Tegen acht uur gingen Paul en Louis samen naar het bruidshuis. Paul was
eerst toilet gaan maken, had andere, meer heerige kleeren aangetrokken,
op de logeerkamer--een kil vertrek achter in 't huis, rommelig van
allerlei oude meubelen die daar uit den weg gezet waren--; Louis had het
hem gevraagd met een licht-ironischen glimlach: of hij misschien ook wat
anders aan kon trekken dan dat bruine colbertje, en toen had mama haar
wenkbrauwen, vroolijk-spotziek, gezet tot rechthoeken boven de lachende
oogen. "Ja, dat mocht wel!" had ze gezegd.... Goed! goed, hij had het
dan ook dadelijk gedaan....
* * * * *
De familie de Boogh woonde op den Mauritsweg, ze hadden dus geen
kwartier te loopen. Het was helder weer nu, een koele avond met
windrukken, krachtig, verfrisschend..., en terwijl Louis telkens iets
zei, zoowat kort-afgebroken mededeelingen over zijn zaken, die zoo
marcheerden, en over het huis dat hij had gehuurd en gemeubeld,--'t was
op den Westersingel; ze zouden er zóó passeeren, maar je kondt er bij
avond niets van zien,--liep Paul naar de lucht te kijken, genietend van
de forsche windvlagen; hij keek naar de onbegrijpelijk verre sterren,
die in hun strakke, staal-koele onbeweeglijkheid de diepe
hemelduisternis doorvonkelden, terwijl de aardsche wolken, groot,
grauw-rossig, vaag van omtrek, aandreven, al maar uit één hoek; het
scheen wel rook van een geweldigen, ver-verwijderden boschbrand..., en
dadelijk was nu weg dat luchtige van onverschilligheid uit Pauls
gedachten; het kwam in hem op dat diezelfde sterren nu stonden; boven
"de groote hei" en in zjjn klaar herinneren herleefden veel vroegere
avonden en zekere ideeën die hij had gevonden en overdacht in de wijde,
stilte onder dien stillen sterrenhemel daarginds.... Zijn gemoed was
weer vol ernst en nu schaamde hij zich over zijn zelfzuchtig-bitter
gemok..., want dat was het weer geweest, niets dan eigenliefde en
egoïsme, dat gevoel van gemis, en dat plan van hem om die tien dagen
enkel maar oppervlakkigjes mee te doen, feitelijk te blijven in zijn
eigen sfeer.... Dat mocht immers niet. Hij moest niet zooveel aan
zich-zelf denken, en als hij dan hield van die menschen, zijn moeder,
zijn broer, dan moest hij zich geven aan hen, ook al scheen het dan dat
ze daar geen behoefte aan hadden...; zijn broer vooral ... die was
jonger ... en had geen vader..., aan hem vooral moest hij zich gelegen
laten liggen....
Louis liep aldoor te praten, en terwijl hij nu meer op hem lette, beter
naar hem luisterde, voelde Paul zich weer sterk de oudere, wijzere
broer, en ook dat hij hield van Louis. Wel gaf hem nu ook weer dadelijk
veel van wat de ander deed en zei, en z'n manieren vooral, een zekere
ergernis met prikkelenden lust tot hekelen en veranderen, maar een
broederlijk gevoel, vol zachten ernst, bleef meester, een bijna
meelijdend gevoel van de krachtige te zijn naast den zwakkeren broeder,
de al-veel-wetende naast den nog onbewusten, de natuurlijke
beschermer.... Hij moest er innerlijk om lachen, bedenkend hoe beleedigd
Louis zou zijn als hij ze kende, die gedachten van hem, met hoeveel
dédain hij zeker voor die bescherming bedanken zou.... Want zoo was hij
altijd geweest, Louis.... Och! hij had zijn leven lang succes gehad,
veel te veel; 't zou eigenlijk heel goed voor hem zijn als hij 's wat
tegenspoed kreeg. De vraag was maar of 't niet te laat was, hoe hij er
zich onder houden zou!... Deed hij nu in zijn overmoed geen al te
ondoordachte dingen!... Was 't met dat rijke meisje, met dat haastige
trouwen wel in orde?... Hij kende 't meisje pas een paar maanden; hield
hij genoeg van haar?... 't Was te hopen, waarachtig, want er zou nu toch
niet veel meer aan te doen zijn.... Hij had toen geschreven dat hij "dol
verliefd" was.... Nou ja, maar....
"Zeg!...", zei Louis, die even gezwegen had, nu in-eens, "ik ben toch
verduiveld benieuwd wat jij zeggen zal van Annie!..."
"Zóó", zei Paul, die weer een vreemde mengeling van hartelijkheid en
ergernis in zich voelde, "ja!... wèl, ik ook!... maar.... Waarom jij
eigenlijk?... 't Kan jou toch zeker ten slotte al heel weinig schelen
hoe een ander haar vindt..., wat?..."
Nou ja, natuurlijk, dat was zoo, vond Louis, maar 't was juist omdat hij
overtuigd was dat Paul ook van haar gecharmeerd zou zijn!...
Paul begreep het nog niet goed. Hij trachtte zich het geval in te
denken, bleef even stil, maar Louis praatte weer door, over zijn bruid,
zei dat ze "ze alles en nog wat" was, mooi, elegant, lief, zacht,
intelligent, geestig...; Paul merkte opdat hij juist dezelfde woorden
gebruikte waarmee zijn moeder hem het meisje al beschreven had--en
waarvan er geen een tot hem sprak.--Hij kon niet laten te zeggen: "Ja,
ja, mama heeft me al eenigszins op de hoogte gesteld!... Nou, ik
verzeker je, 'k ben erg verlangend naar de kennismaking..., want, och
zie je, woorden zooals mooi en lief en zoo..., die zeggen mij zoo
weinig!... Maar, God! zeg, al viel je bruidje me nou ook wat tegen--dat
kan toch zijn, niet waar, ieder krijgt zijn eigen indrukken--dan vind ik
toch waarachtig dat dat er heelemaal niets toe doet!... Als jij maar
genoeg van 'r houdt, hè?... en zij ... ja ... dat's waar ... dat wou 'k
je wel's vragen ... of nee ... nu toch maar niet!... We praten daar wel
eens rustig over!... Straks als we naar huis gaan bijvoorbeeld.... We
zijn er nu immers dadelijk?..."
"Ja, zoo-met-een..., maar ... wat bedoel je," vroeg Louis, zeer
bevreemd, "wat wou je vragen?"
"Och nee..., 't duurt nu te lang ... liever straks!" zei Paul.
Louis keek hem even aan. Hij werd wat wrevelig. Die Paul was toch altijd
een rare; wat had hij nu in-eens weer?... Louis begon ongeduldig-vlug
door te stappen, zei niets meer.
Paul, om over wat anders te praten--hij had spijt dat hij, ingaand op
een vluchtig plan, zoo haastig was begonnen,--vroeg: "Waar is jou huis
nou ergens? Komen we 'r gauw voorbij?"
"Nee, eigenlijk voorbij komen we 'r niet, 't is iets verder op,"
antwoordde Louis, droog, "en 't is ook, zooals je weet, aan den
overkant, je kunt het bij avond niet zien.... Morgen zal 'k het je
wijzen.... Misschien hebben we wel tijd er even heen te gaan, na de
receptie...."
Nog een huis of wat stapten ze voorbij; toen stond Louis stil, schelde
aan. "Hier is 't," zei hij. En Paul keek het huis aan.
Het was, in de monotone rij nieuwerwetsche heerenhuizen, een van de
grootste; het had een dubbele deur en een hardsteenen onderpui, hoekig,
puntig, breed-blokkend, als een borstwering tegen het straat-publiek,
onder de voorname ramen van de bel-étage. De vensterbanken lagen bijna
manshoog boven den grond; in 't hardsteen waren alleen de
souterrain-raampjes uitgehakt, waarvan er één 'n eindje openstond. Daar
kwam etenslucht en bordengerammel uit, en een gemutst meidenhoofd
gluurde even naar buiten om te kijken -wie er was. 't Geheel gaf een
indruk van eenigszins poenigen rijkdom en ongenaakbaarheid. Op de stoep
staand voelde Paul zich bevooroordeeld tegen de bruid en haar familie.
Het kan nog meevallen, dacht hij, maar hij geloofde 't niet.
Na een paar minuten werd er opengedaan en gingen ze binnen in de ruime
vestibule, mat-wit naar alle kanten, flauw verlicht, grijzig van
schaduwen. Er hing een stalen gaslamp in 't midden aan een lange stang;
de vlam was flakkerend in de tocht, de tinten beefden.... 't Was er
kil....
Louis,--die, dadelijk toen ze binnen waren, luider, jovialer sprak, als
om Paul te doen hooren wat een hoogst welkome gast hij hier was--,
verzocht nu zijn broer jas en hoed maar aan Neeltje te geven, die ze wel
op zou hangen, en hij lachte en kuchte scherp uit, in de steenen ruimte
trillerig-resonneerende geluiden. Toen ging er, links achter in de
vestibule, een kamerdeur open, en kwam een ranke meisjesfiguur, donker
gekleed, vlug de steenen treden af en naar hen toe;--'t was of het licht
er warmer van werd, de atmosfeer intiemer....
"Zóó, dag bruidje, hoe gaat het?..."
"Dag Louis!"
Hij bukte zich naar haar, en in even, stil, te-zamen-komen van hun jonge
hoofden kusten ze elkaar. Toen keerden ze zich beiden snel naar Paul, en
zei Louis: "Hier heb je nu mijn broer ... den schilder!...
Ze zagen elkaar aan, Paul en zijn "nieuwe zuster". Er verliep een
seconde waarin ze bewegingloos elkaar bleven aankijken. Langzaam,
ernstig glimlachend en hem aldoor aanziend, reikte Annie hem toen de
hand. "Paul...," zei ze enkel, met een stem waarin schuchtere
bewondering trilde.
Ze stond vlak onder 't licht, zoodat haar trekken met vage schaduwen
waren bedekt, maar hij zag de oogen--groot, donker, één en al ziel--en
hij voelde zich blozen, geheel bevangen van blijde verbazing. Hij zag
het dadelijk: Zij was anders, heelemaal anders dan hij zich voorgesteld
had.... "Annie," begon hij, "het doet mij erg veel genoegen, dat ik
je...."--Toen voelde hij haar hand de zijne zenuwachtig drukken, zag
aandoening in haar oogen, was een oogenblik geheel verward,--"dat ik
je.... Wat wou 'k ook zeggen...." stamelde hij. "Ik wensch je van harte
geluk." "Dank je wel..., ik ben heel blij je te zien..., welkom
hier!..." Ook haar stem beefde van ontroering en weer volgde een moment,
waarin ze glimlachend, zonder spreken, elkaar in de vochtige oogen
keken. Maar Louis, niet goed begrijpend al die zenuwachtigheid duwde hen
zachtjes verder de vestibule in. "Kom!" zei hij, "laten we maar gauw
naar binnen gaan! Is papa al thuis?..."
"Nee!... nog niet!" zei Annie.
Ze gingen de kamer in; daar stond een stijf-rijzige dame-figuur, die
achter een theetafel had gezeten, op, en kwam hun langzaam tegemoet,
glimlachend, maar toch niet vriendelijk, en Louis stelde zijn broer aan
zijn aanstaande schoonmama voor. Zij boog met een stugge hoofdneiging,
reikte haar hand toe, een lange, witte hand, en terwijl Paul haar
eerbiedig geluk wenschte, kreeg hij een snel opkomende weerzin tegen
haar; hij voelde haar hand, die hij drukken wilde slap en klam-kil
wegglijden en hij zag het gemelijke glimlachje, waarmee ze sleepend zei,
dat het haar aangenaam was zijn kennis te maken. Na de ontroerende
verrassing van Annie's verschijnen nog in een verwarrende vreugde
daarover binnen gekomen, was hem de ontmoeting met die moeder een
onbehaaglijke storing; hij voelde zich warm en vol, onwillig om mee te
doen aan het saaie spel van de stijve deftigheid; toch merkte hij dat
zóó de toon wel zijn moest met mevrouw De Boogh, de toon ook, die paste
bij de vervelend conventioneele, hard fantasielooze luxe, waarmee de
kamer gemeubeld was, die kamer, één en al regelmaat, netheid, orde en
kou. Mevrouw en haar salon gaven een gelijksoortigen indruk. Maar de
kamer won het nog, want er stond een mandje bloemen op tafel.
Louis was dadelijk met Annie aan 't praten; hij vroeg naar de cadeau's
die nog waren gekomen;--zijn stem klonk geaffecteerd-vroolijk, maar met
iets vreemd-fleemends, de hare heel eenvoudig en--zeker door 't
contrast--opvallend zuiver; toch waren er ook in haar toon klanken, die
Paul verwonderden, omdat ze niet overeenstemden met zijn indruk van
haar.... Het zou wel weer aan hem zelf liggen, dacht hij, en hij kon
zich ook niet dadelijk rekenschap geven van wat het dan was..., maar
toen hij haar daarop oplettend aanzag, was datzelfde in haar gezicht,
terwijl ze sprak tot Louis.... Het kon, meende hij later, een zweem van
gedwongenheid zijn, van zich wèl bedenken bij wat ze zei.... Zij gaf
intusschen een opgetogen relaas van die nieuwe cadeau's, en het scheen
dat ze Louis liefst dadelijk meegenomen had naar de kamer waar al hun
moois was neergezet, maar dit verbood mama met een enklen koelen blik
naar haar kant, terwijl ze weer achter haar theetafel ging zitten, Paul
een stoel aanwijzend óver haar, met een stug-bedillende handbeweging
waaraan alle gratie ontbrak. Verder was er niemand in de kamer, zoodat
Paul, niet zonder vernieuwden tegenzin, begreep dat hij was aangewezen
op de moeder. Hij vroeg naar haar gezondheid en die van haar man, en er
begon een vormelijk gepraat tusschen hen.
Mevrouw De Boogh sprak op een getemperd-klagenden toon--als had ze veel
leed en ergernissen die zij voor zich hield om er niet mee te
hinderen,--en zij keek met denzelfden glimlach en denzelfden blik van
mat-berustende beleefdheid nu eens naar haar theekopjes, die zij uiterst
voorzichtig hanteerde en langzaam half vol schonk, dan weer naar
Paul--die sprak over Rotterdam, vergeleken met andere steden, en dat hij
er in zoo langen tijd niet geweest was, en meer van die praatjes, alles
in de gewone visite-bewoordingen, waarvan met haar--dat voelde hij
duidelijk--af te wijken was. Zij gaf ook haar antwoorden in korte
zinnen, even gladjes en keurig afgerond als de leuningen der fraaierige
stoelen, die symmetrisch door de kamer stonden, met langzame
zorgzaamheid enkel woorden kiezend, die van versletenheid bijna niets
meer uitdrukten. Geen enkele maal kwam ze met eenige beslistheid voor
haar meening uit, en ze stelde ook blijkbaar nergens eenig overwegend
belang in, maar wel lette ze, terwijl ze sprak of luisterde, voortdurend
op haar eigen houding zoowel als op die van de anderen, maar vooral op
alles wat Louis en Annie zeiden. Soms scheen ze zich lichtelijk te
ergeren aan een uitdrukking of beweging van een van hen, die niet geheel
salon-correct was. Dan glimlachte ze even wat pijnlijker, keek schichtig
den kant van Annie en Louis op, die niet zoo dicht bij de theetafel
zaten.
Toen Paul het gesprek bracht op het aanstaande huwelijk en de
trouwfeesten--waarbij ook bruid en bruigom, oplettend geworden, nu en
dan eenigszins schuchter een paar woorden meepraatten,--had mama 't
aldoor over hetgeen zoo hoorde of zoo niet hoorde, en 't was daarbij
alleen dat haar stem wat energieker klonk.... Paul vond haar een
aartsvervelende vrouw. Er ging een ware verstijving van haar uit. Die
blik en die glimlach, die zijn bewegingen belemmerden, maakten hem
klam-warm met een gevoel van lamme zakkerigheid in z'n lijf, alsof hij
aan zijn stoel geplakt zat; hij voelde dat hij in een toestand van muffe
versaaiing zou vervallen zijn, als niet de stem van Annie telkens
herinnering aan dat ontmoetingsmoment gegeven had met hoog-ijle
tinteling van bekoring en sympathie. De moeder gaf hem bijna geen
gelegenheid naar haar te kijken; soms deed hij het toch, tersluiks, maar
hij verbeeldde zich dan ook iederen keer, dat mevrouw De Boogh hem dat
kwalijk nam. Ook toen hij zich heelemaal wat meer naar Annie's kant
draaide en tegelijk z'n beenen wat verder vooruitstak om een eenigszins
gemakkelijker houding te krijgen op zijn hoogen stoel, kort van zitting,
recht van leuning,--zag hij dat ze daarnaar keek met een blik van
gemelijke verwondering. Maar in haar stem was geen verandering merkbaar,
die zeurde telkens opnieuw, machinaal zacht-lieverig, bijna toonloos,
door. Een paar maal trachtte Paul, door met een versche stem wat hooger
in te zetten, of door een bruuske beweging wat leven in 't gesprek te
brengen, maar hij proefde z'n machteloosheid, terwijl hij het deed....
Toen dat een half uur geduurd had--Paul zag het op de log-groote
pendule van marmer, die op den schoorsteen stond--kon hij het bijna niet
meer uithouden, zat hij nerveus van ongeduld te wachten op een
gelegenheid om van haar af te komen. Hij was dat soort van praten sinds
jaren niet meer gewoon, hij kon er niet meer tegen. Als 't niet anders
ging wou hij maar weggaan, onder een of ander voorwendsel. Maar hij
begon ook meer en meer te verlangen naar praten met Annie om haar met
vollen blik aan te kunnen zien en te genieten van haar stem.... Toen dan
ook eindelijk mevrouw De Boogh zich, zeer langzaam, van haar stoel
ophief om de meid te gaan schellen--ze zei 't er bij, blijkbaar
verwachtend dat Paul het dan wel dadelijk doen zou--stond hij ook op,
deed alsof hij haar niet verstaan had, maar ging vlug op een stoel vlak
bij Annie zitten, haar tegelijk aansprekend met een lachende opmerking.
Louis, met schrik ziende dat zijn schoonmama eigenhandig ging schellen,
sprong op, liep naar haar toe, zei "had u maar even gevraagd!" en bleef,
om 't goed te maken, even met haar praten.
Dadelijk waren nu Annie en Paul in gesprek; ze praatten op intiemen
toon, onwillekeurig eenigszins gedempt, als hinderde 't hun woordelijk
door de anderen verstaan te worden; 't scheen wel of zij er ook al een
tijd naar verlangd had; met een blos van voldoening had ze gezien dat
hij bij haar kwam zitten, en ze deed hem dadelijk een aantal vragen over
zijn werk en zijn manier van leven, zei aardig opgemerkte dingen over de
stukken die ze van hem kende, terwijl de warme belangstelling haar oogen
een verhoogden glans gaf, vermooiend de spiritueele trekken van haar
ernstig, smal gezichtje, bizonder vlekloos en roomig van tint, waarover
telkens een lichte blos snel opkwam en dan scheen te verdwijnen onder
het dof-ruige, springende, donkerbruine haar, eenvoudig opgemaakt. Ze
had een fijne, rechte, mooi-geschulpte neus en zoo was eigenlijk 't
heele gezichtje: fijn-recht, 't was blank-glanzend, van innigheid
doorstraald, met iets pittigs, en door die mooie dunne neusvleugels iets
zenuwteers; de smalle, frisch-roode lippen kwamen naïef-vertrouwend wat
naar voren, maar 't was alleen naïef, vooral niet dom; dat kon ook niet
door de oogen. Die waren 't mooiste..., ze waren groot en donker en van
een durenden glans, waarvan de nuancen tallooze waren. Telkens lachte ze
even, wat zenuwachtig, maar dadelijk stond haar gezichtje dan weer
ernstig; soms kreeg het een heldere sereniteit, aandoenlijk van
maagdelijken weemoed.... Eéns,--'t was toen Paul haar, bijna
fluisterend, verwonderd over zijn eigen vertrouwelijkheid, vertelde wat
hij nu wou gaan schilderen, den stal van die oude boerin met haar zieke
koe, en die prachtig gebogen horizonlijn--, toen kregen haar oogen een
doffen glans, werden ze vochtig, pinkten even..., en daar schrok hij
van, Paul, daarvan werd hij plotseling, diep-innerlijk, hevig ontroerd;
er kwam starheid van extase in zijn eigen oogen, hij kon even niets
zeggen, en toen hij weer sprak was het met een andere stem, en met oogen
zoo vol verrukking, dat zij de hare er voor neersloeg en wat verward
scheen.... Hij had datzelfde gevoel nooit te voren gehad, dat wist hij
zeker..., toch had al dikwijls een mooi gelaat hem ontroerd.... Maar dit
was nieuw en machtig; het bleef drukken op zijn borst en kloppen in zijn
slapen, 't had iets verlammends..., en toch was hij verrukt, had hij 't
uit willen gillen!... Het verlangen kwam in-eens in hem haar portret te
schilderen, en toen dadelijk een onbestemde angst daarvoor, een gevoel
alsof hij dat juist doen móést..., maar het heelemaal niet kon....
* * * * *
Al een paar minuten vroeger was de oude heer De Boogh binnengekomen en
aan hem voorgesteld. Hij scheen erg geagiteerd en was dadelijk een druk
gepraat met z'n vrouw begonnen, waarvan Paul, met Annie in gesprek,
niets had verstaan. Hij had alleen den vagen indruk gekregen, dat de
toon onaangenaam was. Ook wist hij dat mijnheer fluisterend gesproken en
mevrouw kortaf, maar luid, geantwoord had.
Maar terwijl nu Annie en Louis, onder hoede van mama, de kamer
uitgingen, om de nieuwe cadeau's te bekijken, kwam de oude heer naar
Paul toe, ging wijdbeens naast zijn stoel staan, met zijn kop thee in de
hand, en een diepen grijns op zijn rauw, geschoren gezicht, en bleef zoo
een heelen tijd met hem praten. 't Was een kleine man, kaal, glimmerig
en vlekkerig rood in z'n gezicht, maar correct in 't zwart gekleed, met
een wit-piké vest.
Hij sprak op een zeer luidruchtigen, jovialerigen toon, in korte,
afgebroken zinnen, en telkens als hij wat gezegd had zette hij z'n
gezicht in diezelfde grijnsplooi, waarbij hij een breede rij gele tanden
liet zien. Boven den breed-getrokken mond stonden dan de glinsterende
oogjes en tuurden fel en loenzend neer op Paul, die vermeed hem aan te
zien, omdat hij 't pijnlijk vond, dat gezicht--als van een clown die
grijnst en scheel kijkt tegen 't publiek--ook verbeeldde hij zich dat de
oude heer 't zelf onaangenaam vond aangekeken te worden, want hij
knipte dan snel met z'n oogen.... Er was ook iets vreemds met die oogen,
maar je kon zoo gauw niet zien wat het eigenlijk was....
De heer De Boogh was uiterst vriendelijk en zijn stem klonk gedurig
eenigszins ruw-amicaal; ook lachte hij telkens, uit louter jovialige,
gemonteerde vroolijkheid blijkbaar, want hij zei niets grappigs en Paul
ook niet. Hij bleef aldoor staan, ofschoon Paul, die 't vermoeiend vond,
hem een paar maal vroeg, waarom hij niet ging zitten. Waarschijnlijk wou
hij niet klein schijnen, maar vooral los en jong en levendig
in-zijn-doen. Maar wanneer hij, toen de anderen weer binnengekomen
waren, even iets zei tegen zijn vrouw of tegen Annie, dan klonk zijn
stem heel anders, en was er ook een ander glanzen in zijn oogen. Het
schetterige was dan niet vriendelijk maar gebiedend en dat felle in zijn
loenschen blik scheen louter nijdigheid. Maar dadelijk als hij zich
daarop weer naar Paul wendde, deed hij blijkbaar zijn best zoo innemend
mogelijk te zijn, zei herhaaldelijk vleiende dingen over zijn werk en
zijn groeiende bekendheid, en lachte dan ruw-krakerig en grijnzend op,
zooals iemand die kijkt naar een vertooning, waar hij een helsch
genoegen in heeft.
Paul, die meende dat hij iets gehoord had van een maagkwaal die de oude
heer hebben moest, vond dat hij daar niets naar uitzag. Hij vroeg hem er
naar, eenigszins aarzelend door zijn ongeloof, en zag toevallig--zich
omdraaiend, om een kop thee, die voor hem op tafel gezet was, op te
nemen--dat Annie, haar moeder en Louis bij die vraag alle drie opkeken,
mevrouw met ongeduldige ergernis, Annie schuw-ernstig, Louis ironisch
glimlachend. Hij begreep die blikken toen mijnheer De Boogh, op zijn
schetter-lachende manier, maar nu met onmiskenbare nijdige bitterheid,
zei: "O! daar wordt hier anders nooit over gesproken!... Ik ben ... zéér
gezond ... zéér gezond!... U heeft daar zeker van dezen of genen wat van
gehoord, hè?... Nee maar, dat is maar zoowat aanstellerij, hoor, die
kwaal van mij!... Vraag maar aan mijn vrouw en mijn kinderen!..."
Dit was plotseling uiterst pijnlijk. Mevrouw drukte haar dun-gelipten
mond, met trotsche berusting, stijf-dicht, Louis trok z'n wenkbrauwen
op, krabde zich achter 't oor, kuchte, Annie zei zacht: "Maar Pa!"... En
er was een oogenblik stilte.
Gelukkig kwam er toen juist weer een nieuw lid van de familie binnen,
Willem, de student, een vrouwelijk-mooie jongen, die zachtaardig
glimlachte toen hij aan Paul werd voorgesteld. Hij was zeer wèl-verzorgd
van uiterlijk, sprak op gedempten toon, langzaam, en aaide zich telkens,
voorzichtig, als waren ze van glas, over zijn keurig gekamde haren. Ook
keek hij eenige malen oplettend in den penantspiegel, waar hij recht voor
zat, en dan trok hij een ernstig, eenigszins lijdend-nadenkend gezicht
met kleine oogen. Paul, blij met de afleiding van die nieuwe
verschijning, vroeg hem dadelijk naar zijn studie, en naar Leiden, of
het er nog altijd zoo was als vroegerjaren--toen hij er vrij dikwijls
placht te komen, met den "dies" bijvoorbeeld.--Als hij zich goed
herinnerde ging het er toen nog al 's rumoerig toe!... Maar Willem
glimlachte, met een minachtende minzaamheid,--hij leek toen erg op zijn
moeder--en zei dat hij wel zeggen kon dat "de toestand" veel verbeterd
was; de meeste studenten waren nu gentlemen....
Ook een zusje van Annie kwam kort daarna binnen, een mooi kind van
vijftien of zestien jaar. Blijkbaar had ze boven haar huiswerk zitten
maken, maar op een vraag van mama of dat al af was, gaf ze geen
antwoord, boog alleen even, met koel verwijtenden blik, haar hoofdje,
toen de vraag op iets hoogeren toon was herhaald. Zij werd Rietje
genoemd, behalve door Louis, die haar aansprak met Mary en haar allerlei
galante, flatteuse dingetjes zei. Zij was dan ook alleen vriendelijk
tegen hem en tegen Paul, die op was gestaan, gebogen had, en "juffrouw!"
gezegd, toen ze binnenkwam. Maar vooral met Louis was ze nuffig lief;
zij ging dicht bij hem zitten, keek hem telkens coquetjes lachend aan,
zei: "Malle jongen, hou toch op!" of "och, plaag, schei toch uit!" en
lachte dan weer, dol proestend. Van Annie nam ze volstrekt geen notitie.
Het praten bleef nu een tijd lang algemeen en betrof de receptie van
morgen en de verdere trouwfeesten. Maar telkens waren er kleine
stremmingen. Er schenen dan dingen ter sprake te komen waarover de
familieleden het niet geheel eens waren--en ze wisten dat blijkbaar heel
goed van elkaar, maar wilden het niet laten merken aan Paul. Annie, die
weinig meepraatte,--zij werd heelemaal niet als bruid gevierd; ze stond
telkens op om wijn in te schenken, koekjes te presenteeren, en zoo meer,
waarvan het zusje niets scheen te merken,--Annie had dan soms weer dien
schuw-ongerusten blik. Soms ook keek ze lang naar Paul, maar als hij 't
voelde, en ook haar aankeek, wendde ze den blik haastig en ietwat
verlegen af. Paul merkte nu dat er bij hun gesprek over zijn werk, een
zekere verstandhouding tusschen hen ontstaan was, een sfeer van
sympathie, van samen heimelijk iets ontdekt hebben, iets weten, de
voeling waarvan was afgebroken door zijn praten met haar vader--de ruwe
schertsklanken hadden zijn aandoening weggeschetterd--maar nu in hun
blikken, soms open, klaar en vast, als ze tot elkaar spraken, soms
steelsch en vol mysterie van zielsverlangens, weer werd hersteld....
Paul dacht ook telkens weer aan zijn hevige aandoening van toen hij haar
oogen vochtig had zien worden; hij verklaarde zich het uit zijn
schilder-zijn, 't was zeker haar bizonder, spiritueel schoon geweest dat
den artiest zoo had ontroerd..., maar vreemd dat hij nu zoo voortdurend
bleef voelen dat in betrekking tot haar zijn, het onzichtbare, toch zoo
reëele dat daar was in de schijnbare leegte tusschen hun hoofden. En hij
voelde dat, al was ze achter hem en stil, zoodat hij haar niet zien,
noch hooren kon. Ook wist hij wel dat als hij weer zoo met haar sprak,
of haar enkel maar dicht bij zich en recht-in-de-oogen zag de sterke
aandoening terug zou komen.... Dit gevoel werd hem genot, het was als
geluk dat nog niet in hem was, maar toch al voelbaar zweefde boven zijn
ziel. Hij werd er opgewonden van, belemmerd in 't spreken, gejaagd, met
lust om nu maar weg te gaan, en te denken, wat hier niet kon, scherp te
denken in buitenlucht. Hij ging het warm vinden in de kamer....
Op een moment van 't gesprek, toen er weer zoo iets pijnlijks van bedekt
meeningsverschil in de lucht scheen te hangen--er kwam een kleine,
dadelijk merkbare stilte--stelde de heer De Boogh plotseling voor een
partijtje te maken. Hij zei het met een levendig-jovialerige wending
van zijn gedrongen lijf naar Paul, waarmee hij den anderen duidelijk
maken wou dat hij 't natuurlijk weer was die zijn wereld kende en inzag
dat hun gepraat vervelend moest zijn voor den gast. Paul zei "best!";
hij dacht zich plotseling tegenover Annie als partner en het stelde hem
te leur toen dat niet zoo ging. Hij kwam aan de speeltafel met den heer
en mevrouw De Boogh en Willem; Annie ging met Louis aan de groote tafel
zitten kijken in een boek met platen, en Rietje, met een knorrig
gezicht, begon te lezen.
Zij zaten schuin achter Paul, de bruid en de bruigom, hij hoorde hoe ze
zacht praatten samen, en hij voelde dat het hem moeilijk zou zijn z'n
gedachten bij het spel te houden. Plotseling bemerkte hij dat hij hen
kon zien zitten, in den penantspiegel;--Annie liet zich moe-glimlachend
de hand streelen. Met een korte trilling van weerzin keek hij snel in
zijn kaarten, maar dadelijk weer opkijkend zag hij dat ze haar hand weg
trok, en zag hij iets in haar abstracten blik dat hem toen verder geheel
in beslag nam, hem verwonderde en zijn neiging tot weggaan en nadenken
sterk verhoogde;--soms had hij moeite zijn kaarten niet neer te leggen,
en enkel, onafgebroken, naar haar te gaan zitten kijken. Het was zoo
iets vreemds..., hij wist niet wat het was.... Het was geen blijdschap,
ook geen geluk. Het leek op weemoed, maar dat vage van weemoed, was er
niet in.... Zij scheen te staren op iets in de toekomst, maar geluk was
dat ook met..., wel iets misschien waarvan ze geluk verwachtte....
Paul maakte dwaze abuizen in 't spel, die den heer De Boogh krakerig
deden lachen; mevrouw keek voor zich, beleefd geduldig, zonder
goedigheid, maar Willem, zijn partner, ergerde zich blijkbaar, had
moeite, er van te zwijgen; hij bromde iets van: toch wel mooi, whist...,
als je 't goed kent..., Paul maakte zich nu allerlei fantastische
onderstellingen, gissingen, meer niet;--hij kende immers Annie niet,
noch haar ouders, noch iemand hier behalve Louis, den rustigen,
diplomatischen, triomfantelijk zekeren Louis.... Gesteld, dat het eens
zóó was, dacht hij.... Als die vader en die moeder eens harde egoïsten
waren, van die menschen met vergroeide, verschrompelde zielen; hij zoo'n
type van een handelsman, die instinktmatig vriendelijk is tegen alle
vreemden--waarom kunnen het geen klanten worden?--maar een nijdige tyran
voor zijn huisgenooten, op hen wrekend de ergernissen van zijn
kantoor..., zij opgaand in zelfvergoding en kleinzielige studie van
fatsoensbegrippen, vormen, netheid, stand..., zich daarin onbegrepen
wanend.... En ook de broers, egoïsten; de oudste, dien hij nog niet
gezien had, maar van wien hij gehoord had als van een knap advocaat, die
het druk had, ongetrouwd was en een lustig leven leidde; de andere, het
ijdele, pretentieuse studentje, en ook het schoolnest, dat daar zat te
lezen, zich de ooren dichtstoppend met de handen, nu en dan naar Annie
kijkend met een nuffige minachting.... Als 't zoo eens was hier in huis,
dis dat eens was de kring waarin Annie had moeten leven, zij de
gevoelige, de liefde-volle, de ziele-rijke, reikhalzend naar poëzie...."
En als dan--hij schrok van zijn eigen gedachten, die dat vreeslijke
verhaaltje maar zoo vlotweg afmaakten, maar het waren immers louter
hypothesen, geen werklijkheid!--als het dan eens zoo was dat Annie--had
ze Louis, toen hij haar gevraagd had, niet een week laten wachten op
antwoord?--dat Annie uit die omgeving weg wou, per se weg uit die
atmosfeer van ignobel egoïsme, uit dien demoralizeerenden omgang, intiem
uit gewoonte, uit noodzaak, zonder liefde ... een hel!...
Paul had zelf gegeven en hij had een sterke sans-atout in z'n hand. Hij
zag het, begreep dat hij die nu eens goed diende te spelen, dat hij nu
op moest letten, alle andere gedachten wegdringen uit zijn warm, verward
hoofd. Maar hij voelde ook dat hij 't niet lang meer uit kon houden in
die kamer. In overspannen aandacht speelde hij nu goed, won met glans.
Toen sprak hij van weggaan, anders te laat worden.... Maar de robber
moest nog uitgespeeld worden, zoo bepaalden vader en zoon De Boogh.
Telkens keek hij naar Annie in den spiegel. Aan zijn onderstellingen
wilde hij niet meer denken, hij kon het ook niet meer; 't werd
dof-roezig en warrig in zijn hoofd.... Geen enkele maal ontmoette zijn
blik den haren. Maar wel voelde hij soms dat zij naar hem keek, en
luisterde naar zijn stem als er gepraat werd onder 't spel. Hij dorst
dan niet op te kijken. Hij werd meer en meer verward en warm ... erg
warm....
Even zag hij in den spiegel dat Louis haar hand vasthield en verliefd
naar haar keek....
Toen kreeg hij een sterk gevoel van weeheid en benauwing. Hij dronk zijn
pas ingeschonken glas in één teug uit en voelde zijn haarwortels prikken
in zijn klammig-warm hoofd, de kaarten kleven aan zijn zweetende
vingers,--hij die zoo gewoon was zich kalm te houden, niet te veel te
drinken, omdat hij er zoo 't land aan had, aan dat zweetrige en
benevelende van veel drinken in een te warm vertrek....
Het was hem een bevrijding toen hij eindelijk op kon staan; 't was of
hij de koorts had; hij snakte naar lucht, naar buiten, naar kilte, wind
het liefst, waarin hij zou kunnen denken.
Annie liet hen uit.... Paul zei haar het eerst goeden dag, ging vast
naar buiten..., hoorde toch het kussen.... Maar hij wist ook dat, toen
ze elkaar de hand gaven, het er weer was geweest, dat tusschen hen
gewordene..., die sfeer..., die gloed.... Het was als wisten zij samen
een diep, ernstig geheim en hadden ze zwijgend afgesproken dat te
bewaren....