Mevrouw Holman was een vroolijke, een pretlievende vrouw. Nog gingen er
verhalen, uit haar jongemeisjes-tijd, van haar dolle avonturen, van haar
ondeugende, coquet-overmoedige streken. En ze werden geloofd ook, die
verhalen, want--ofschoon ze nu toch bij de zestig was!--de menschen
konden 't zich nog best van haar begrijpen. Ze was immers eigenlijk nog
net zoo. En dát een vrouw, die zooveel had ondervonden....
Toch was ze niet bepaald ongevoelig. Toen haar man stierf had ze daar
oprecht verdriet van gehad. Ze voelde een gemis, en vooral
meelij--kinderlijk, goedhartig--met dien armen stakker, die maar zoo
kort had kunnen genieten van het lieve leven.... Ook haar ouders, een
van haar zusters, haar eenigen broer en twee kinderen had ze overleefd,
en elk sterfgeval had haar wel geschokt, beangstigd--het geval zelf
vooral, het zóó dichtbij zien sterven--en haar dan ook voor een poos wat
ernstiger, nadenkender gemaakt, maar, met haar aangeboren levenslust en
haar krachtige--en zoo geheel onbewuste--zelfzucht, was ze dat ten
slotte allemaal weer te boven gekomen. En zoo was ze geworden een vrouw
op jaren vol jeugdigheid, nog niet genezen van coquetterie, altijd
keurig in de kleeren en gekapt, en met een glimlach die onvergankelijk
scheen; op straat gezien: een rechte en werkelijk nog elegante
stads-dame-figuur, binnenskamers wel wat ouder, maar met beslist
jeugdige manieren. Ook haar stem klonk nog jong.
Die ernstige menschen van den tegenwoordigen tijd mochten haar dan een
wufte vrouw schelden, verloren voor het ware leven, zij lachte 'r wat
om; zij had schik in zich-zelf; het deed haar innig genoegen dat haar
kennissen zoo dikwijls fijn-leukjes glimlachten en ook wel eens wat
geërgerd keken als zij aan kwam stappen, vlug en met veerkracht, met
haar gewild-levendige, soms bepaald drieste blikken. Toch was ze nog
meer gevleid als ze merkte, dat ze den naam had van gedecideerd handelen
en optreden, met verstand en takt. Want dat vond ze van zich-zelf ook,
in volle oprechtheid. Zoo was ze wel trotsch op haar zoons.--vooral op
Louis, den schranderen zakenman -maar het was voornamelijk omdat ze zich
verbeeldde dat de opvoeding, die ze hun gegeven had, dan ook uitstekend
was geweest, niet zoozeer beleid-vol of diep doordacht, alswel geniaal
van greep en keus van woorden en daden....
Immers niet met bevelen, maar bijna altijd met vroolijk redeneeren,
plagend overreden--zonder veel argumenten bij te brengen--en soms met
teer-lief, vleiend-zacht verzoeken, had ze haar wil weten door te
drijven. Wat hun nurksche voogd, haar oudste zwager, stroef-toornig
gelastte had ze gemakkelijk gemaakt door lachend mee te protesteeren,
door haar aardige maniertjes van oolijk vragen het toch maar te
doen.... Ze was er nooit ernstig tegen-in gegaan.... En dat was, vond
ze, louter verstandige taktiek geweest, volstrekt geen gemakzucht of
onnadenkendheid.... Trouwens, de resultaten waren er immers! Paul,--met
wien ze den meesten last gehad had, een gekke jongen, eenzelvig, saai,
en toch zoo onstuimig soms en koppig als 't er op aankwam!--gelukkig had
hij een week gemoed; als ze ging huilen of pruilend klagen kon ze alles
van hem gedaan krijgen--, Paul was ten slotte een schilder geworden,
waar de menschen over spraken. Hij maakte goede prijzen, hij kon best
leven..., en hij gaf roem aan den familienaam.... En Louis!... Louis was
haar glorie, ook om de manier waarop hij het leven verstond. Een
gentleman op-en-top, een echte heer!... En ze waren bang voor hem op de
Beurs; hij had veel succes, zou stellig rijk worden....
Het deed haar ook bizonder veel genoegen dat Louis ging trouwen. Ze zou
hem dan natuurlijk wel verliezen als huisgenoot, maar dat vond ze nu
juist zoo onaangenaam niet, al wou ze 't niet weten,--ze klaagde er
graag wat over, maar dat was om de voldoening te bemerken dat de
menschen tóch geen meelij met haar hadden--; hij was thuis nogal
overdreven in zijn eischen, nerveus-lastig dikwijls, vooral in tijden
van drukte in zaken, spannende speculatieve zaken.... En dan, als je
alleen bent, kun je toch maar alles precies inrichten zooals je 't graag
hebt je dag-verdeeling, het ontvangen van je kennissen.... Om uit te
gaan had ze geen "chapeau" meer noodig. Een vrouw op haar leeftijd!...
Ze was blij, ook omdat Louis een "keus gedaan" had waardoor ze hem nog
meer dan vroeger was gaan bewonderen. Die Annie de Boogh was waarlijk
een engel van 'n meisje, haast al te lief en goed..., ze was mooi,
elegant, ontwikkeld, op 't oogenblik nog wel niet rijk, maar heel wat
wachtende, zoowel direct als van ooms en tantes.... Ze zouden zeker een
van de meest geziene paren van de stad worden, Louis en Annie, zoo'n
jong paar--en al gauw een grooter gezin misschien--waarvan de
lotgevallen door de deftige Rotterdammers zeer opmerkzaam en met
evenveel onderscheiding als jaloerschheid werden nagegaan.... Ze zouden
mooi wonen, veel ontvangen--Annie zei nu wel dat ze daar niet van hield,
maar dat zou wel anders worden onder taktvolle leiding--, en dan zou
zij, mevrouw Holman, in de salons van haar rijken zoon, waarin de roem
van den anderen een atmosfeer van artisticiteit zou brengen--wat
zooiets bizonders was in Rotterdam, en zoo bij uitstek geschikt om een
roep van distinctie te vestigen--dan zou zij die met haar levenslust,
met haar aantrekkelijke persoonlijkheid, de ziel van die salons zou
worden.... O! als ze daaraan dacht voelde ze 'n gloed van vreugde
opslaan naar haar hoofd-vol-prettige-voorstellingen.... Ze was overtuigd
dat ze een tweede jeugd tegemoet ging....
Het was ook in een stemming door zulke gedachten voortgebracht, in een
heimelijke weelde van voldoening en vóór-voelen van nog ongekend genot,
dat mevrouw Holman dien middag haar zoon Paul had zitten wachten. Ze zat
achter-in de kamer-aan-straat, met een nuffig handwerkje. Toen ze hoorde
schellen en door het gepraat aan de deur begreep dat hij het was, lei ze
haar gouden lorgnet neer, met het werkje, stond op, streek haar japon
glad over den buik, en ging naar den spiegel om te zien welken indruk
zij maakte met zoo'n vriendelijken glimlach van goedige moederlijkheid.
Voorzichtig gaf ze een paar duwtjes en rukjes aan haar kapsel, draaide
zich toen langzaam om, bleef midden in de kamer staan om hem af te
wachten. Daar kwam hij binnen stuiven, plofte zijn valies neer onder 't
haastig voeten-vegen, en toen dadelijk de kamer in, met z'n jas nog aan,
stoffig en beslijkt. "Dag moeder, hoe gaat het?" In twee stappen was hij
bij haar, verheerlijkt lachende, en zij nam met een allerliefst gebaar
zijn hoofd in haar handen, trok het naar zich toe, kuste hem met haar
spitsgetrokken mondje op beide wangen. "Dag, jongen! ben je daar!... hoe
gaat het je?... Heb je 'n goeie reis gehad.... Trek gauw je jas uit en
vertel 's wat.... Mietje, breng meneer z'n valies dadelijk op de
logeerkamer!... Je wilt je zeker nog wel wat opfrisschen voor 't eten
hè, jongen...."
"Ja ... ja ... best!... Wat zie 'k er uit, hè?... 't Is me hier dan ook
weer een modderpoel," zei Paul, terugloopend om zijn jas aan den kapstok
te hangen. Toen kwam hij weer binnen, maar ging niet dadelijk zitten--,
zijn moeder wèl. Rondloopend in de kamer, onrustig en beweeglijk, vroeg
hij naar Louis en zijn bruid, en naar andere menschen, vertelde van zijn
reis, nam dingen die op den schoorsteen en op de etagère stonden in zijn
hand en bekeek ze onder 't praten, maar hij zag ze eigenlijk niet, want
zijn oogen stonden achter een vochtig waas, hij was wat ontroerd en wou
dat niet weten voor zijn moeder, die daar zoo kalm-glimlachend neerzat,
zinnetjes makend met lieve wendingen, volkomen zich meester. Toch was
hij voor zich-zelf blij dat hij ontroerd was, toch deed het hem goed.
Het had ook anders kunnen zijn, hij was daar wel eens bang voor.... Er
was ook wel dadelijk weer zoo iets geweest--dat hij herkende van
vroeger--iets leegs, een gevoel van gemis, van teleurstelling..., maar
gelukkig, de ontroering was gekomen, de blijdschap dat hij zijn moeder
weer gezond teruggevonden had, na zooveel maanden scheidens...,
blijdschap!... toch ook weemoed ... om het noodzakelijk-zijn van dat
gescheiden leven ... of om wat anders ... hij wist het niet precies,
maar hij had wel even uit willen snikken....
Eindlijk ging hij toch ook zitten, over haar, en zich nu snel bedwingend
deed hij zijn best in denzelfden luchtigen toon met haar mee te praten.
Want het was dan toch maar heel zelden dat hij zijn moeder zag, en hij
wou nu in die tien, twaalf dagen alles doen om haar aangenaam te zijn,
te vallen in haar geest van on-zwaarmoedig leven-bij-den-dag; ook voor
zijn broer wou hij zoo zijn; wat kwam het er op aan, tien of twaalf
dagen van onnadenkendheid!... Daarna zou immers zijn eigenlijk leven
weer dadelijk beginnen, hij wist dat hij er altijd heel gauw weer in
was.
Dus praatten ze over Louis en zijn trouwen, de cadeau's die hij gekregen
had en de pretjes die er zouden zijn, en over de bruid en haar
familie;--met de ouders scheen mevrouw Holman niet zeer ingenomen
ofschoon ge het niet direct liet merken--o nee! lieve menschen, beste
menschen!--en Paul slaagde er in zijn aandacht aldoor gespannen te
houden. Hij keek zijn moeder voortdurend recht in de oogen,--want toen
hij een paar maal om zich heen had zitten kijken, had hij gemerkt dat
hij daardoor werd afgeleid en dat een lichte wrevel zijn
vroolijkheidsstemming won komen verstoren. Het waren de poes-mooie
modetintjes in de kamer, de salonnerige meubelen, de prutsdingetjes aan
den muur, de kleedjes en prullen overal verspreid, die hem hinderden met
hun zoetigen, laf-mondainen schijn, maar als hij in zijn moeders oogen
keek, recht er in, dan vond hij zachte aandoeningen van lang geleden
terug, en werd geboeid en stil-innig bewogen.... Zij wou opstaan om een
glas port voor hem te krijgen, maar hij bedankte, zei: "Nee, blijft u
nou zitten!..." Zij werd er blijkbaar aangenaam door aangedaan, dat ze
hem zoo boeide; zij werd ál vroolijker en praatte opgewonden door,
zoodat hij nu wel volstaan kon met knikken en beamen, een enkel woord
van verbazing of een lach. Ze was aardig om te zien, zooals ze daar zat
te babbelen, met glinsterende oogen en een verhoogde kleur, nu en dan
het sterk grijzende dameshoofd schuddend van louter levendigheid.
Nu hoorden ze de voordeur opengaan. "Daar is Louis," zei de moeder. Paul
stond dadelijk op, liep hem vlug tegemoet in de gang, en de broers
begroetten elkaar met luide stemmen en stevige handdrukken. Samen kwamen
ze binnen. Louis was bijna net zoo lang als zijn broer, en het slanke
van z'n figuur kwam in een getailleerde gekleede jas veel meer uit dan
bij Paul; die een jongensachtig colbertje droeg. Dat gaf hem een zeker
vertoon van ouder en wijzer zijn dan zijn broer, een verschil nog
verscherpt door zijn stem, die licht geaffecteerd klonk, met streven
naar deftige gematigdheid, en door zijn houding en gelaat, het
even-gebogen-dragen van het hoofd en den glimlach van heerige
welwillendheid, beleefde belangstelling. Hij sprak snel, nerveus
--schoon niet scherp--en maakte ook nu en dan een beweging van bedwongen
gejaagdheid.
Toen ze beiden zaten was het duidelijk dat Paul ouder was. Louis droeg
geen baard--alleen een klein, blond, opgedraaid kneveltje--en zijn
zorgvuldig geschoren onderkaak had iets verwijfd-glads. Dat opgemaakte,
gepolijste was eigenlijk om zijn heele hoofd, met het links gescheiden
en naar weerskanten voorzichtig neergevlijde, glim-vettige blonde haar,
terwijl Paul iets dof-ruigs had, doch zonder gewild-artistieke
verwaarloozing; zijn haar was kort geknipt. Hun gelaatskleur had weinig
verschil, Paul iets bruiner, verbrand door de zon en den wind.
Met z'n drieën zetten ze het gesprek in denzelfden toon voort, vroolijk,
maar toch minder ongedwongen nu, door het gewichtig doen van Louis, die
zich als bruigom erg de hoofdpersoon scheen te voelen, vond dat hij
gefêteerd moest worden. Het was niet meer dan een verhoogde visitetoon,
waarin Paul telkens door een hartelijke opmerking of gullen, uitroep wat
meer warmte trachtte te brengen. Paul wou nu ook een borrel drinken met
zijn broer en dat gebeurde, maar had niet het effect dat hij zich er van
had voorgesteld; in de houding van Louis kwam geen verschil, hij bleef
voorover zitten als op visite, met zijn glimlach en zijn gemaakt-kort
vragen en zeggen. Hij zei Paul iets vleiends over zijn stijgenden roem,
waarvan hem pas weer wat gebleken was uit een gesprek aan een diner. Dit
maakte den schilder wat wrevelig. Hij had een ruwe uitdrukking klaar om
te zeggen, dat hem dat absoluut niet schelen kon, maar hij bedwong zich,
streek zich met de hand over 't hoofd, bloosde, en voelde zich toen
in-eens onbehaaglijk, niet meer op zijn gemak. Hij deed zijn best even
opgewekt door te praten, maar hoe hij 't ook negeerde, 't weg wou
denken, toch was het er weer, dat bekende van vroeger--maar dat hij
telkens zoo graag weer vergat--het gevoel dat hij niet zoo hartelijk kon
zijn als hij wou, omdat er geen mede-voeling was, omdat de warme woorden
verschrompelden in zijn borst, als hij die star-glimlachende gezichten
zag, en die oogen vol aandacht-uit-beleefdheid, maar zonder begrijpen.
't Was vooral Louis, die hem stil hinderde,--maar ook zijn moeder, nu
hij haar minder aankeek--, Louis scheen nog heeriger, mondainer dan
vroeger geworden.... Mondainiteit.... Frivoliteit--dat waren de woorden
die hij gedurig voelde spoken in zijn hoofd, en ... och-god! daar was
hij immers al verder en verder, en nu zoo onmetelijk ver van komen te
staan.... Wat wisten zijn ernstige heiden, zijn gebogen herders, zijn
sombere poelen en zijn wijde, licht-doorwaasde nevel-hemel van de
mondainiteit!... Het hoopje van de sjiek, hij had het zoo geheel uit het
oog verloren bij zijn blikken op de menschheid, de natuur, het ál....
Hij wou het telkens toch maar weer uit zijn hoofd zien te zetten, omdat
hij 't eigenlijk zoo aller-ellendigst vond--, want ... ze waren nu
eenmaal zoo..., zijn moeder en zijn broer..., en ze waren toch al wat
hij had..., en ouderliefde en broederliefde waren zoo mooi, zoo
heerlijk, je kon daar toch maar geen afstand van doen!... Doch juist
door 't zoo van zich te schuiven, en 't dan toch telkens weer éven
scherp te voelen, werd hij er nog angstiger voor, en belemmerde 't hem
nog meer..., dat aldoor dreigen.... Hij was blij toen ze gingen eten.
Aan een gedekte tafel, tusschen tezamen etende en drinkende menschen is
van-zelf altijd meer warmte, meer intimiteit....
Ze aten in de achterkamer, en Paul deed een frissche poging om zich "al
dat gezeur" uit het hoofd te zetten en begon te vertellen van het leven
op zijn dorp, van den veearts en zijn vrouw,--die moesten ze kennen!
alleraardigste menschen!--maar hij merkte algauw dat ze er met een zeker
ongeduld naar luisterden, gansch vervuld van hun eigen plannen en
belangetjes. Louis wou graag met zijn moeder bespreken een belangrijke
kwestie betreffende het al-of-niet noodigen op een partij, van menschen,
die kort geleden een tante verloren hadden, waarover ze in den rouw
gingen, omdat de erfenis zoo meegevallen was...; hij had daar al voor
het eten van gesproken.... Toen liet Paul zijn verhaal in een paar
luchtige woorden verloopen, en zweeg....
Dadelijk begon Louis, naar zijn moeder gebogen, ernstig over die
kwestie, en daarna over den cotillon Donderdag, wie dien zou leiden...,
en toen over de tafelschikking....
Paul luisterde niet. Hij dorst het nu aan, zjjn gevoel van
teleurstelling, wrevel, gemis.... Hij gaf zich er volle rekenschap van.
Dat was toch maar beter. 't Was nu eenmaal zoo; hij wist het immers heel
goed; zijn moeder en zijn broer waren menschen-van-de-wereld; ze gaven
niets om wat voor hem het belangrijkst was ... en omgekeerd.... Toch
hield hij van hen, en wou hij van hen blijven houden, omdat ze zijn
moeder en zijn broer waren, en omdat hij het mooi vond: liefde, die
niet vraagt naar wederkeerigheid.... Hij leefde immers van
ideeën-die-hij-mooi-vond....
En dan, och! ze hielden wel van hem ook ... wel zeker!... Maar dat Louis
er zoo op gesteld was geweest hem tot getuige te hebben, dat was toch
eigenlijk omdat hij Paul Holman was, de bekende schilder..., tenzij dat
het enkel was omdat het zoo hoorde; wie weet!... Paul moest er in zijn
ziel om lachen nu. Het was zoo gek: zijn bekendheid was hun aangenaam,
en wat er de oorzaak van was, zijn eigenlijk wezen kenden ze niet, het
interesseerde hen niet, of liever ze dachten er in 't geheel niet aan,
ze waren te zeer vervuld van zich-zelven en "de wereld", dat wereldje
van hen, waar hij, Paul, zoo heelemaal, en voor goed, buiten stond....
"Ik heb mijn bruidje beloofd, dat ik je vanavond meebrengen zou, Paul,"
zei Louis, "ze brandt van verlangen om je kennis te maken ... o! ik
verzeker je: ze dweept met je schilderijen.... Ik ben er al bijna
jaloersch van geworden, zoo praat ze er over." Hij lachte, en zijn
moeder nog luider. Nu lachen ze, dacht Paul, in zijn toestand van vlug
en helder zich rekenschap geven, omdat Louis dat daar zoo aardig zei van
dat jaloersch worden, terwijl hij natuurlijk wel weet, dat het dwepen
van zijn bruid zoo diep niet, en zijn mooie snor haar boven mijn werk
gaat ... en boven alle kunst misschien. Hij voelde intusschen dat de
krenking onbewust was geweest en werd er niet boos om. "Zoo!... heb je
't beloofd?" vroeg hij.... "Ik ben anders wel wat moe van de reis ... en
'k heb een beetje hoofdpijn.... Maar als je 't beloofd hebt...."
"Kom, kom! dat gaat wel over!... 'k Zal je nog maar 's inschenken!" zei
Louis. "Je bent toch zeker ook wel benieuwd hoe ze er uitziet?... Moe
van de reis!... 't is me ook een reis; ik dacht dat je ze wel grooter
gemaakt hadt!..." Paul had maar wat gezegd, in zijn opzien tegen de
kennismaking met al die menschen van-avond nog. Hij begreep wel dat hij
er niet af zou kunnen. Enfin..., dat moest toch gebeuren ... vandaag of
morgen.... Maar hij voelde zich vol tegenzin, hij meende nu wel te
begrijpen wat voor een meisje ze eigenlijk zijn zou, die Annie de Boogh.
Hij had zich daar tot nog toe niet zoo ingedacht, met zijn illusie
alweer over alle jonge meisjes! Maar hij wist het wel: in de
mondainiteit zijn de meisjes het ergste; onnatuurlijk vroeg geblaseerd
hebben ze iets duivelachtigs door hun ironische houding tegenover al wat
ernstig of verheven is, al wat niet te vereenigen is met hun verfijnde
genietingtjes, hun coquet gespeel.... Paul nam zich voor
beleefd-vriendelijk te zijn zonder meer, dat is: bijna stug.... O God!
die receptie morgen!... ze wilden dat hij daar bij zou staan!... Hij
voelde zich een beetje baloorig worden, wrevelig over zich-zelf, omdat
hij ook zoo precies gedaan had wat zij vroegen, en nu al gekomen was. En
hij dronk zijn glas zoo gauw uit, dat Louis er om lachte en met een
opmerking er over hem dadelijk weer inschonk.
* * * * *
Na het diner ging mevrouw Holman haar dutje doen, boven, op haar kamer.
De heeren kregen koffie en cognac en bleven nog wat napraten.
Louis werd nu toch wat losser, begon, onder 't rooken door, te praten op
een toon, die vertrouwelijker klonk, maar eigenlijk niet meer dan zijn
gewone "after-dinner" toon was, dat begreep Paul wel. Toch deed het hem
aangenaam aan, beterde zijn stemming erdoor, begon hij zelfs te bedenken
dat hij 't zich misschien wel wat overdreven had voorgesteld. Hij zou
toch vooral maar op een prettig-jovialen toon blijven met zijn broer....
't Was ten slotte maar voor een dag of tien, twaalf, dan mocht hij weer
terug naar zijn werkplaats, naar zijn heiden, bosschen en poelen, en zou
hij de goede gezichten weer zien van den veearts en zijn vrouw. 't Was
of hij 't nu pas voelde hoe hij aan die menschen gehecht en gewend was.
't Waren ook zoo'n paar besten, en zij hielden van hem om hem zelf. Ze
dweepten niet met zijn schilderijen. Ze wisten op z'n best wat dwepen
is, de goeierds!...
Louis bekende nu ook,--terwijl hij met kleine teugjes zijn pousje
uitdronk--dat Annie's vader een rijk man was en dat hem dat erg veel
genoegen deed. "En ... doodzuinig, weet je", fluisterde hij, "op 't
gierige af.... Nou ... dat heeft z'n goeie zij"--hij gaf een
knipoogje--. "Maar als z'n vrouw er niet was, die erg gesteld is op
vormen ... stand ... goeie-toon ... dan was er van eenige feestlijkheid
van hun kant niet ingekomen!... Nu zal er toch een en ander gebeuren....
Ik heb er ook nog al op aangedrongen, dat begrijp je, 't is noodig!...
En mama kan niet alles alleen doen...." Paul meende inderdaad dat hij 't
zoo'n beetje begreep.