten worden door den vader, de
wreedaardige hoon en spotternij van allen die haar kenden, het
weggejaagd worden uit de fabriek, met de nijpendste armoede als
onmiddellijk gevolg, dat alles dwarrelde weldra folterend door haar
geheele wezen, in wreede weerlichten van openbaring, die haar de diepte
van den afgrond lieten peilen.
Reeds begonnen de andere werkvrouwen haar met verwonderde oogen aan te
kijken. Zij merkten iets abnormaals in haar op, en hadden soms een
argwaan, dien zij nog bestreden, omdat 't idee van Blanche met een
minnaar haar ook àl te bespottelijk voorkwam. Alleen een oude, met
groote zwarte oogen in een gerimpeld, geel gelaat, vond de
veronderstelling veel minder gek dan de andere; en, op een middag van
niet langer meer te bedwingen nieuwsgierigheid, het oogenblik te baat
nemend waarop Blanche even opstond om een vracht zakken te halen, flapte
ze 't er eensklaps uit:
- Moar, Blanche, woa worde gij toch streusch!*) Woa schilt er dan mee
ou?
*) Zwaar.
Tot in den nek, tot in haar witte haren, werd de ellendige plotseling
rood, terwijl ze schichtig, in stom-onthutste roerloosheid, een schuinen
blik van hare scheele, ziekelijke oogen op de oudere werkvrouw vestigde.
- Doar en es toch zeker nie gebeurd da nie 'n mag?" drong deze aan, bij
't enkele zicht van Blanche's ontsteltenis reeds van de juistheid van
haar argwaan overtuigd.
En eensklaps, in plaats van te antwoorden, barstte de ongelukkige in
overstelpend snikken los, terwijl de andere vrouwen, stom van verbazing,
in een opwalmend meeldampje, dat uit de zakken stoof, het werk uit hare
handen lieten vallen.
- Moar Blanche toch! moar Blanche toch! Hoe es 't Gods meugelijk!" sprak
langzaam de oude, met wijd uitgezette donkere oogen, en als van schrik
gevouwen handen.
- Van wie es't?" riep plotseling een der jongere?
Maar, steeds sprakeloos, deed Blanche niets dan hoe langer hoe
wanhopiger snikken, krachteloos neergezakt op een stoel, de beide handen
met haar schort voor de oogen.
- Wel! wel! wel! wie zoe da oeit gepeisd hên!" weeklaagde, op
onheilspellenden toon, de oude.
- Moar van wie es't? van wie es't? riepen de jongere, nu met twee,
drieën te gelijk.
En toen zei ze 't, door haar snikken heen, in een kreet van smart, dien
ze niet langer kon bedwingen, terwijl de vrouwen het van verbazing
uitgilden, haast niet gelooven kunnend wat zij hoorden, zoo vreeselijk
geschokt door 't onverwachte van de openbaring, dat ze zich een
oogenblik afvroegen of Blanche soms krankzinnig werd.
* * * * *
Als een loopvuur vloog 't ontzettend nieuwtje nog dienzelfden middag
rondom de fabriek. Onder den "vierboterham" ondervroegen de andere
arbeiders hun gezel den molenaar, die categorisch zijn schuld loochende.
De vrouwen, van haren kant, gaven wild af op Blanche, die schijnheilige,
dat monster van bedrog en leelijkheid, die ze allen om den tuin had
geleid. En allen ook voorspelden zij wat nu onfeilbaar zou gebeuren:
zoodra mijnheer en mevrouw, die erg gesteld waren op de zedelijkheid
hunner werklieden, het schandaal vernamen, (en lang kon dat niet duren)
zou Blanche onverbiddelijk worden weggejaagd.
Eenige dagen verliepen; voor Blanche dagen van afgrijselijk lijden.
Van 't oogenblik dat het geheim aan den dag was gekomen, had de molenaar
niet meer naar haar omgezien; en nu ontweek hij haar stelselmatig, van
den zolder naar beneden komend zoodra zij er verscheen, moedwillig
weigerend haar te groeten, wanneer hij haar toevallig in de gangen der
fabriek ontmoette. En die gedragslijn, dadelijk door de anderen vrouwen
opgemerkt, verergerde nog den hoon, den spot en de minachting waarmede
zij Blanche overlaadden. Het waren onophoudelijk vinnige toespelingen,
geheime lachjes en gegrinnik, wreedaardige speldeprikken en gewaagde
schuinheden, waarvan de arme Blanche in haar goedige naïefheid, de helft
zelfs niet begreep. Geen leelijke streek, geen kwetsende vernedering
werd haar gespaard. Er mengde zich een soort jaloersche wrok in; men
benijdde haar, het leelijke monster, 't bezit, hoe weinig ook
benijdenswaard, van dien mooien, knappen man, dien meer dan eene graag
tot minnaar en tot echtgenoot zoude gewild hebben. Men kon 't niet
uitstaan noch begrijpen dat hij zich met haar had willen bezighouden;
men verontwaardigde er zich over en men walgde er voor; en alleen dit
herstelde hem eenigszins in zijn eer: dat hij haar dadelijk den rug had
gekeerd, en zijn schuld krachtdadig loochende. Er zou waarachtig maar
aan ontbreken dat de knappe molenaar trouwde met de monsterlijke
Blanche!
Op al dien laster, op al die scherpe aanvallen en boosaardige
toespelingen, gaf Blanche, het bleeke hoofd triestig over haar werk
gebogen, nooit een antwoord. Vooraf onderworpen aan 't idee dat de
verleider haar verlaten zou, droeg zij, beter dan zij had gedacht, den
hoon en de schande; maar de blinddoek, die haar een tijd lang het
gewicht van den misstap verborg, was plotseling met ruw geweld van voor
haar oogen weggerukt, en in angstige helderheid beschouwde zij nu haar
materiëelen toestand, en de nijpende armoede, die het onmiddellijk
gevolg zou zijn harer onvermijdelijke wegzending uit de fabriek.
Elk oogenblik verwachtte zij den slag, en zij begreep maar niet dat het
zoo lang bleef duren.
Elk oogenblik verwachtte zij de komst van mijnheer, die haar, met kort
bevel en uigestrekten arm, de deur zou wijzen. Maar de dagen verliepen,
zonder dat er iets gebeurde, en zij begon zich bijna tijdelijk weer
gerust te stellen, toen zij hem op een zaterdag, tegen avond, voorbij de
vensters der werkplaats zag komen, traag loopend met een soort van
slentergang, heel anders dan gewoonte.
Een gruwelijke angst greep haar plotseling aan. En, evenals zij zelve,
kregen ook de andere vrouwen 't intuïtief besef dat er iets
buitengewoons op handen was, want zij gingen druk onder elkaar aan
't fluisteren, met schuinsche blikken door de vensterramen.
Blanche, de keel droog en hijgend, zag mijnheer langzaam tot het einde
van de binnenplaats loopen, hooggekleurd en zwaarlijvig, in linnen vest
en gelen stroohoed; eventjes trappen op een omvergevallen, houten kist;
eventjes opkijken naar de kroonlijst van 't dak, waar een paar musschen
druk aan 't tjilpen en aan 't fladderen waren; eventjes voelen in de
zakken van zijn linnenvest, of hij iets zocht. Dan keerde hij zich om,
en zijn blik, langzaam dalend, vestigde zich op de ramen der werkplaats.
En plotseling kwam hij terug, ging naar de deur, duwde die open.
Een benauwende stilte viel over de witte, gebogene rij vrouwengestalten.
- Mietje, hêtte nog zakken genoeg om veurt te wirken?" vroeg hij aan
de oudste, met haar geel gelaat en hare groote zwarte oogen.
En, terwijl Mietje, ootmoedig, met gedempte stem, antwoordde, voelde
Blanche, het hoofd gebukt en rood tot in den nek, 's meesters
vorschenden blik op haar drukken.
Trouwens, hij drong niet aan. Hij ging langzaam weer heen, zeggend dat
hij een nieuwen voorraad zou laten zenden.
Maar hij was nog geen vijf minuten weg, en de vrouwen waren nog niet
half van haar ontsteltenis weer bijgekomen, toen de deur nogmaals
openging en een der huismeiden verscheen, even bedeesd, met aarzelende
stem berichtend:
- Blanche, medam zoe ou 'ne kier wille spreken. Ze wacht op ou in de
serre.
- Op mij!" riep Blanche instinctmatig, terwijl ze hevig opschrikte.
- Joa, op ou," herhaalde nog eens de meid. En ze vertrok.
Plotseling doodsbleek stond Blanche op, terwijl de andere vrouwen doffe
kreten slaakten.
- Blanche, jong, nou goat de kat op de keurde," sprak de oude.
- 'k Geleuve 't euk," antwoordde werktuigelijk de rampzalige, met
stokkende stem.
Koortsachtig schudde zij 't witte stof van haar voorschoot, en op haar
beurt verliet zij de werkplaats, waar achter haar rug een dof geraas van
stemmen opging.
* * * * *
Mevrouw, slank en mager, iets verlepts en vroeg-ouds in haar uiterlijk,
stond wachtend in de serre, met verstrooide hand eenige droge bladeren
uit de rijpe wingerds plukkend.
Zij staakte dadelijk die bezigheid, zoodra zij Blanche zag te voorschijn
komen, en, met een strengen blik, haar ditmaal bij den eigen voornaam,
en niet, als naar gewoonte, bij den toenaam noemend:
- Es 't woar, wa da 'k hê heuren zeggen, Pharaïlde?
De ongelukkige, die sidderend op een drietal passen afstands was blijven
staan, brak plotseling in tranen uit, tot spreken onbekwaam.
- Zeu 't es dan toch de waarheid! G'hêt ou dan toch aan de schand
overgeleverd!" voer mevrouw voort, met vluggen,
verontwaardigd-gedegouteerde blik het reeds zware figuur der arbeidster
opnemend.
Blanche, 't gezicht onder haar voorschoot verborgen, snikte stotterend
eenige onduidelijke woorden.
Mevrouw, ten diepste geërgerd, diende haar een heftige berisping toe,
met bitterheid uitvarend tegen haar schandelijk wangedrag, haar scherp
verwijtend dat zij de goede faam gekrenkt had van het huis waar zij haar
dagelijksch brood en leven kreeg. Toen eischte ze den naam van den
medeplichtige.
Blanche, steeds wanhopig-snikkend noemde hem.
- Woar, hoe en wannier es 't gebeurd?" drong mevrouw aan.
En Blanche vertelde haar alles, bevend, zuchtend, in hijgende, gehorte,
voortdurend door tranen en gesnik onderbroken woorden.
Er was een kort stilzwijgen. Mevrouw, voelend dat de ongelukkige de
waarheid zei, stond even roerloos, de lippen op elkaar geknepen, den
blik strak gevestigd op Blanche, welke, diep vernederd, de oogen ten
gronde hield, haar vingers zenuwachtig-trillend om een hoek van haar
voorschoot. Mevrouw was niet kwaadaardig, en in den grond van haar hart
voelde zij medelijden voor het arm bedrogen schepsel.
- En hij leugent z'n schuld, niewoar?" vroeg ze eindelijk.
- Joa hij, medam.
Zij haatte de leugen, en 't laffe bedrog van den verleider kon ze,
vooral in dit treurig geval, niet uitstaan.
- Hawel, hij zal mee ou treiwen, of hij zal hier wiggejoagd worden!"
riep ze bitsig.
- En ik medam?" smeekte de rampzalige, met haast onverneembare stem.
- Mee ou,..., mee ou zal ik nog veur deze kier compassie hên..... Ge
meugt hier nog nen tijd blijven, en noar ou bevallijnge weere komen.
Moar onthaud 't goed! as 't nog iene kier moest gebeuren, dan es 't veur
altijd uit!
- O, medam, medam! wa zijt-e gij toch braove!" snikte Blanche. En zij
greep naar de witte hand van hare meesteres, die zij met tranen en
kussen bedekte.
- Goa nou, en onthoudt mijn woorden," besloot mevrouw.
* * * * *
Zooals wel te voorzien was, bleef de molenaar zijn schuld hardnekkig
loochenen, en weigerde hij categorisch met Blanche te trouwen.
Hij werd uit de fabriek weggezonden. Blanche, integendeel, door mevrouw
beschermd, bleef er tot den laatsten dag. Zij had ook nog gevreesd dat
zij niet zou mogen blijven bij de menschen, (twee oude dweepzuchtige
vrijsters) waar zij, mits een allerschraalst maandgeld, haar onderkomen
had; maar die hadden zich insgelijks, na een eerste opwelling van toorn
en verontwaardiging, over haar ontfermd, omdat zij anders zoo goed en
zacht, en zoo behulpzaam was, en dat zij medelijden met haar hadden.
's Avonds van den dag waarop zij voor het laatst haar werk volbracht,
werd het kind geboren: een flinke, sterke jongen, waar de twee oude
vrijsters dadelijk verrukt van waren, en die reeds den volgenden morgen
in de kerk met den voornaam van Bauwke*) werd gedoopt.
*) Boudewijn.
* * * * *
En jaren vervlogen....
Blanche, getroost, verzoend met het leven, deed, als vroeger, haar
dagelijksch eentonig werk in de fabriek. Van den molenaar, kort na haar
bevalling vertrokken naar den vreemde, had zij niets meer gehoord; maar,
wat eerst haar schande en haar wanhoop was: 't onwettig kind, was
langzamerhand, na lange smart en jaren, de eenige hoop en illuzie, de
zachtheid, de bekoring, de liefde van haar gansche zoo lang kleurloos en
ellendig leven geworden. Zij zelve was niets meer, zij bestond niet
meer; zij leefde alleen nog voor hem en door hem, in stugge
zelfopoffering voor dat bloed van haar bloed, in trotsche bewondering
voor die mooie, flinke levensvrucht van kracht en gezondheid, zoo
heerlijk gesproten uit de monsterlijk-leelijke, triestige, ziekelijke
menschenstof, welke zij zelve was.
Hij was nu negen jaar oud en ging naar de dorpschool, waar hij
buitengewoon goed leerde. Nu juist op de laatste prijsuitdeeling, was
hij een der eerste van zijn klas geweest, en toen zij hem beladen met
prijzen terug had zien komen, toen had ze langdurig gehuild, van vreugde
en ontroering, zooals ze nu trouwens zoo dikwijls deed, over alles wat
hem aanging. En zij had maar één groote spijt, o, een oneindige spijt:
dat hij weldra de school zou moeten verlaten om in zijn eigen onderhoud
te voorzien.
O! had het maar gekund, hoe graag had zij hem zich willen zien
verheffen, boven zijn en haar eigen ellendigen stand! Hoe graag had zij
hem later willen zien, netjes gekleed, in een goede, stille betrekking,
waar hij niet door ruwen handenarbeid zijn mager dagelijksch brood zou
moeten verdienen!
Maar het kon niet, het kon niet! Hij werd groot, hij kostte meer en meer
van onderhoud, en ondanks al haar inspanning en de steeds hardere
opofferingen die ze zichzelve getroostte, soms halve nachten
doorwerkend, kón ze niet langer 't bestaan voor hun beiden verdienen.
Haar droeve zieke oogen werden al flauwer en flauwer, haar gezondheid
verzwakte, reeds tweemaal had zij een dag te bed moeten liggen, tot
werken onbekwaam. Wat zou er met hem gebeuren, indien zij heel en al
moest ziek worden...
En, het gemoed zwaar van droefheid, gaf zij zich eindelijk aan
't onvermijdelijke over. Toen de vacantie kwam nam zij hem van school en
zijn lot werd dat van meestal alle arme kinderen te lande: koewachter op
een hoeve.
* * * * *
O, wat een schrijnend harteleed op dien heerlijk-kalmen, glanzenden
September-zondagmorgen, toen zij zelve hem naar de groote, verre hoeve
bracht, het pakje, waar zijn plunje in zat, onder den arm!....
En toch waren het zulke brave lieden, waar hij wonen ging, de boer en
zijn vrouw, bejaard reeds, zonder kinderen! Zij ontvingen hen beiden
gulhartig, glimlachend 't blonde hoofd van 't knaapje streelend, hun
dadelijk voordisschend een mooie, dikke plak ham op roggebrood, die
Blanche, het hart verkropt van wee, vruchteloos poogde te gebruiken. Elk
oogenblik kwamen haar tranen in de oogen en hikken in de keel; en een
soort schaamte belette haar te vragen wat haar telkens weer met
trillingen en zuchten op de lippen kwam: dat zij toch goed en zacht voor
hem zouden zijn, omdat hij zelf zoo goed, zoo zacht, zoo teeder was. Hem
alleen drukte zij nog eens op 't hart, dat hij steeds braaf, beleefd,
gehoorzaam zoude zijn; en zonder hem te omhelzen, trouw aan de touchante
gewoonte, die nog altijd in Vlaanderen heerscht, gaf zij hem haar zegen,
het kruisje op 't voorhoofd, met bevende vingers geschetst, terwijl haar
dof-trillende stem van vroomheid zei:
- God bewoare ou, mijn jongen.
Dan stopte haar de boer acht franken, 't vooraf betaalde loon der eerste
maand, in de hand; en, met krampachtig verwrongen gezicht, verliet zij
de hoeve, zonder nog eenmaal om te durven kijken, opdat Bauwke geen
getuige wezen zou der overweldigende uitbarsting van smart, die zij niet
langer kon bedwingen.
* * * * *
En weer verliepen jaren....
Zij werd oud en zwak, versleten vóór haar tijd, het triestig gestel
ondermijnd door te veel arbeid en ontberingen. Maar _hij_ was groot en
sterk geworden, stralend van gezondheid. Iederen zondag kwam hij haar
bezoeken en met haar den dag doorbrengen. Hij zei dat hij gelukkig was
in zijn bediening, en sprak nooit anders dan met grooten lof en
genegenheid over zijn meesters. En ook Blanche was er tevreden en
gelukkig om, doch niet zonder een zweem van spijt en droefheid. Het
wekte in haar een soort jaloezie op, die zij soms moeite had te
overwinnen. Het was haar soms te moede of hun goedheid hem van haar
verwijderde, en of hij niet geheel en al gelukkig meer zou kunnen zijn,
met haar alleen, zonder hen. Zelfs de spoedige verandering, die zij in
zijn uiterlijk waarnam, kwam haar voor als een werk van de meesters,
iets waarvan zij uitgesloten was, en dat de afstand tusschen haar en hem
nog grooter maakte. En haar groote spijt was en bleef dat hij nu niets
meer leerde, en zelfs geen tijd meer had, om, wat hij kende, bij te
houden; dat hij meer en meer werd en worden zou een arbeider, een
werkslaaf, in plaats van eenmaal te genieten het gemakkelijk, nette
leven, dat zij vroeger voor hem gedroomd had, en soms nog durfde te
droomen.
Maar _hij_ voelde de leemte niet, waaronder zij leed. Hij dacht niet
meer aan leeren en had geen andere toekomstplannen dan de voortzetting
en de ontwikkeling van zijn tegenwoordig leven. Hij was nu zestien jaar
geworden, maar zoo groot en zoo forsch voor zijn leeftijd, dat men er
hem gemakkelijk achttien of twintig had kunnen geven. En zijn bezigheid
bestond nu ook niet alleen meer in 't koeien wachten: hij was van
lieverlede in bediening gestegen, af en toe behulpzaam in de stalling en
op den akker, bekwaam reeds met een paard te rijden, lijnzaad en graan
te zaaien, gras en klaver af te maaien. Dit jaar, eindelijk, zou hij
helpen oogsten, gelijk de grooteren, gelijk een echte veldarbeider. En
dat vooruitzicht was zijn geluk en zijn trots, een illuzie, een genot,
waar hij over sprak met een geestdrift die Blanche stilzwijgend
aanhoorde, met heimelijke smart van afkeuring.
Sinds eenigen tijd streelde zij andere plannen voor hem. Zij hoopte hem
eene betrekking te bezorgen in de fabriek waar zij zelve werkzaam was.
Een plaats zou er weldra beschikbaar worden, een plaats aan de molens,
daar boven, op den zolder,.... dáár,.... dat zelfde werk, dat eertijds
de molenaar, haar verleider, zijn vader, vervulde....
In vreemde emotie had ze van die aanstaande verandering gehoord, er lang
aan gedacht, geaarzeld, haar plan opgemaakt. Zij had er van gesproken
aan mevrouw, die het gevraagd had aan haar man; en deze, eerst niet erg
met het voorstel ingenomen, omdat de knaap nog zoo jong was, had toch
eindelijk gezegd, dat hij 't wel wou probeeren.
Zonderling, ontroerend toeval! Zij zou hem daar elken dag zien, op den
graanzolder, als ze 't bed ging opmaken, evenals ze jaren geleden, er
zijn vader zag. Het zou een telkens weer herlevende kwelling zijn, een
telkens weer herlevende zachtheid ook, een soort vergiffenis en
loutering van het verledene, iets teer-weemoedigs als de gedachte van
iets dat herleeft uit iets dat dood is. En hare groote hoop was dat hij
dan van lieverlede op zou klimmen, dat hij met zijn goede geleerdheid
tot op 't bureau zou komen, eerst als hulp, later alleen, in vervanging
van den ouden commies, die er nu al zooveel jaren was.
En, op een zondagavond, een paar weken vóór den aanvang van den oogst,
deelde zij hem eindelijk haar eigen plannen voor zijn toekomst mede.
Hij luisterde stilzwijgend, blijkbaar niets met het voorstel ingenomen.
Een teleurgestelde uitdrukking kwam over zijn gelaat, de benauwdheid van
een gevangene greep hem aan het hart en bracht hem tranen in de oogen.
- O, moeder, nou toch nog niet," sprak hij zacht.
En eensklaps begon hij te huilen.
Daartegen was zij niet bestand. In een pijnlijken zucht viel haar alle
wilskracht als een pak van 't hart.
- Laat mij ten minste nog 'n joarke blijven," smeekte hij. En hij zei
haar wat zijn meester hem beloofd had: de volle daghuur, twintig frank
in de maand van met September, indien men over zijn werk tijdens den
oogst tevreden was. Twintig frank en de kost! het was een schat voor
haar, want alles, tot den laatsten cent, zou hij haar, als vroeger,
blijven geven! Maanden, jaren misschien, zou het duren, alvorens hij in
de fabriek zooveel verdiende!...
Toen overwon zij hare smart en drong niet verder aan, niet dat ze zijn
illuziën deelde, maar omdat zij voelde dat hij zulk een grooten afkeer
had van 't werk in de fabriek.
* * * * *
Nu was men met den oogst begonnen....
Van 's ochtends half vijf, na een vlug ontbijt dat bestond uit een
dikken tarweboterham en een groote kop slappe koffie, waren de arbeiders
op den akker aan 't werk. Slechts gekleed met een broek en een hemd,
blootshoofds en barrevoets in hun klompen, den "pikhaak" in de
linkerhand en de "pik" in de rechter, zoo gingen zij geleidelijk op ééne
rij vooruit, het lichaam naar den grond gebukt, vellend in rythmische
slagen de schuifelende blonde aren, welke de vrouwen, die op enkele
passen afstands volgden, in schoven bonden en tot "stuiken"* opbouwden.
Zij waren met hun zessen, de vrouwen niet meebegrepen, en in het
rythmisch geschuifel der glinsterende sikkels ont¬blootte
't uitgestrekte veld zich van zijn gelen rijkdom, niets achterlatend,
tusschen de lange rijen "stuiken"** dan de dorre naaktheid van de
scherpe stoppels, waarvan de punten in de enkels prikten.
Zoo gingen zij, eentonig-gelijkmatig, in de van lieverlede brandend-heet
wordende zon van den stralenden Augustus-morgen, tot acht ure. Toen kwam
de meid der hoeve, met een reusachtigen korf, waarin hun tweede ontbijt
zat; en dadelijk hield de arbeid op, en gingen zij eten, plat
uitgestrekt ten gronde in de schaduw van den elzenkant, de traditioneele
hard gekookte eieren met roggesmouterhammen, en weer de dun slappe
koffie, blond van melk. Zij toefden er een kort half uurtje, en dan
begon het werk opnieuw, zonder onderbreking in de toenemende hitte, tot
's middags. Dan riep het klokje van de boerderij hen tot het "noenmaal,"
dat onveranderlijk bestond uit karnemelkpap en aardappels met speksaus.
Daarop volgde de "noenstond"** het loome rustuur in het boomgaardgras,
in de schaduw der fruitboomen, wier rijpe vruchten soms aan hun zijde
neerploften, zonder dat zij er, in hun oververmoeidheid, naar omzagen of
er de hand naar uitstrekten. Om twee uur waren zij op den akker terug,
en daar hernam, in de verzengende namiddagszon, 't uitputtend zwoegen
tot acht ure 's avonds, met enkel een kwartiertje rust er tusschen in,
om den "vierboterham" te eten. Dan gebruikten zij, nog eens op de hoeve,
het avondmaal van pap en roggesmouterhammen; en zóó moe, zóó afgetobd
dat zij haast niet meer voort geraakten, sleepten zij zich te bed om den
volgenden morgen opnieuw te beginnen.
* * * * *
De drie eerste dagen ging het Bauwke vrij wel en flink af. Hij volbracht
zijn deel van 't harde werk even goed als de vijf anderen, die allen
veel sterker en ouder waren dan hij. Eerst midden op den vierden dag
begon hij teekens te geven van verzwakking. Een enorme vermoeidheid, die
door rust noch voedsel te herstellen was, verloomde** en verstramde zijn
afgejaagde ledematen. De voortdurend gebogen houding die hij nemen moest
om te werken, veroorzaakte een soort ankylose** der lendenen, zoo
vreeselijk pijnlijk, dat het hem voorkwam of zijn ruggegraat zou breken,
telkens als hij zich, om even te verademen, met hoe langer hoe meer
inspanning weer oprichtte. Weldra ontnam de onvermoeidheid hem insgelijks
slaap en eetlust, en hij had enkel nog dorst, een wilden, onleschbaren
dorst, die hem met droogplakkende lippen van graagte deed aanvliegen op
de water- of koffiekan, zoodra de meid er mee verscheen. En zijn konen,
onlangs nog zoo vol en zoo rozig, waren geslonken tot niets, bruin
verschroeid door de zon en ingevallen tot een magerheid die de juksbeenderen
hoekig deed uitspringen, terwijl zijn mooie blauwe oogen schenen in te
krimpen en te verkleuren, dof-triestig starend onder de neerzakkende
oogleden.
Het kostte hem weldra ontzaglijke inspanning om de anderen bij te
houden. Het duurde niet lang of zij raakten hem ietwat vooruit, en, tot
driemaal toe, staakten zij even den arbeid, om hem den tijd te geven het
verlorene weer in te halen. En, half ernstig, half spottend, riepen zij
hem toe:
- Bauwke, niet in sloap vallen, zulle? As 't vrauwevolk in ou kloefen
1) bindt, wordt-e vrije koewachter gemoakt! dat weet-e, niewoar?